Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBROT:2026:3426 
 
Datum uitspraak:12-03-2026
Datum gepubliceerd:27-03-2026
Instantie:Rechtbank Rotterdam
Zaaknummers:ROT 25/1631
Rechtsgebied:Socialezekerheidsrecht
Indicatie:Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiseres is het niet eens met de vaststelling van compensatie voor het jaar 2016 en met de afwijzing van de aanvraag voor het toeslagjaar 2017. Naar het oordeel van de rechtbank is de compensatie voor het toeslagjaar 2016 op juiste wijze vastgesteld en de compensatie voor het toeslagjaar 2017 terecht afgewezen. Het beroep is ongegrond.
Trefwoorden:forfaitair
kinderopvangtoeslag
 
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 25/1631

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 maart 2026 in de zaak tussen

[naam eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. N. Kose-Albayrak),

en

Dienst Toeslagen
(gemachtigde: [naam gemachtigde] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de aanvraag van eiseres om compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiseres is het niet eens met de vaststelling van compensatie voor het jaar 2016 en met de afwijzing van de aanvraag voor het toeslagjaar 2017. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de compensatie voor het toeslagjaar 2016 op juiste wijze is vastgesteld en de compensatie voor het toeslagjaar 2017 terecht is afgewezen. Het beroep is daarom ongegrond.



Procesverloop

2. Met vier besluiten van 4 oktober 2022 heeft de Dienst Toeslagen beslist op de aanvraag van eiseres om compensatie op grond van de Wht.


2.1.
Met een besluit van 11 januari 2023 heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag van eiseres om een Opzet/Grove schuld (O/GS)-tegemoetkoming op grond van de Wht toegekend.



2.2.
Met het besluit van 22 mei 2024 (het bestreden besluit) heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiseres tegen de besluiten van 4 oktober 2022 en 11 januari 2023 ongegrond verklaard.



2.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 19 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de Dienst Toeslagen.







Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Eiseres heeft een aanvraag gedaan om compensatie en/of een O/GS-tegemoetkoming op grond van de Wht. Met vier besluiten van 4 oktober 2022 heeft de Dienst Toeslagen vastgesteld dat eiseres recht heeft op compensatie voor de maanden mei tot en met september in toeslagjaar 2016. Voor de maanden oktober tot en met december 2016 en het toeslagjaar 2017 heeft eiseres geen recht op compensatie omdat er sprake is van evident geen recht. Omdat eiseres geen gebruik heeft gemaakt van gekwalificeerde opvang in de periode van oktober tot en met december 2016 en in het gehele jaar 2017 heeft de Dienst Toeslagen geen compensatie toegekend voor deze periode. Met het besluit van 11 januari 2023 heeft de Dienst Toeslagen vastgesteld dat eiseres recht heeft op een O/GS-tegemoetkoming. Met het bestreden besluit heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.



Wettelijk kader

4. Voor de beoordeling van het beroep zijn de volgende wettelijke regels van belang. De Dienst Toeslagen kent op aanvraag compensatie toe aan een aanvrager van kinderopvangtoeslag, die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van hem bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen of een te harde toepassing van het wettelijk systeem van de kinderopvangtoeslag. De compensatie wordt niet toegekend indien de door de aanvrager geleden schade is te wijten aan ernstige onregelmatigheden die aan hem toerekenbaar zijn. In de totstandkomingsgeschiedenis van de Wht is vermeld dat van een ernstige onregelmatigheid in ieder geval sprake is als uit het dossier blijkt dat er evident geen recht op kinderopvangtoeslag bestond, bijvoorbeeld als het kind waarvoor toeslag is aangevraagd, niet blijkt te bestaan, ouder is dan de geldende leeftijdsgrens of in het geheel geen opvang heeft genoten. Een ouder heeft alleen aanspraak op kinderopvangtoeslag als een kind naar een geregistreerde kinderopvang of gastouderopvang is gegaan. De compensatie die tijdens de integrale beoordeling op grond van de Wht wordt toegekend bestaat uit een limitatief opgesomde reeks schadeposten, waarvan een deel forfaitair is vastgesteld. De berekening van de hoogte van de compensatie vindt plaats aan de hand van deze schadeposten.



Beoordeling door de rechtbank

5. De rechtbank beoordeelt of de Dienst Toeslagen de toegekende compensatie op juiste wijze heeft vastgesteld. Dit doet zij aan de hand van de beroepsgronden.


Heeft eiseres recht op compensatie over het toeslagjaar 2017?

6. Eiseres betoogt dat de Dienst Toeslagen ten onrechte over het jaar 2017 geen compensatie heeft toegekend. Eiseres voert aan dat er geen sprake is van evident geen recht op kinderopvangtoeslag. Eiseres heeft naar voren gebracht dat in 2017 de eigen bijdragen aan de kinderopvang zijn betaald. Het betalen van de eigen bijdrage wijst op afname van gekwalificeerde opvang. De Dienst Toeslagen heeft deze betalingen ten onrechte toegeschreven aan een betalingsachterstand over 2016, terwijl de betalingsregeling met het incassobureau tot stand is gekomen en niet met de kinderopvangorganisatie. Eiseres stelt voorts dat zij recht had op kinderopvangtoeslag tijdens zwangerschapsverlof. Eiseres wijst erop dat de bezwaarschriftenadviescommissie (BAC) heeft geadviseerd het jaar 2017 alsnog te compenseren op grond van vooringenomen handelen. Dit advies heeft de Dienst Toeslagen ten onrechte niet heeft overgenomen.


