Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBROT:2026:54 
 
Datum uitspraak:07-01-2026
Datum gepubliceerd:31-03-2026
Instantie:Rechtbank Rotterdam
Zaaknummers:ROT 25/999
Rechtsgebied:Socialezekerheidsrecht
Indicatie:Afwijzing aanvraag Wajong-uitkering. Na toepassing van een informele lus heeft een spreekuurcontact met een geregistreerd verzekeringsarts plaatsgevonden en is door het UWV voldoende onderbouwd dat het ontbreken van arbeidsvermogen niet duurzaam is. Beroep gegrond. De rechtsgevolgen blijven in stand.
Trefwoorden:ingezetene
minimumloon
uitkering
 
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 25/999

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 januari 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit Ridderkerk, eiseres
(gemachtigde: mr. J.W.M. Kromme),

en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: [naam]).




Procesverloop


1.1.
Eiseres heeft op 9 maart 2023 een ‘Aanvraag beoordeling arbeidsvermogen’ ingediend voor het verkrijgen van een Wajong-uitkering.



1.2.
Met het besluit van 8 mei 2023 (het primaire besluit) heeft het UWV de aanvraag afgewezen. Hiertegen heeft eiseres bezwaar gemaakt.



1.3.
Met het besluit van 20 december 2024 (het bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en is daarmee bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.



1.4.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



1.5.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



1.6.
Eiseres heeft nadere beroepsgronden ingediend.



1.7.
De rechtbank heeft het beroep op 26 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de vader van eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het UWV. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst, om het UWV de gelegenheid te geven een lichamelijk onderzoek door een verzekeringsarts bezwaar en beroep te laten plaatsvinden.



1.8.
Met de begeleidende brief van 7 oktober 2025 heeft het UWV een aanvullende rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij de rechtbank ingediend.



1.9.
Eiseres heeft op 28 oktober 2025 gereageerd op de aanvullende rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.



1.10.
Geen van de partijen heeft op grond van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) verzocht om op een nadere zitting te worden gehoord.



1.11.
Met toepassing van artikel 8:57, eerste en derde lid, van de Awb heeft de rechtbank het onderzoek op 11 december 2025 gesloten.





Totstandkoming van het besluit


2.1.
Eiseres, geboren op [geboortedatum] 2000, heeft op 9 maart 2023 een ‘Aanvraag beoordeling arbeidsvermogen’ ingediend voor het verkrijgen van een Wajong-uitkering.



2.2.
In het kader van deze aanvraag heeft een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidsdeskundig onderzoek plaatsgevonden. De primaire verzekeringsarts heeft in de rapportage van 3 mei 2023 geconcludeerd dat eiseres op haar achttiende verjaardag beperkingen had als gevolg van ziekte of gebrek en dat eiseres ten tijde van de aanvraag geen arbeidsvermogen had. Daarbij heeft de primaire verzekeringsarts vermeld dat de afwezigheid van arbeidsvermogen bij eiseres niet duurzaam is, omdat er nog mogelijkheden zijn om de vaardigheden van eiseres te vergroten door middel van begeleiding en psycho-educatie gericht op de belangrijkste onderliggende aandoeningen.
De primair arbeidsdeskundige heeft geconcludeerd dat eiseres geen arbeidsvermogen heeft, maar dat zij dit nog wel kan ontwikkelen. De primaire arbeidsdeskundige overweegt dat eiseres, gezien haar beperkingen ten aanzien van het omgaan met onbekenden, niet beschikt over basale werknemersvaardigheden en daardoor niet in staat wordt geacht om taken uit te voeren in een arbeidsorganisatie. Vervolgens heeft het UWV met het primaire besluit geweigerd om aan eiseres een Wajong-uitkering toe te kennen, omdat de verwachting is dat eiseres in de toekomst mogelijk nog arbeidsvermogen kan ontwikkelen.



2.3.
In het kader van de heroverweging in bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de rapportage van 10 december 2024 geconcludeerd dat geen aanleiding bestaat om af te wijken van de conclusie van de primaire verzekeringsarts.
De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in de rapportage van 19 december 2024 geconcludeerd dat ook geen aanleiding bestaat om anders te concluderen dan de primair arbeidsdeskundige. Vervolgens is het UWV met het bestreden besluit bij de afwijzing van de aanvraag gebleven en is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.





