|
|
|
| ECLI:NL:OGEAC:2026:42 | | | | | Datum uitspraak | : | 27-03-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 27-03-2026 | | Instantie | : | Gerecht in eerste aanleg van Curaçao | | Zaaknummers | : | CUR202504066 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | Het is niet aan de SVB en niet aan de bestuursrechter, maar aan de regering om het AOV-pensioen te indexeren. Uit artikel 7, tweede en derde lid, van de Landsverordening Algemene Ouderdomsverzekering volgt dat indexering bij landsbesluit plaatsvindt. Daarmee heeft de wetgever tot uitdrukking gebracht dat de vaststelling van de indexering een politieke aangelegenheid is, die is voorbehouden aan de regering.
Dit is de kern van de uitspraak die het Gerecht vandaag heeft gedaan. De uitspraak is gedaan op het beroep van een AOV-pensioengerechtigde tegen een beslissing van de SVB. De SVB had haar verzoek om haar AOV-pensioen te indexeren afgewezen. Het Gerecht oordeelt dat de SVB dit terecht heeft gedaan.
Het Gerecht heeft wel oog voor het probleem dat de AOV-pensioengerechtigde aan de orde stelt. Het Gerecht onderkent ook dat indexering bij wet dwingend is voorgeschreven en de maatschappelijke gevolgen voor velen van het uitblijven daarvan. Het gaat echter in deze uitspraak niet over de vraag of het AOV-pensioen geïndexeerd moet worden, maar of de AOV-pensioengerechtigde zich daarvoor terecht tot de SVB heeft gewend. Het antwoord op die vraag is nee. Ook het Gerecht handelend als bestuursrechter kan in deze procedure niet overgaan tot indexering van het AOV-pensioen. | | Trefwoorden | : | ingezetene | | | uitkering | | | | Uitspraak | GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Uitspraak
In het geding tussen:
[naam eiseres],
wonende te Curaçao,
gemachtigde: mr. D. Evertsz,
en
de Sociale Verzekeringsbank,
verweerder,
gemachtigde: mr. R.A.P.H. Pols.
Partijen worden hierna aangeduid als eiseres en de SVB.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt het Gerecht het beroep van eiseres tegen de beslissing van de SVB om het AOV-pensioen van eiseres niet te indexeren en haar ook geen hoger bedrag aan AOV-pensioen uit te betalen.
1.1
Bij brief van 5 augustus 2025 heeft eiseres hiertoe een verzoek gedaan aan de SVB.
1.2
Op 6 oktober 2025 heeft eiseres beroep ingesteld bij het Gerecht tegen het uitblijven van een beslissing van de SVB op haar verzoek.
1.3
Bij beschikking van 13 oktober 2025 heeft de SVB afwijzend beslist op het verzoek van eiseres (de bestreden beschikking).
1.4
Bij brief van 2 december 2025 heeft eiseres op verzoek van het Gerecht gemotiveerd waarom de SVB volgens haar bevoegd is haar verzoek toe te wijzen.
1.5
Bij brief van 16 januari 2026 heeft eiseres stukken overgelegd, onder andere het convenant met als titel “Nationaal convenant inzake de maatschappelijke discussie met betrekking tot de indexatie van de AOV-uitkering” (hierna: het convenant).
1.6
De SVB heeft op 28 januari 2026 met een verweerschrift op het beroep gereageerd.
1.7
Bij brief van 5 februari 2026 heeft eiseres op het verweerschrift gereageerd.
1.8
De SVB heeft op 10 februari 2026 een aanvullend verweerschrift ingediend.
1.9
Bij brief van 12 februari 2026 heeft eiseres nadere stukken in het geding gebracht.
1.10
Het beroep is op 13 februari 2026 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. De SVB heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en mr. S.S.J. Vierbergen.
Beoordeling door het Gerecht
2.1
Het Gerecht beoordeelt de beslissing van de SVB om het verzoek van eiseres af te wijzen aan de hand van de argumenten die eiseres daartegen heeft aangevoerd.
2.2
Het Gerecht komt tot het oordeel dat hij niet bevoegd is om te oordelen over het beroep van eiseres voor zover dat is gericht tegen het uitblijven van een beslissing op haar verzoek. Ten tijde van het instellen van beroep was namelijk nog geen sprake van een met een beschikking gelijk te stellen weigering om te beschikken.
