Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBROT:2026:3534 
 
Datum uitspraak:26-02-2026
Datum gepubliceerd:31-03-2026
Instantie:Rechtbank Rotterdam
Zaaknummers:FT RK 25/2150
Rechtsgebied:Insolventierecht
Indicatie:Toelating tot de WSNP. Eerdere ingangsdatum van meer dan 18 maanden.
Trefwoorden:aow
uitkering
Wetreferenties:Faillissementswet 284
 
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

insolventienummer: [nummer]


vonnis van: 26 februari 2026

op het verzoek van:



[verzoekster]
,
wonende te [adres] ,

[postcode] [woonplaats] .



Waar deze zaak over gaat

Mevrouw [verzoekster] bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Om tot een oplossing voor haar schulden te komen heeft mevrouw [verzoekster] een verzoek gedaan te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp). Dit verzoek wordt toegewezen.

De rechtbank ziet aanleiding om een eerdere ingangsdatum te bepalen.

De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.





1De procedure

1.1.
Mevrouw [verzoekster] heeft een verzoek ingediend om te worden toegelaten tot de Wsnp.



1.2.
Het verzoek is behandeld op de zitting van 12 februari 2026. Op de zitting zijn verschenen:
- mevrouw [verzoekster] ,
- mevrouw [persoon A] , schuldhulpverlener van Geldplein Rotterdam.



1.3.
De rechtbank heeft na de zitting nog aanvullende stukken van mevrouw [verzoekster] ontvangen.





2De beoordeling


De toelating



2.1.
Mevrouw [verzoekster] kan worden toegelaten tot de Wsnp als zij zich in een problematische schuldensituatie bevindt en zij te goeder trouw was bij het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden. De rechtbank kijkt daarbij vooral naar de afgelopen drie jaar. Ook moet de verwachting bestaan dat mevrouw [verzoekster] aan de verplichtingen van de Wsnp zal voldoen.



2.2.
Mevrouw [verzoekster] voldoet aan alle eisen en wordt toegelaten tot de Wsnp.


De verplichtingen




2.3.
De verplichtingen waaraan de mevrouw [verzoekster] tijdens de WSNP moet voldoen zijn: de informatieverplichting, de inspanningsverplichting, de verplichting geen nieuwe schulden te laten ontstaan, de verplichting om schuldeisers niet te benadelen en de afdrachtverplichting. Er wordt een bewindvoerder benoemd. Deze bewindvoerder controleert of de verplichtingen worden nagekomen. Er wordt ook een rechter-commissaris benoemd. De taak van de rechter-commissaris is om toezicht te houden op de bewindvoerder.



2.4.
Als mevrouw [verzoekster] zich tijdens het WSNP-traject houdt aan alle verplichtingen die de WSNP met zich brengt, eindigt het traject met de zogenoemde “schone lei”. Dit betekent dat schuldeisers hun vorderingen ten aanzien waarvan de WSNP werkt niet meer op mevrouw [verzoekster] kunnen verhalen. De “schone lei” geldt vanaf het moment dat de bewindvoerder klaar is met zijn afwikkelingstaak. Dat is als de slotuitdelingslijst verbindend is geworden (het formele einde).
De bewindvoerder bekijkt ook of de verplichtingen uit het minnelijk traject zijn nagekomen. Voor zover het gaat om de verplichting tot afdracht van inkomen boven het vtlb en de inspanningsverplichting, die bij de toelatingszitting al zijn beoordeeld, verzoekt de rechtbank de bewindvoerder om uiterlijk bij het eindverslag ook verslag uit te brengen over de vraag of van materiële onjuistheden is gebleken (vergelijk r.o. 3.6.4. van het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1913). Dit kan eventueel aanleiding geven tot verlenging van de looptijd van de schuldsaneringsregeling.


Postblokkade




2.5.
De eerste dertien maanden van het traject geldt in beginsel een postblokkade. Dat betekent dat in die periode alle post naar de bewindvoerder gaat. De bewindvoerder stuurt de post na controle door aan mevrouw [verzoekster] .


Bevoegdheid




2.6.
De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van mevrouw [verzoekster] in Nederland ligt.

Duur




2.7.
De rechtbank stelt de termijn van de Wsnp-regeling ex artikel 349 Fw (hierna: materiële looptijd) vast op 18 maanden.


De ingangsdatum




2.8.
De Faillissementswet (hierna: Fw) bepaalt dat de looptijd in beginsel ingaat op de dag van dit vonnis, tenzij er aanleiding is de looptijd eerder te laten ingaan.