Standpunt eiseres

3. Eiseres voert in beroep aan dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onzorgvuldig is uitgevoerd, omdat er geen lichamelijk onderzoek heeft plaatsgevonden met een geregistreerd verzekeringsarts. Eiseres voert aan dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep haar mentale beperkingen heeft onderschat. Ook heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep haar lichamelijke aandoeningen onvoldoende meegewogen in zijn oordeel, terwijl de beperkingen die hieruit voortvloeien van belang zijn om te kunnen bepalen hoe vaak en hoeveel eiseres belast kan worden. In samenhang bezien is dit relevant om te beoordelen of eiseres minstens vier uur per dag belastbaar is of minstens twee uur per dag belastbaar is waarmee zij minstens het minimumloon zou kunnen verdienen en minstens één uur aaneengesloten kan werken. Daarnaast stelt eiseres dat het UWV onvoldoende concreet heeft aangegeven op welke wijze zij haar arbeidsvermogen kan ontwikkelen. Eiseres stelt dat zij kampt met structurele beperkingen, dat haar arbeidsvermogen nihil is en dit niet zal verbeteren door middel van begeleiding en psycho-educatie, zoals door het UWV is gesteld. Eiseres verzoekt in dat kader om een deskundigenonderzoek, zodat een deskundige advies kan uitbrengen of de afwezigheid van arbeidsvermogen al dan niet duurzaam is.




Toetsingskader

4. De wet- en regelgeving die van belang is voor deze zaak, staat in de bijlage bij deze uitspraak.




Beoordeling door de rechtbank

5. Tussen partijen is in geschil of het ontbreken van arbeidsvermogen op 30 maart 2018 (de datum in geding) duurzaam is of niet.

6. Op grond van vaste rechtspraak van de Raad gaat het bij de vraag naar de duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsvermogen om de toekomstige mogelijkheden tot arbeidsparticipatie. De verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige moeten in dat geval een inschatting maken over hoe de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich bij de betrokkene kunnen ontwikkelen. Dit brengt voor een zorgvuldige besluitvorming mee dat de inschatting van de verzekeringsarts en/of de arbeidsdeskundige van de ontwikkeling van de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie moet berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de betrokkene aan de orde zijn, voor zover die feiten en omstandigheden betrekking hebben op de situatie van de betrokkene op de datum in geding. In het geval de inschatting van de mogelijkheden tot ontwikkeling berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de betrokkene. Als de betrokkene bezwaar maakt tegen het oordeel dat geen sprake is van duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen, zullen de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, rekening houdend met alle medische en arbeidskundige gegevens die in de bezwaarfase voorhanden zijn, voor zover deze betrekking hebben op de datum in geding, beoordelen of de inschatting van het niet duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen gehandhaafd moet blijven.


7.1.
De rechtbank heeft op de zitting van 26 augustus 2025 geconstateerd dat er geen lichamelijk onderzoek heeft plaatsgevonden door een geregistreerd verzekeringsarts, dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de rapportage van 10 december 2024 niet is ingegaan op de afzonderlijke aspecten zoals genoemd in artikel 1a, eerste lid, aanhef en onder a tot en met d, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (het Schattingsbesluit) en dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet concreet heeft onderbouwd welke specifieke behandelmogelijkheden er voor eiseres mogelijk zijn en tot welke concrete verbeteringen dit in het functioneren van eiseres zou kunnen leiden.



7.2.
De rechtbank heeft vervolgens met toepassing van een informele lus besloten het onderzoek ter zitting te schorsen om het UWV de gelegenheid te geven alsnog een lichamelijk onderzoek te laten verrichten door een verzekeringsarts bezwaar en beroep waarna de verzekeringsarts bezwaar en beroep in een rapportage deugdelijk dient te motiveren waarom de aspecten genoemd in artikel 1a, eerste lid, aanhef en onder a tot en met d, van het Schattingsbesluit al dan niet van toepassing zijn en tevens concreet dient te onderbouwen tot welke verbeteringen dit zou kunnen leiden, zo nodig in samenspraak met een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. Vanwege het zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek ziet de rechtbank aanleiding het beroep gegrond te verklaren en het bestreden besluit te vernietigen. De rechtbank dient nog wel te beoordelen of de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand kunnen blijven.

