Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBDHA:2026:7291 
 
Datum uitspraak:31-03-2026
Datum gepubliceerd:31-03-2026
Instantie:Rechtbank Den Haag
Zaaknummers:NL26.15871
Rechtsgebied:Vreemdelingenrecht
Indicatie:Eerste beroep vreemdelingenbewaring – buiten zitting – daadwerkelijk en effectief beëindigen van verblijf in Nederland – lichter middel – voortvarend handelen – beroep ongegrond.
Trefwoorden:levensonderhoud
 
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.15871

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. A.M.V. Bandhoe),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigden: mr. G. Cambier en mr. R. Hopman).




Procesverloop

Bij besluit van 20 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Verweerder heeft op 26 maart 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.

Eiser heeft zich akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van het beroep. Hij heeft op 24 maart 2026 gronden van beroep ingediend. Verweerder heeft op 27 maart 2026 een reactie daarop gegeven. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten op 31 maart 2026.




Overwegingen

1. Eiser is geboren op [datum] 1990 en heeft de Poolse nationaliteit.

2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.


Beëindiging van het verblijf in Nederland


3. Eiser voert aan dat hij zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd na ontvangst van het besluit van 14 februari 2023. Hij heeft bijna twee jaar buiten Nederland verbleven en het centrum van zijn leven naar Denemarken verplaatst. Eiser wijst hierbij op het arrest F.S.

4. Bij beschikking van 14 februari 2023 is vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft op grond van het Unierecht. Hoewel eiser, naar eigen zeggen, binnen twee weken na ontvangst van deze beschikking Nederland heeft verlaten, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd en dat zijn terugkeer geen voortzetting is van zijn eerdere verblijf in Nederland. Eiser heeft niet onderbouwd dat hij in Denemarken een bestaan heeft opgebouwd. Ook is niet gebleken dat eiser het centrum van zijn persoonlijke of professionele belangen naar Denemarken heeft overgebracht. Tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft eiser verklaard dat hij in verschillende lidstaten heeft verbleven, nergens officieel heeft gewerkt, in Denemarken in zijn levensonderhoud voorzag door blikjes met statiegeld te verzamelen en dat hij zich na zijn vertrek uit Nederland niet buiten Nederland heeft ingeschreven bij een gemeente. Verder heeft verweerder van belang kunnen achten dat eiser voorafgaand aan zijn inbewaringstelling onder vergelijkbare omstandigheden is aangetroffen als ten tijde van de beëindiging van zijn verblijfsrecht. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij buiten Nederland bestendig verblijf heeft opgebouwd en dat eiser valt onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. De maatregel is op de juiste grondslag opgelegd.


Maatregel van bewaring


5. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vorderde, omdat het risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontweek of belemmerde.
Verweerder heeft als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

6. Eiser betwist zware grond 3c.

7. De rechtbank stelt vast dat eiser zware gronden 3a en 3b evenals lichte gronden 4c en 4d niet heeft betwist. Deze gronden zijn naar het oordeel van de rechtbank feitelijk juist en voor zover nodig voldoende toegelicht. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring reeds dragen. Het risico op onttrekking volgt hieruit. Wat eiser aanvoert tegen de zware grond 3c behoeft daarom geen bespreking.


Lichter middel


8. Eiser voert verder aan dat verweerder hem de mogelijkheid had moeten bieden om Nederland zelfstandig te verlaten.

9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend was toe te passen om het risico op onttrekking aan het toezicht te ondervangen. Verder is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de bewaring voor eiser onevenredig bezwarend maakten en waarin verweerder aanleiding had moeten zien voor een lichter middel.


Voortvarend handelen


10. Tot slot voert eiser aan dat, gelet op het ontbreken van stukken in het dossier, niet kan worden vastgesteld of verweerder voortvarend handelt. Het paspoort van eiser is in het bezit van verweerder, zodat niet gewacht hoeft te worden op een laissez-passer. Als verweerder uitzettingshandelingen, zoals een vluchtaanvraag, pas in een laat stadium verricht, handelt verweerder niet voldoende voortvarend.

11. Eiser wordt hierin niet gevolgd. Uit het dossier blijkt dat op 25 maart 2026 met eiser een vertrekgesprek is gevoerd. Daarmee heeft verweerder tijdig een eerste uitzettingshandeling verricht. In het vertrekgesprek heeft eiser kenbaar gemaakt asiel te willen aanvragen, waarna hij een asielaanvraag heeft ondertekend. Verweerder heeft de maatregel vervolgens tijdig, namelijk op 26 maart 2026, opgeheven en eiser op een andere grondslag in bewaring gesteld.


Ambtshalve toets


12. Ook de ambtshalve toetsing leidt niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring in de te beoordelen periode op enig moment onrechtmatig was.


Conclusie


13. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.






Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan op 31 maart 2026 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:




Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.


Vreemdelingenwet 2000.


Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 22 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:506.


Artikel 5.3, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).


Artikel 5.3, vierde lid, van het Vb.
Link naar deze uitspraak