Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBDHA:2026:7313 
 
Datum uitspraak:30-03-2026
Datum gepubliceerd:31-03-2026
Instantie:Rechtbank Den Haag
Zaaknummers:C/09/700234 / KG RK 26/33
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Het wrakingsverzoek bevat 7 gronden tot wraking. Het verzoek wordt ten aanzien van de eerste 5 gronden niet-ontvankelijk verklaard, omdat de verzoekers het verzoek te laat hebben ingediend en voor het tijdsverloop geen redelijke verklaring is gegeven. Het verzoek wordt ten aanzien van de gronden 6 en 7 toegewezen, omdat uit de correspondentie blijkt dat de kantonrechter zich reeds uitlaat over het standpunt van één van de partijen en een oordeel geeft over een onderwerp waarover partijen nog met elkaar in debat zijn en waarover zij zich, gelet op de stand van de procedure, nog moeten uitlaten. Hieruit kan de objectieve schijn van vooringenomenheid van de kantonrechter worden afgeleid.
Trefwoorden:huurovereenkomst
vaststellingsovereenkomst
wettelijke rente
 
Uitspraak
Rechtbank den haag

Wrakingskamer

wrakingnummer 2026/17
zaak- /rekestnummer: C/09/700234 / KG RK 26/338


Beslissing van 30 maart 2026


van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van



[verzoeker 1] en [verzoeker 2] ,

hierna te noemen: verzoekers,
gemachtigde: mr. A.N.A. Buyserd,

strekkende tot de wraking van

mr. M.E. Groeneveld-Stubbe,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de kantonrechter.




1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het schriftelijke verzoek tot wraking van 20 februari 2026 met bijlagen van mr. A.N.A. Buyserd namens verzoekers;
- het proces-verbaal van de zitting van 2 december 2025;
- de schriftelijke reactie van de kantonrechter (niet gedateerd).



1.2.
Op 16 maart 2026 is het verzoek tot wraking ter zitting behandeld. Hierbij zijn verschenen:
- de heer [verzoeker 1] en zijn gemachtigde, mr. A.N.A. Buyserd.

De kantonrechter heeft laten weten niet te zullen verschijnen.





2Het wrakingsverzoek


2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van de kantonrechter in de zaak met nummer 11806329 RL EXPL 25-13437 tussen verzoekers als eisers en de wederpartij als gedaagde. Deze zaak betreft een dagvaardingsprocedure over een huurgeschil. Nadat een procedure heeft plaatsgevonden bij de Huurcommissie hebben verzoekers een dagvaardingsprocedure bij de rechtbank gestart. Tijdens de zitting van 2 december 2025 hebben partijen een schikking getroffen die is vastgelegd in een proces-verbaal.



2.2.
Door en namens verzoekers is de kantonrechter gewraakt bij het schriftelijke wrakingsverzoek van 20 februari 2026, dat ter zitting mondeling is toegelicht. Verzoekers hebben - kort samengevat - aangevoerd dat in voornoemde dagvaardingsprocedure geen eerlijke behandeling door een onpartijdig gerecht in de zin van artikel 6 lid 1 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: het EVRM) heeft plaatsgevonden, omdat de behandelend kantonrechter partijdig, althans bevooroordeeld en vooringenomen was. Nadat de heer [verzoeker 1] , die namens verzoekers aanwezig was, had geprobeerd uit te leggen waarom de gemachtigde van verzoekers niet bij de zitting van 2 december 2025 aanwezig kon zijn heeft de kantonrechter aangegeven dat dit in het nadeel van verzoekers zou worden uitgelegd (grond 1). Daarnaast heeft zij ten aanzien van verzoekers het beginsel van hoor en wederhoor geschonden (grond 2). Ook is het verzoek om later nog bewijsstukken in te dienen afgewezen en daarmee is de kantonrechter vooruitgelopen op beslissingen in het vonnis (grond 3). Verder heeft de kantonrechter druk uitgeoefend op verzoekers om akkoord te gaan met een schikking en om het proces-verbaal van de vaststellingsovereenkomst direct te ondertekenen (grond 4). Daarmee heeft de kantonrechter verzoeker geen gelegenheid geboden tot ruggespraak met of advies van hun gemachtigde (grond 5). Tot slot heeft de kantonrechter in haar brief van 13 februari 2026 de vaststellingsovereenkomst in het proces-verbaal van de zitting van 2 december 2025 geïnterpreteerd en uitgelegd (grond 6) en daarmee heeft zij mee-geprocedeerd (grond 7). Ook daaruit blijkt (een gegronde vrees voor) vooringenomenheid, aldus verzoekers.



2.3.
De kantonrechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.





3De beoordeling


3.1.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem of haar bekend zijn geworden.