6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen terecht geen compensatie toegekend voor het toeslagjaar 2017. Uit het dossier is niet gebleken dat eiseres in 2017 geregistreerde kinderopvang heeft afgenomen. Eiseres heeft in 2017 vier betalingen gedaan aan kinderopvang Barendrecht: op 27 januari 2017 een bedrag van € 17,50, op 21 februari 2017 een bedrag van € 70,-, op 29 maart 2017 een bedrag van € 17,50 en op 2 mei 2017 een bedrag van € 52,50. Deze betalingen wijken sterk af van de betalingen in 2016, waarin eiseres maandelijks bedragen van enkele honderden euro's betaalde. Uit het dossier zijn geen andere aanwijzingen gekomen dat in 2017 daadwerkelijk opvang is afgenomen. Wel blijkt uit de zogenaamde KOI-Viewer dat kinderopvang is afgenomen tot en met 16 september 2016 en vanaf die datum stopgezet. Dit strookt ook met de verklaring van eiseres zelf uit 2017 zoals te vinden in het Kinderopvangtoeslag-formulier van 2016. Gelet hierop is het naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk dat de betaalde bedragen in 2017 zien op eigen bijdragen en dat eiseres in 2017 (gekwalificeerde) opvang heeft afgenomen. De Dienst Toeslagen heeft daarom terecht geconcludeerd dat evident geen recht op kinderopvangtoeslag bestond en op grond van artikel 2.1, tweede lid, van de Wht terecht geen compensatie toegekend. Deze beroepsgrond slaagt niet.


Is het compensatiebedrag juist vastgesteld?

7. Eiseres betoogt dat de Dienst Toeslagen de compensatie voor het jaar 2016 onjuist heeft berekend. Zij voert aan dat uit de jaaropgave 2016 blijkt dat de totale kosten van opvang € 21.447,05 bedroegen en dat zij recht had op een hogere kinderopvangtoeslag dan op basis waarvan de compensatie is berekend. Eiseres stelt dat het jaar 2016 niet formeel is afgewikkeld omdat de Dienst Toeslagen geen definitieve beschikking heeft genomen op grond van de werkelijke gegevens. Eiseres wijst erop dat in component a van de compensatieberekening het bedrag dient te worden opgenomen dat vanwege vooringenomen handelen niet is toegekend, te weten € 20.063,16.



7.1.
Vast staat dat eiseres recht heeft op compensatie voor de maanden waarin zij institutioneel vooringenomen is behandeld door de Dienst Toeslagen, met uitzondering van de periode waarin zij evident geen recht had op kinderopvangtoeslag. De Dienst Toeslagen heeft de compensatieberekening gebaseerd op de beschikking van 7 juli 2017 waarin de kinderopvangtoeslag van eiseres is vastgesteld op € 0,-. Bij de laatste beschikking daarvoor, van 30 december 2016, is een voorschot toegekend van € 16.766,- voor kinderopvang in de maanden mei tot en met december 2016. De compensatie die de Dienst Toeslagen toekent, bestaat onder meer uit een bedrag vanwege een beschikking tot het beëindigen van voorschotverlening voor een kinderopvangtoeslag die een direct gevolg is van institutionele vooringenomenheid. Zoals reeds overwogen in overweging 6.1 is het niet aannemelijk dat eiseres kinderopvang heeft afgenomen in de periode van drie maanden van oktober tot en met december 2016. Daarmee is er in deze periode evident geen recht op kinderopvangtoeslag. Voor de vijf maanden mei tot en met september 2016 had eiseres wel recht op kinderopvangtoeslag en is het voorschot hiervoor beëindigd als gevolg van institutionele vooringenomenheid. Daarom is bij de berekening uitgegaan van 5/8 van € 16.766,-, wat neerkomt op een bedrag van € 10.479,-.



7.2.
Naar het oordeel van de rechtbank is de compensatie voor het jaar 2016 juist vastgesteld. Of de werkelijke kosten van de opvang destijds hoger waren en eiseres daarom meer kinderopvangtoeslag toegekend had moeten krijgen, is voor de berekening van compensatie in de integrale beoordeling niet relevant. Deze beroepsgrond slaagt niet.


Moet de Dienst Toeslagen het persoonlijk dossier van eiseres aan haar verstrekken?

8. Eiseres stelt dat zij niet kan controleren of het bestreden besluit op juiste gronden is genomen, omdat zij niet over alle gegevens beschikt. Eiseres verzoekt om het volledige persoonlijke dossier dat alle informatie van de Dienst Toeslagen over haar bevat.



8.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is de Dienst Toeslagen op grond van artikel 8:42 van de Awb uitsluitend verplicht de op de zaak betrekking hebbende stukken te verstrekken. Het volledige dossier van eiseres is omvangrijker en valt niet samen met de op de zaak betrekking hebbende stukken. De Dienst Toeslagen heeft de stukken over de toeslagjaren 2016 en 2017 in het geding gebracht. Uit het dossier blijkt welke beschikkingen zijn genomen, hoe deze tot stand zijn gekomen en welke gevolgen dit heeft gehad. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat relevante stukken ontbreken. Deze beroepsgrond slaagt niet.




Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt daarom geen vergoeding van haar proceskosten. Ook krijgt zij het betaalde griffierecht niet terug.




Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. dr. C.A. Hage, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J. Huisman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2026.













griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Artikel 2.1, eerste lid, van de Wht.


Artikel 2.1, tweede lid, van de Wht.



Kamerstukken II 2021/22, 36151, nr. 3, p. 72.


Artikel 1.5, eerste lid, van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen, zoals geldend op 1 januari 2012 en 1 januari 2013.


Artikel 2.2 en 2.3 van de Wht.


Artikel 2.2, onder a, van de Wht.
Link naar deze uitspraak