2.9.
Een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald als vanaf die eerdere datum de verplichtingen die volgen uit het voorafgaande schuldhulpverleningstraject zijn nagekomen. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de schuldenaar tijdens het minnelijke voortraject maximaal, op basis van de normen die gelden voor berekening van het vrij te laten bedrag (het vtlb), moet aflossen op zijn schulden en dat hij zich moet inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. Die inspanningsplicht houdt in beginsel in dat er bij arbeidsgeschiktheid fulltime gewerkt moet worden of er moet aantoonbaar worden gesolliciteerd naar een fulltime baan.



2.10.
De rechtbank stelt allereerst vast dat mevrouw [verzoekster] gedurende het voorafgaande schuldhulpverleningstraject de AOW gerechtigde leeftijd had en een AOW-uitkering ontving. Er is in het minnelijk traject geen akkoord bereikt met de schuldeiser. Op basis van de overgelegde vtlb-berekeningen was er een afloscapaciteit van € 121,53 per maand. Er is door mevrouw [verzoekster] niet gespaard, omdat door de schuldeiser beslag is gelegd op haar AOW-uitkering. Het bedrag van het beslag ligt ruim boven de berekende afloscapaciteit. In totaal is er via het beslag, berekend vanaf 1 juli 2024, een bedrag ingehouden van
€ 10.571,93. Mevrouw [verzoekster] heeft daarmee dus ruim voldaan aan haar afdrachtverplichting.



2.11.
De rechtbank stelt bovendien vast dat in de periode van het schuldhulpverleningstraject ook aan de inspanningsverplichting is voldaan. Mevrouw [verzoekster] heeft een ontheffing van de sollicitatieverplichting omdat mevrouw [verzoekster] de AOW-leeftijd heeft bereikt.



2.12.
De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald. De ingangsdatum zou – gelet op het onderhavige verzoek – in beginsel kunnen worden vastgesteld op 1 juli 2024, zijnde de dag waarop de eerste aflossing in de zin van art. 349a lid 1 Fw is gedaan. De schuldsaneringsregeling duurt volgens artikel 349a Fw echter – in beginsel – achttien maanden. Het voorgaande betekent dat de schuldsaneringsregeling niet eerder dan achttien maanden voor datum vonnis kan ingaan. Verder dient de boedel gefixeerd te worden zodat de looptijd niet eerder kan eindigen dan de dag na die waarop dit vonnis wordt gewezen. De rechtbank zal daarom de ingangsdatum vaststellen op 27 augustus 2024. Dat is achttien maanden voor deze fixeringsdatum.



2.13.
De looptijd van de regeling van mevrouw [verzoekster] is achttien maanden eerder ingegaan voor de fixeringsdatum. De looptijd van de regeling verstrijkt op 27 februari 2026. Verder geldt dat de bewindvoerder nu pas kan starten met zijn taken. Hierdoor is het van belang dat mevrouw [verzoekster] ook na de fixeringsdatum verplicht blijft om mee te werken aan de afwikkeling. Zij is ook verplicht om daarvoor informatie aan de bewindvoerder aan te leveren. Tot de boedel behorende goederen moeten worden afgedragen. Na de materiële looptijd geldt er geen inspanningsverplichting (art. 288 Fw) en ook geen verplichting om inkomsten boven het vtlb af te dragen (art. 295 Fw).






3De beslissing

De rechtbank:

- spreekt de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:



[verzoekster]
,
geboren op [geboortedatum] -1951 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
wonende te [adres] , [postcode] [woonplaats] ;
- benoemt tot rechter-commissaris mr. M.C. Franken
en tot bewindvoerder R. Springer,
gevestigd te Postbus 2888,
2601 CW Delft;



stelt de ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling vast op 27 augustus 2024 en de einddatum op 27 februari 2026;


bepaalt dat er na de einddatum van de looptijd een medewerkingsplicht en een informatieplicht geldt tot het verbindend worden van de slotuitdelingslijst;



- stelt de datum van de verificatievergadering vast op 31 maart 2026;
- draagt de bewindvoerder op om – in afwijking van artikel 351a Fw – uiterlijk binnen vijf maanden na de datum van dit vonnis eindverslag uit te brengen;

- bepaalt dat de bewindvoerder een voorschot op de vergoeding mag nemen volgens het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering. Dit kan alleen voor zover de boedel toereikend is.


Dit is de beslissing van mr. W.Y. Hu, rechter, in samenwerking met
mr. S. Verberne-van Ree, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op
26 februari 2026.


De griffier is buiten staat dit
vonnis mede te ondertekenen.










Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.
Link naar deze uitspraak