3.2.
Een verzoek tot wraking moet worden gedaan zodra de omstandigheden die daarvoor aanleiding hebben gegeven zich hebben voorgedaan. Na indiening van het verzoek wordt de procedure direct geschorst. Zo wordt voorkomen dat de rechter proceshandelingen verricht gedurende een periode waarvan later wordt vastgesteld dat hij toen niet over de vereiste onpartijdigheid beschikte. Ook is beoogd onnodige vertraging van de rechtspleging te voorkomen. De door verzoekers in hun gronden 1 tot en met 5 aangevoerde omstandigheden zijn aan hen bekend geworden tijdens de zitting in de hoofdzaak, te weten op 2 december 2025, en het verzoek tot wraking is gedaan op 20 februari 2026. Er is dus sprake van een tijdsverloop van ongeveer tweeënhalve maand tussen het bekend worden van deze omstandigheden die aanleiding hebben gegeven tot het wrakingsverzoek en het indienen daarvan. Voor dit aanzienlijke tijdsverloop is door verzoekers geen redelijke verklaring gegeven. Het feit dat de ‘maat vol was’ toen verzoekers op 19 februari 2026 de brief van de rechter ontvingen, brengt niet mee dat verzoekers op dat moment ook nog de gebeurtenissen tijdens de eerdergenoemde zitting aan hun wrakingsverzoek ten grondslag kunnen leggen. Het verzoek is in zoverre, dus voor zover het de gronden 1 tot en met 5 betreft, te laat ingediend en verzoekers kunnen dan ook niet worden ontvangen in dat deel van het wrakingsverzoek. Aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek ten aanzien van de gronden 1 tot en met 5 komt de wrakingskamer daarom niet toe.




3.3.
Ten aanzien van de gronden 6 en 7 overweegt de wrakingskamer als volgt.



3.4.
In het proces-verbaal van 2 december 2025 staat onder meer het volgende:


“4. [verzoeker 2] zal aan [wederpartij] het door [wederpartij] teveel betaalde bedrag aan huur terugbetalen. Partijen zullen in onderling overleg een berekening maken van het terug te betalen bedrag. Partijen zullen de rechtbank zodra deze berekening klaar is een afschrift daarvan toezenden met het verzoek om dat vast te leggen in een afzonderlijk proces-verbaal met executoriale kracht. Als partijen er onderling niet uitkomen zal op dat punt aan de rechtbank om een oordeel worden gevraagd.”




3.4.
De wrakingskamer leidt uit het voorgaande af dat partijen de gelegenheid is gegeven om nader met elkaar in gesprek te gaan over een berekening van het aan de wederpartij terug te betalen bedrag. Ter zitting van de wrakingskamer is gebleken dat partijen daarover ook over en weer contact met elkaar hebben gehad, maar dat zij hierover geen overeenstemming hebben bereikt. De gemachtigde van verzoekers heeft op 18 december 2025 een e-mailbericht gestuurd aan de kantonrechter met de advocaat van de wederpartij in de cc. In dit mailbericht geeft de gemachtigde aan dat de wederpartij zich op het standpunt stelt dat de wederpartij nog andere vorderingen op verzoekers heeft die niet in de vaststellingsovereenkomst zijn opgenomen. De gemachtigde verzoekt de kantonrechter te verduidelijken dat er, met het sluiten van de vaststellingsovereenkomst, geen mogelijkheid meer is om nieuwe vorderingen betreffende de huurovereenkomst in te stellen. Vervolgens heeft de griffier namens de kantonrechter in reactie daarop op 13 februari 2026 een brief aan de gemachtigde en de advocaat van de wederpartij gestuurd. Verzoekers hebben deze brief ontvangen op 19 februari 2026. In deze brief is namens de kantonrechter het volgende geschreven:


“Tijdens de mondelinge behandeling op 2 december 2025 zijn partijen overeengekomen dat zij in gezamenlijk overleg een berekening zouden maken van het door [verzoeker 2] aan [wederpartij] terug te betalen bedrag aan huur. Van wettelijke rente is geen afstand gedaan. Als daarover niets is afgesproken, kan daaruit niet worden afgeleid dat er geen rente is verschuldigd.



Omdat onduidelijk is of partijen het eens zijn geworden over het door [verzoeker 2] aan [wederpartij] terug te betalen bedrag aan huur, zal de zaak worden verwezen naar de civiele rolzitting van donderdag 19 maart 2026 te 11:00 uur, zodat partijen zich daarover kunnen uitlaten. Voor het overige wordt verwezen naar het proces-verbaal van 2 december 2025.”




3.5.
De wrakingskamer is van oordeel dat de kantonrechter zich, door deze brief te (laten) sturen aan partijen, reeds uitlaat over het standpunt van één van de partijen en een oordeel geeft over een onderwerp waarover partijen nog met elkaar in debat zijn en waarover zij zich, gelet op de stand van de procedure, nog moeten uitlaten. Hieruit kan de objectieve schijn van vooringenomenheid van de kantonrechter worden afgeleid.





4De beslissing

De wrakingskamer


4.1.
verklaart verzoekers niet-ontvankelijk in hun verzoek om wraking voor zover dat ziet op de gronden 1 tot en met 5;



4.2.
wijst het verzoek tot wraking voor zover dit is gebaseerd op de gronden 6 en 7 toe;



4.2.
bepaalt dat het geschorste onderzoek ter zitting in de hoofdzaak met ingang van heden opnieuw een aanvang neemt en schorst dit onderzoek totdat het onderzoek door een andere kantonrechter zal zijn hervat;



4.3.
beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 39, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt toegezonden aan:


de verzoekers, p/a mr. A.N.A. Buyserd;


de kantonrechter;


de wederpartij in de hoofdzaak, p/a [naam] .



Deze beslissing is gegeven door mrs. E.E. Schotte, L. Kelkensberg en M.F. Baaij in tegenwoordigheid van de griffier, mr. E.M.C. Mulders, en in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2026.






de griffier de voorzitter



Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
Link naar deze uitspraak