2.3
Het beroep voor zover dat is gericht tegen de bestreden beschikking is ongegrond. De SVB heeft het verzoek van eiseres terecht afgewezen. Het is namelijk niet aan de SVB maar aan de Regering om over te gaan tot indexering van het AOV-pensioen van eiseres.
2.4
Dit laat onverlet dat het Gerecht oog heeft voor het probleem dat eiseres in deze procedure aan de orde stelt. Het Gerecht heeft in dat kader acht geslagen op het convenant. Het Gerecht onderkent ook dat indexering bij wet dwingend is voorgeschreven en de maatschappelijke gevolgen voor velen van het uitblijven daarvan. Het gaat echter in deze procedure niet over de vraag of het AOV-pensioen van eiseres geïndexeerd moet worden, maar of eiseres zich daarvoor terecht tot de SVB heeft gewend. Het antwoord op die vraag is nee. Ook het Gerecht handelend als bestuursrechter kan in deze procedure niet overgaan tot indexering van het AOV-pensioen van eiseres.
2.4
Het Gerecht legt dit oordeel hierna uit.
Kan D. Evertsz optreden als gemachtigde in deze procedure?
3. De SVB heeft voorafgaand aan de zitting de vraag opgeworpen of de gemachtigde van eiseres in deze bestuursrechtelijke procedure namens eiseres het woord kan voeren. De SVB wijst op artikel 52, eerste lid, van de Advocatenlandsverordening waaruit volgt dat uitsluitend op Curaçao woonachtige personen als gemachtigde of raadsman kunnen optreden. De gemachtigde van eiseres is niet woonachtig in Curaçao maar in Nederland. In het bestuursrecht geldt geen introductieregeling voor bezoekende advocaten zoals opgenomen in artikel 28b van het Procesreglement 2023. Er is volgens de SVB dus geen wettelijke grondslag waaruit volgt dat de gemachtigde van eiseres namens haar het woord kan voeren.
4. Het Gerecht volgt de SVB hierin niet. Het Gerecht motiveert dat als volgt.
4.1
Artikel 15, eerste lid, van de Lar bepaalt dat het beroep aanhangig wordt gemaakt met een aan het Gerecht gericht beroepschrift, dat in tweevoud wordt ingediend bij de griffie van het Gerecht. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat het beroepschrift kan worden ingediend door degene die tot het beroep gerechtigd is, of door een door deze aangewezen gemachtigde. De machtiging wordt schriftelijk gegeven en bij het beroepschrift overgelegd. Het derde lid van dit artikel bepaalt dat in afwijking van het tweede lid een advocaat geen machtiging behoeft over te leggen.
4.2
Artikel 52, eerste lid van de Advocatenlandsverordening 1959 bepaalt dat als gemachtigden of raadslieden kunnen optreden alleen in de Nederlandse Antillen woonplaats hebbende personen.
4.3
Het Gerecht stelt vast dat de Lar geen beperkingen stelt aan wie als gemachtigde kan optreden. Dat betekent dat ook andere personen dan advocaten als gemachtigde kunnen optreden in Lar-procedures, mits zij een schriftelijke machtiging overleggen als bedoeld in artikel 15, tweede lid, van de Lar. Artikel 52, eerste lid, van de Advocatenlandsverordening maakt dit niet anders. In de eerste plaats geldt dit artikel alleen voor advocaten. In de tweede plaats is artikel 52 van de Advocatenlandsverordening geschreven ver voor inwerkingtreding van de Lar in 2001. Als de wetgever deze beperking ook voor Lar-procedures had willen laten gelden, had het op de weg van de wetgever gelegen die beperking in de Lar op te nemen. Ten slotte geldt dat een dergelijke beperking zich niet goed verhoudt tot de in het bestuursrecht beoogde laagdrempelige toegang voor een rechtszoekende tot de bestuursrechter.
4.4
Het Gerecht vindt steun voor dit oordeel in de uitspraak van het Hof van
3 juni 2016 (ECLI:NL:OGHACMB:2016:34) en in de uitspraak van het Hof van 21 oktober 2020 (ECLI:NL:OGHACMB:2020:199).
Waarom is het Gerecht onbevoegd om kennis te nemen van het beroep van eiseres voor zover dat is gericht tegen het uitblijven van een beslissing op haar verzoek?