8. Ter uitvoering van hetgeen de rechtbank heeft verzocht, heeft het UWV een aanvullende rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 23 september 2025 ingediend. Het medisch onderzoek heeft op diezelfde datum plaatsgevonden. Naar aanleiding hiervan heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep (aanvullend) toegelicht dat eiseres, met de door de primaire verzekeringsarts benoemde beperkingen en onder passende omstandigheden en abstraherend van de afwezige basale werknemersvaardigheden, één uur aaneengesloten en vier uur per dag belastbaar zou moeten zijn. De uitleg die hij hierbij geeft is dat bij eiseres geen sprake is van een aandoening die gepaard gaat met dermate ernstige cognitieve stoornissen dat eiseres zich niet één uur achtereenvolgend zou kunnen concentreren of dermate frequent moet worden bijgestuurd dat de continuïteit van een activiteit in het geding komt. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is eiseres zelfstandig in het uitvoeren van dagelijkse routinehandelingen en is bij haar geen sprake van ernstige geheugenstoornissen, ernstig onbedwingbaar gedrag of ernstige problemen bij het richten en vasthouden van aandacht. Hoewel de aanwezige psychopathologie aanleiding geeft om op basis van energetische gronden een beperkte duurbelastbaarheid aan te nemen, is er geen sprake van onderliggende pathologie die een dermate sterk afgenomen energieniveau aannemelijk maakt dat zij niet tenminste vier uur per dag mentaal en fysiek aangepaste taken kan uitvoeren, mocht zij wel basale werknemersvaardigheden hebben of ontwikkelen. Verder heeft hij toegelicht dat de vastgestelde afwezigheid van het arbeidsvermogen met name ligt op het vlak van de basale werknemersvaardigheden en verwijst daarbij naar wat de arbeidsdeskundige heeft aangegeven. Eiseres gaat nauwelijks buitenshuis en vermijdt buitenshuis contact met anderen, waardoor zij beperkt is geacht voor het omgaan met onbekenden. Er konden geen oplossingen worden gevonden voor deze participatiebelemmeringen, waardoor eiseres onvoldoende in staat werd geacht om afspraken met een werkgever na te komen en daardoor is aangenomen dat zij onvoldoende basale werknemersvaardigheden had. De huisarts heeft eiseres per brief van 25 november 2024 naar de specialistische GGZ doorverwezen voor een behandeling voor angst en/of paniek. Dit betreft een vorm van cognitieve gedragstherapie (CGT), waarbij iemand geleidelijk blootgesteld wordt aan situaties of gedachten die angst- en/of paniekklachten kunnen oproepen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft toegelicht dat eiseres niet eerder een dergelijke behandeling heeft ondergaan en dat deze behandeling haar kan leren omgaan met situaties die angst oproepen en helpen om vermijding te doorbreken, zoals het helpen om te vermijden sociale contacten aan te gaan en het naar buiten gaan. Door hieraan te werken zullen er voor eiseres mogelijkheden kunnen bestaan in aangepaste taken waarbij rekening wordt gehouden met de resterende stemmingswisselingen en fysieke beperkingen. Ook wordt nog onderzocht of de behandeling van de angstklachten medicamenteus beter ondersteund kan worden. Daarmee is het volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet uitgesloten dat verbetering kan ontstaan op het gebied dat de oorzaak is van de afwezigheid van arbeidsvermogen.

9. Eiseres heeft op deze aanvullende rapportage gereageerd. Zij stelt dat zij het niet eens is met hetgeen is beschreven in de aanvullende rapportage van 23 september 2025 over de kniepeesreflex, de schouderfunctie en de emotionele stabiliteit. Eiseres blijft bij haar eerder ingenomen standpunt dat de ernst en de gevolgen van haar mentale beperkingen door de verzekeringsarts bezwaar en beroep worden onderschat. Gelet op de combinatie van lichamelijke aandoeningen (chronische sarcoïdose, scoliose en hallux valgus) en psychische problematiek (chronische depressie, autismespectrum-, persoonlijkheidsontwikkelings-, stemmingswisselings- en angststoornis) is volgens eiseres sprake van een duurzaam en structureel beperkte belastbaarheid, waardoor zij niet in staat is om aaneengesloten gedurende één uur te werken en vier uur per dag belastbaar te zijn, ook niet onder optimaal aangepaste omstandigheden. Eiseres voert aan dat haar feitelijke belastbaarheid niet overeenkomt met de theoretische inschatting in het medisch rapport en haar feitelijke belastbaarheid feitelijk arbeidsvermogen uitsluit. Bovendien voert eiseres nog aan dat zij pas net is begonnen met CGT, waardoor er nog geen verbeteringen in copingvaardigheden of sociaal functioneren zijn gerealiseerd. Volgens eiseres leidt een dergelijke therapie ook niet tot het ontwikkelen van basale werknemersvaardigheden. Haar eerdere verzoek om een onafhankelijk deskundige te benoemen blijft gehandhaafd.

