|
|
|
| ECLI:NL:RBGEL:2026:2324 | | | | | Datum uitspraak | : | 25-03-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 31-03-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Gelderland | | Zaaknummers | : | AWB – 24 _ 4718 | | Rechtsgebied | : | Socialezekerheidsrecht | | Indicatie | : | Herziening recht op bijstand. Beroep ongegrond. Het college heeft terecht een schending van de inlichtingenplicht aangenomen en op grond daarvan eisers recht op bijstand over 2023 herzien en de teveel ontvangen bijstand over die periode heeft teruggevorderd. De zesmaandenjurisprudentie heeft geen betekenis, omdat het college, wegens schending van de inlichtingenplicht, gehouden is terug te vorderen. | | Trefwoorden | : | bijstandsuitkering | | | uitkering | | | | Uitspraak | RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Zutphen
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/4718
uitspraak van de enkelvoudige kamer van
in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. H.H. Jansen),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Voorst, het college
(gemachtigde: C. van Oosten).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de herziening van eisers recht op bijstand op grond van de Participatiewet (Pw) van 1 januari 2023 tot en met 31 december 2023 en de terugvordering van te veel ontvangen bijstand over dezelfde periode tot een bedrag van € 1.813,88. Eiser is het niet eens met de herziening en de terugvordering. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college terecht een schending van de inlichtingenplicht heeft aangenomen en op grond daarvan eisers recht op bijstand over 2023 heeft herzien en de teveel ontvangen bijstand over die periode heeft teruggevorderd. Eiser krijgt daarom geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Bij het besluit van 1 februari 2024 is eisers recht op bijstand herzien en de te veel ontvangen bijstand teruggevorderd. Met het bestreden besluit van 14 juni 2024 op het bezwaar van eiser is het college bij dat besluit gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 23 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de rechtbank
De feiten
3. Eiser ontvangt een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Omdat de hoogte van zijn WIA-uitkering minder is dan het sociaal minimum, is aan eiser per 29 mei 2019 bijstand toegekend, naar de norm voor een alleenstaande. Met de bijstand wordt het inkomen van eiser aangevuld tot het sociaal minimum. Eiser heeft een bewindvoerder die zijn financiële belangen behartigt.
3.1.
De bewindvoerder van eiser heeft met de brief van 23 september 2022 aan het college het verzoek gedaan om bijzondere bijstand te verlenen voor de kosten van de aanslagen inkomensbelasting/premie volksverzekeringen 2020 en 2021. Er is namelijk in die jaren te weinig loonheffing op de WIA-uitkering ingehouden. Daardoor is bij de berekening van de algemene bijstand rekening gehouden met een te hoog inkomen van eiser. De algemene bijstand had daarom hoger moeten zijn. De bewindvoerder heeft bij de aanvraag als bijlage de jaaropgaves van het UWV van de jaren 2020 en 2021 overgelegd. Met het besluit van 22 december 2022 is aan eiser een eenmalige algemene bijstandsuitkering toegekend ter hoogte van de kosten van de belastingaanslagen.
3.2.
Met de brief van 8 augustus 2023 heeft de bewindvoerder verzocht om de kosten van de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2022 te vergoeden. De bewindvoerder heeft bij die aanvraag de jaaropgave van het UWV van 2022 overgelegd. Met het besluit van 20 september 2023 is aan eiser bijzondere bijstand toegekend voor de genoemde kosten.
3.3.
Eiser heeft per brief van 13 november 2023 verzocht om toekenning van de individuele inkomenstoeslag. De aanvraag om de individuele inkomenstoeslag is initieel afgewezen. Blijkens de rapportage ‘heronderzoek Individuele inkomenstoeslag’ heeft het college op 5 december 2023 geconstateerd dat al jaren hetzelfde bedrag aan WIA-uitkering wordt gekort op de bijstand, namelijk € 908,96. De WIA-uitkering van eiser is daarentegen steeds verhoogd met de halfjaarlijkse indexering. Het college heeft dus met een te lage WIA-uitkering rekening gehouden en eiser heeft daarom te veel bijstand ontvangen.