5.1
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op haar verzoek van 5 augustus 2025.
5.2
Artikel 7 van de Lar bepaalt dat natuurlijke personen of rechtspersonen, die rechtstreeks door een beschikking worden getroffen, daartegen beroep kunnen instellen bij het Gerecht.
5.3
Artikel 3, tweede lid, van de Lar bepaalt dat met een beschikking wordt gelijk gesteld een weigering om een beschikking te geven.
Artikel 3, derde lid, van de Lar bepaalt dat wanneer de wettelijk gestelde termijn voor het geven van een beschikking is verstreken zonder dat een beschikking is gegeven of – bij het ontbreken van zulk een termijn – wanneer niet binnen redelijke tijd een beschikking is gegeven, dat geldt als het weigeren van een beschikking.
5.4
Artikel 16a, eerste lid, van de Lar bepaalt dat indien het beroep gericht is tegen het niet tijdig geven van een beschikking, het niet aan een termijn is gebonden. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een beschikking te geven.
5.5
Naar het oordeel van het Gerecht was op het moment dat eiseres haar beroepschrift indiende, de SVB nog niet in gebreke tijdig een beschikking te geven. Het Gerecht motiveert dat als volgt.
5.5.1
Tussen partijen is niet in geschil en ook het Gerecht stelt vast dat voor de SVB geen wettelijke termijn gold voor het geven van een beschikking op het verzoek van eiseres. Eiseres heeft zich in haar verzoek van 5 augustus 2025 op het standpunt gesteld dat een beslistermijn van twee maanden als uitgangspunt geldt, maar dat zij zich desalniettemin zal conformeren aan een beslistermijn van vier maanden.
5.5.2
De gemachtigde van eiseres heeft op 28 augustus 2025 telefonisch contact gehad met de klantenservice van de SVB. De gemachtigde schrijft in een email van diezelfde datum dat hem is medegedeeld dat binnen circa twee weken een reactie zal volgen op het verzoek van eiseres. Daarom heeft hij, toen een reactie uitbleef, al op 6 oktober 2025 beroep ingesteld en niet de in het verzoek geaccepteerde beslistermijn van vier maanden afgewacht.
5.5.3
Het Gerecht is van oordeel dat in dit geval vier maanden een redelijke tijd voor de SVB was om een beschikking te geven op het verzoek. Daarbij betrekt het Gerecht de inhoud van het verzoek en de mogelijke maatschappelijke impact van de beslissing van de SVB. Gelet daarop was intern en extern mogelijk afstemming nodig. Verder had eiseres zich in het verzoek geconformeerd aan een beslistermijn van vier maanden, zodat de SVB daar ook vanuit mocht gaan. Weliswaar heeft de gemachtigde van eiseres uit een telefonisch contact met de klantenservice bericht gekregen dat er eerder zou worden beslist, maar die omstandigheid is van onvoldoende gewicht om te komen tot een ander oordeel over de vraag wat een redelijke beslistermijn is.
5.6
Omdat de SVB op het moment dat eiseres beroep instelde nog niet in gebreke was tijdig een beschikking te geven, is geen sprake van een met een beschikking gelijk te stellen weigering om te beschikken. Daarom zal het Gerecht zich onbevoegd verklaren om kennis te nemen van haar beroep, voor zover dit is gericht tegen het uitblijven van een beslissing op haar verzoek. Gelet op het voorgaande ziet het Gerecht geen aanleiding om de SVB te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten voor het instellen van het beroep voor zover gericht tegen het uitblijven van een beslissing op haar verzoek.
5.7
Op grond van artikel 9c van de Lar heeft het beroep van eiseres mede betrekking op de bestreden beschikking. Het Gerecht zal hierna de bestreden beschikking en de gronden van eiseres daartegen bespreken.
Wat is inhoudelijk relevant om te weten in deze zaak?
6.1
Eiseres is geboren op 11 maart 1957. Zij woont in Curaçao. Met ingang van april 2022 heeft eiseres recht op ouderdomspensioen op grond van de Landsverordening Algemene Ouderdomsverzekering (in deze uitspraak: Lv AOV en AOV-pensioen).