10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep met de toelichting in de aanvullende rapportage van 23 september 2025 voldoende onderbouwd dat niet is uitgesloten dat eiseres op de datum in geding arbeidsvermogen kan ontwikkelen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft afdoende toegelicht dat eiseres één uur aaneengesloten en vier uur per dag belastbaar zou moeten zijn, nu er bij eiseres geen sprake is van dermate ernstige cognitieve stoornissen dat eiseres zich niet één uur achtereenvolgend zou kunnen concentreren of dermate frequent moet worden bijgestuurd dat de continuïteit van een activiteit in het geding komt. Ook heeft hij afdoende toegelicht dat geen sprake is van onderliggende pathologie die een dermate sterk afgenomen energieniveau aannemelijk maakt waardoor eiseres niet tenminste vier uur per dag mentaal en fysiek aangepaste taken kan uitvoeren. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn medische beoordeling zowel de lichamelijke aandoeningen als de psychische problematiek van eiseres meegewogen en vanwege de aanwezige psychopathologie een beperkte duurbelastbaarheid aangenomen. Dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de mentale beperkingen heeft onderschat, kan de rechtbank dan ook niet volgen. Daarnaast heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gemotiveerd toegelicht dat de vastgestelde afwezigheid van het arbeidsvermogen met name ligt op het vlak van de basale werknemersvaardigheden en, slechts omdat er geen oplossingen konden worden gevonden voor de participatiebelemmeringen van eiseres, er onvoldoende basale werknemersvaardigheden zijn aangenomen.
Ten aanzien van de mogelijke behandelingen is afdoende toegelicht dat eiseres CGT kan volgen, welke zij nog niet eerder heeft gevolgd, om te leren omgaan met haar angst- en paniekklachten, zodat er mogelijkheden kunnen bestaan in aangepaste taken waarbij ook rekening kan worden gehouden met de resterende stemmingswisselingen en fysieke beperkingen, waardoor niet kan worden uitgesloten dat verbetering kan ontstaan op het gebied dat de oorzaak is van de afwezigheid van arbeidsvermogen. De rechtbank acht daarbij van belang dat het gaat om het gegeven dat er op de datum in geding voor eiseres nog mogelijkheden waren om te onderzoeken of arbeidsvermogen kan worden ontwikkeld en dat daardoor niet kan worden uitgesloten dat daarin verbetering kan ontstaan, nu zij een dergelijke therapie nog niet eerder heeft gevolgd. De stelling van eiseres dat een dergelijke therapie niet tot het ontwikkelen van basale werknemersvaardigheden leidt, is echter niet onderbouwd. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om hiervan uit te gaan.

11. Gelet op het voorgaande wijst de rechtbank het verzoek van eiseres om over te gaan tot het benoemen van een deskundige, zoals bedoeld in artikel 8:47 van de Awb, af. De rechtbank heeft dit verzoek beoordeeld aan de hand van de zogenoemde drietrapsbeoordeling die voortvloeit uit de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 30 juni 2017. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een schending van ‘equality of arms’. Het is daarbij van belang dat eiseres voldoende ruimte heeft gehad tot betwisting van de medische bevindingen van de verzekeringsarts, bijvoorbeeld door zelf medische stukken in te dienen waaruit blijkt dat het ontbreken van arbeidsvermogen duurzaam is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres die ruimte voldoende gehad. Daarnaast geeft hetgeen eiseres heeft aangevoerd onvoldoende aanleiding tot twijfel aan de juistheid van de beoordeling van het UWV, nu niet is gebleken van tegenstrijdigheid in de besluitvorming. Er bestaat daarom geen aanleiding om een deskundige te benoemen.





Conclusie en gevolgen


12.1.
Zoals onder 7.2. is overwogen, dient het bestreden besluit vanwege strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb te worden vernietigd. Nu het UWV de gebreken heeft hersteld door alsnog een spreekuurcontact met een geregistreerd verzekeringsarts te laten plaatsvinden en daaropvolgend door de verzekeringsarts bezwaar en beroep een aanvullende motivering is gegeven, zal de rechtbank de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb in stand laten.



12.2.
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het UWV aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden.



12.3.
De rechtbank veroordeelt het UWV in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934,- bij een wegingsfactor 1).








Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
- draagt het UWV op het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-.


Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Haan, rechter, in aanwezigheid van mr. S. de Bloois, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 7 januari 2026.



De rechter is verhinderd


de uitspraak te ondertekenen.











griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.












Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Op grond van artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong is jonggehandicapte in de zin van hoofdstuk 1a en de daarop berustende bepalingen de ingezetene die:


op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft;


na de in onderdeel a bedoelde dag als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en in het jaar, onmiddellijk voorafgaand aan de dag waarop dit is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden studerende was.



Op grond van artikel 1a:1, vierde lid, van de Wajong wordt onder duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben de situatie verstaan waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen.

In artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten is bepaald dat de betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft als bedoeld in (onder meer) artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong, indien hij:


geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie;


niet over basale werknemersvaardigheden beschikt;


niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur; of


niet ten minste vier uur per dag belastbaar is, tenzij hij ten minste twee uur per dag belastbaar is en in staat is per uur ten minste een bedrag te verdienen dat gelijk is aan het minimumloon per uur.



Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat een taak als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, de kleinste eenheid van een functie is en bestaat uit één of meerdere handelingen.




Zie onder meer de uitspraak van 5 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1018.


ECLI:NL:CRVB:2017:2226.
Link naar deze uitspraak