6.2
Eiseres vindt dat haar AOV-pensioen ten onrechte niet geïndexeerd wordt. De verplichting om te indexeren staat in de wet. Nu de Regering niet overgaat tot indexering, heeft zij een verzoek daartoe gedaan aan de SVB. Tijdens de zitting heeft eiseres toegelicht dat zij dit niet alleen voor haarzelf doet, maar voor de naar schatting meer dan 50.000 gepensioneerden die getroffen worden door het uitblijven van indexering.
6.3
Haar verzoek van 5 augustus 2025 aan de SVB houdt in primair betaling door de SVB van de gemiste indexering alsmede verhoging van haar AOV-pensioen per toekomende datum en subsidiair toekenning van schadevergoeding ter hoogte van het bedrag dat volgt uit haar primaire verzoek. Dit verzoek heeft geleid tot de in de inleiding van deze uitspraak vermelde procedure.
6.4
Op 18 december 2025 zijn het Land Curaçao en vier representatieve organisaties van gepensioneerden (UPAH, APT, MPK en APPK) het convenant overeengekomen. In de kern en voor zover voor deze zaak relevant hebben partijen overeenstemming bereikt over een drietal punten:
aanpassing van de AOV-uitkering per 1 januari 2026 van Cg 862 naar Cg 1.000;
een bij landbesluit jaarlijks plaatsvindende indexatie vanaf 1 januari 2027 op basis van het consumentenprijsindexcijfer over de maand augustus van het jaar voorafgaand aan de indexatie ten opzichte van de maand augustus van het daaraan voorafgaande jaar, met dien verstande dat aanpassing uitsluitend plaatsvindt indien sprake is geweest van een reële economische groei van ten minste twee procent in het peiljaar;
toekenning van een eenmalige lumpsum van Cg 2.500 aan bepaalde AOV-gerechtigden als compensatie voor het koopkrachtverlies in de periode tot en met 31 december 2025.
6.5
In het convenant staat verder dat de formele vaststelling en inwerkingtreding van de hiervoor genoemde eerste twee punten geschiedt bij landsverordening.
6.6
Bij brief van 18 december 2025 heeft de minister-president het convenant aangeboden aan de voorzitter van de Staten met het verzoek deze in een spoedvergadering te behandelen en daarover een beslissing van de Staten uit te lokken. In deze brief schrijft de minister-president onder andere:
“De regering acht het van groot algemeen belang dat, vooruitlopend op de formele wetswijziging van de Landsverordening AOV ter uitvoering van het convenant, de Sociale Verzekeringsbank (SVB) ook vanwege de Staten wordt toegestaan om met ingang van januari 2026 uitvoering te geven aan de in het convenant opgenomen verhoging van de AOV-uitkering.”
Waarom heeft de SVB het verzoek van eiseres afgewezen?
7.1
De SVB heeft het primaire verzoek van eiseres afgewezen, omdat zij als zelfstandig bestuursorgaan slechts belast is met de uitvoering van de Lv AOV. Volgens de SVB heeft zij geen bevoegdheid om het bij landsverordening vastgestelde AOV-pensioen te verhogen en evenmin om dat bedrag te indexeren. Dat laatste moet volgens de SVB bij landsbesluit gebeuren door de Regering.
7.2
Het subsidiaire verzoek van eiseres om schadevergoeding heeft de SVB afgewezen, omdat zij vindt dat de SVB niet aansprakelijk kan worden gehouden voor het uitblijven van een door te Regering te nemen landsbesluit over indexering.
Wat voert eiseres aan en wat vindt het Gerecht daarvan?
8. Eiseres voert allereerst aan dat de SVB haar verzoek ten onrechte heeft afgewezen. Volgens haar is indexering van AOV-pensioenen een wettelijke verplichting wanneer sprake is van reële economische groei. Dat nog geen landsbesluit als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Lv is vastgesteld, maakt dat niet anders. Hetzelfde geldt voor het ontbreken van het in artikel 7, derde lid, genoemde ijkpunt voor het berekenen van de economische groei. Volgens eiseres brengt een redelijke toepassing van artikel 7 van de Lv AOV mee dat in dat geval aansluiting had moeten worden gezocht bij de best beschikbare maatstaf voor het vaststellen van reële economische groei, namelijk de door het CBS vastgestelde jaar-op-jaargroei. Daarnaast volgt volgens eiseres uit artikel 9, tweede lid, van de Lv AOV dat de SVB ambtshalve bevoegd is om het AOV-pensioen te verhogen.
9. Deze beroepsgrond slaagt niet. Het Gerecht motiveert dat als volgt.
9.1
Het Gerecht geeft hierna eerst de relevante wetsartikelen van de Lv AOV weer.
9.1.1
Artikel 6 bepaalt dat degene die verzekerd is geweest en de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, overeenkomstig de bepalingen van deze landsverordening recht heeft op ouderdomspensioen.
9.1.2
Artikel 7, eerste lid, bepaalt dat het ouderdomspensioen voor een ingezetene NAf 862,00 per maand bedraagt.
9.1.3
Artikel 7, tweede lid, bepaalt dat de pensioenbedragen, bedoeld in het eerste lid, bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, met inachtneming van het derde lid worden aangepast.
9.1.4
Artikel 7, derde lid, bepaalt dat aanpassing van de pensioenbedragen plaats heeft met ingang van de eerste dag van enig kalenderjaar op basis van het percentage van de reële economische groei voor de maand augustus daaraan voorafgaande ten opzichte van het percentage van de reële economische groei voor de maand augustus van het daaraan voorafgaande jaar.
9.1.5
Artikel 7a geeft aan onder welke voorwaarden een rechthebbende op ouderdomspensioen recht heeft op een toeslag.
9.1.6
Artikel 8 geeft aan onder welke omstandigheden een korting wordt toegepast op het AOV-pensioen.
9.1.7
Artikel 9, eerste lid, bepaalt dat het ouderdomspensioen alsmede een verhoging van het ouderdomspensioen op aanvraag wordt toegekend door de Bank.
9.1.8
Artikel 9, tweede lid, bepaalt dat in afwijking van het bepaalde in het vorige lid de Bank bevoegd is het ouderdomspensioen alsmede een verhoging van het ouderdomspensioen ambtshalve toe te kennen.
9.2
Het Gerecht stelt vast dat de hoogte van de AOV-uitkering rechtstreeks uit de wet volgt, namelijk uit de artikelen 7, 7a en 8. Het is daarmee aan de wetgever om de hoogte van de uitkering te bepalen, en niet aan de SVB. Uit artikel 7, tweede en derde lid, volgt dat indexering bij landsbesluit plaatsvindt. Daarmee heeft de wetgever tot uitdrukking gebracht dat de vaststelling van de indexering een politieke aangelegenheid is, die is voorbehouden aan de Regering. Het derde lid geeft richting aan de wijze waarop het indexeringspercentage in het landsbesluit wordt bepaald, maar biedt geen zelfstandige grondslag om bij het ontbreken van een landsbesluit het indexeringscijfer vast te stellen.
9.3
Uit het voorgaande volgt dat de SVB niet bevoegd is om de AOV-uitkering op grond van artikel 7 van de Lv AOV te indexeren. Anders dan eiseres betoogt, kan een dergelijke bevoegdheid ook niet worden ontleend aan artikel 9 van de Lv AOV. Dat artikel geeft de SVB weliswaar de bevoegdheid om een verhoging van het ouderdomspensioen toe te kennen, maar die bevoegdheid ziet niet op de door eiseres gewenste indexering. Een andere uitleg zou zich niet verdragen met de in artikel 7 neergelegde systematiek. Artikel 9 moet daarom, in het licht van die systematiek, zo worden gelezen dat de SVB een verhoging kan toekennen indien en voor zover een rechthebbende op grond van de artikelen 7, 7a en 8 aanspraak heeft op een hoger ouderdomspensioen, hetzij op aanvraag, hetzij ambtshalve.
9.4
Het voorgaande brengt het Gerecht tot de conclusie dat de SVB het primaire verzoek van eiseres terecht heeft afgewezen.
9.5
Eiseres heeft de SVB subsidiair verzocht om schadevergoeding. De SVB heeft ook dit subsidiaire verzoek terecht afgewezen, omdat geen sprake is van een onrechtmatige beschikking van de SVB die schade heeft veroorzaakt.
10. Eiseres voert ten slotte aan dat sprake is van een rechtstekort waardoor de doelstelling van de Lv AOV – het waarborgen van bestaanszekerheid voor ouderen - niet wordt gerealiseerd. Volgens eiseres dient het Gerecht in dit rechtstekort te voorzien door zelf het indexeringspercentage vast te stellen. Het is volgens eiseres ook aan het Gerecht om deze stap te zetten, nu de wetgever en de uitvoerende macht in gebreke blijven. Er is immers sprake van een uitvoeringsdefect omdat de cijfers op basis waarvan volgens de wetgever geïndexeerd moet worden niet beschikbaar zijn, terwijl de wetgever niet komt met reparatiewetgeving. Effectieve rechtsbescherming vergt daarom in dit geval dat de rechter het rechtstekort adresseert. De stap naar de civiele rechter is volgens eiseres geen optie. Er staat immers een met voldoende waarborgen omklede bestuurlijke rechtsgang naar de Lar-rechter open. Eiseres wijst op de uitspraak van de civiele rechter in dit gerecht van 16 december 2019 (ECLI:NL:OGEAC:2019:292).
11. Deze beroepsgrond slaagt niet. Het Gerecht motiveert dat als volgt.
11.1
Het Gerecht stelt voorop dat het in deze bestuursrechtelijke procedure de bestreden beschikking beoordeelt aan de hand van de argumenten die eiseres daartegen heeft aangevoerd. De vraag die het Gerecht in deze zaak dus moet beantwoorden, is of de SVB het verzoek van eiseres om onder andere haar AOV-pensioen te indexeren terecht heeft afgewezen. Het betoog van eiseres dat de bestuursrechter moet overgaan tot vaststellen van het indexeringspercentage raakt die vraag niet. Reeds daarom slaagt dit betoog niet.
11.2
Bovendien geldt, zoals het Gerecht hiervoor in 9.2 heeft overwogen, dat het de uitdrukkelijke keuze van de wetgever is geweest om het vaststellen van het indexeringspercentage neer te leggen bij de Regering. Het gaat daarbij om een beslissing die naar haar aard politiek is, omdat daarbij uiteenlopende maatschappelijke en budgettaire belangen moeten worden afgewogen. De rechter dient in dit geval niet in die afweging te treden, alleen al omdat hij niet beschikt over de daarvoor benodigde informatie.
11.3
Het Gerecht volgt eiseres niet in haar betoog dat de stap naar de civiele rechter om een landsbesluit als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Lv AOV af te dwingen geen optie is. De rechtspraak waar eiseres zich op beroept, is niet vergelijkbaar met deze zaak. Indien een landsbesluit tot stand zou zijn gekomen, had eiseres de rechtmatigheid daarvan niet aan de civiele rechter kunnen voorleggen, maar had zij een daarop gebaseerde beschikking aan de bestuursrechter moeten voorleggen. In dit geval ontbreekt juist een landsbesluit. Het nalaten van de regering om een dergelijk landsbesluit vast te stellen, kan aan de civiele rechter worden voorgelegd.
Conclusie en gevolgen
12. Kort en goed is dus niet de SVB, en ook niet de bestuursrechter, maar de Regering aan zet om te komen tot verhoging en of indexering van de AOV-uitkering van eiseres. De beroepsgronden van eiseres slagen niet. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzende beschikking van de SVB op het verzoek van eiseres in stand blijft. Het Gerecht is niet bevoegd om kennis te nemen van het beroep van eiseres tegen het uitblijven van een beschikking op haar verzoek. De SVB hoeft de proceskosten van eiseres en het door haar betaalde griffierecht niet te vergoeden.
Beslissing
Het Gerecht:
verklaart zich onbevoegd om van het beroep kennis te nemen, voor zover dit is gericht tegen het uitblijven van een beslissing op het verzoek van 5 augustus 2025;
verklaart het beroep voor zover gericht tegen de bestreden beschikking ongegrond.
Aldus vastgesteld door mrs. S. Lanshage, voorzitter, J. Sybesma en P. Klik, leden, en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2026, in tegenwoordigheid van mr. H. van der Schaft, griffier.
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.
Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Het hoger beroep moet worden ingediend bij het Gerecht dat de uitspraak heeft gedaan.
De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:
het hoger beroepschrift indienen in tweevoud;
een afschrift van deze uitspraak bijvoegen;
vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden).
Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment kunnen worden ingediend.
Voor het instellen van het hoger beroep is griffierecht verschuldigd. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|