Totstandkoming van het (bestreden) besluit
4. Bij het besluit van 1 februari 2024 is eisers recht op bijstand van 1 januari 2023 tot en met 31 december 2023 herzien door alsnog de indexering van de WIA-uitkering te verrekenen, op basis van artikel 54, derde lid, van de Pw. De teveel ontvangen bijstand over dezelfde periode wordt teruggevorderd, tot een bedrag van € 1.813,88, op grond van artikel 58, tweede lid, onder a, van de Pw. Eisers bijstand wordt sinds de aanvraag gekort met zijn WIA-uitkering. De WIA-uitkering wordt elke 1 januari en 1 juli geïndexeerd. In die gevallen stuurt het college meestal een inkomstenformulier aan bijstandsgerechtigden om wijzigingen te kunnen doorgeven. Dat is in eisers geval niet gebeurd. Hierdoor is er vanaf januari 2020 steeds hetzelfde bedrag aan WIA-uitkering gekort en heeft hij vanaf juli 2020 te veel bijstand ontvangen. Het college zal (slechts) de teveel betaalde bijstand over 2023 terugvorderen, omdat het verzuimd heeft om de inkomstenformulieren aan eiser toe te sturen. Daarentegen is eiser zelf ook in gebreke gebleven door de wijzigingen in zijn WIA-uitkering niet uit eigen beweging aan het college door te geven. Hiertoe was eiser wel gehouden op grond van de inlichtingenplicht, neergelegd in artikel 17, eerste lid, van de Pw. Er zijn geen dringende redenen gebleken om geheel of voor een deel af te zien van herziening of terugvordering.
4.1.
Met het bestreden besluit van 14 juni 2024 is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft de inlichtingenplicht geschonden. Een WIA-uitkering wordt twee keer per jaar geïndexeerd. Dit is een omstandigheid die van invloed kan zijn op het recht op bijstand. Eiser was op basis van de inlichtingenplicht gehouden uit eigen beweging de indexering van zijn WIA-uitkering door te geven.
Uit de door jaaropgaven van het UWV, die de bewindvoerder in het kader van de aanvragen om bijzondere bijstand heeft overgelegd, kan niet worden afgeleid wat eisers inkomen is. Daarnaast zijn de jaaropgaven pas na afloop van het kalenderjaar overgelegd en daarom te laat.
Het toesturen van inkomstenformulieren door het college moet worden gezien als service. Het nalaten van het college om die formulieren naar eiser te sturen, ontslaat laatstgenoemde niet van zijn inlichtingplicht. Het college had niet op een andere manier aan de inkomensgegevens kunnen komen. Dat het college laat achter de onverschuldigde betaling is gekomen, is te wijten aan het nalaten van eiser om de indexering van zijn WIA-uitkering door te geven.
Op grond van het schenden van de inlichtingenplicht had de bijstand vanaf juli 2020 herzien moeten worden. Ook had er teruggevorderd moeten worden vanaf dat moment. Er is daarin geen ruimte om te matigen. In het primaire besluit staat dat er geen dringende redenen bekend zijn, waardoor er geheel of gedeeltelijk wordt afgezien van herziening en terugvordering. Toch is dat wel gebeurd, uit coulance. Het college heeft zich te houden aan het verbod van reformatio in peius. Om die reden blijft de herziening en de terugvordering beperkt tot 2023. Niet omdat de beslissing in het primaire besluit juist was, maar omdat het college bij heroverweging in de bezwaarfase, eiser niet in een nadeligere positie mag brengen.
Heeft het college de bijstand kunnen terugvorderen?
5. Eiser heeft – kort gezegd – aangevoerd dat hij de inlichtingenplicht niet heeft geschonden. Voorts staat de zesmaandenjurisprudentie in de weg aan terugvordering (naar de norm van januari 2020).
5.1.
Het college heeft – kort gezegd – aangevoerd dat eiser (wel) de inlichtingenplicht heeft geschonden en dat de zesmaandenjurisprudentie in het geval van eiser niet in de weg staat aan terugvordering.
Schending inlichtingenplicht?
6. De rechtbank begrijpt dat het college aan de terugvordering bij het besluit van 1 februari 2024 niet de schending van de inlichtingenplicht ten grondslag heeft gelegd. Om die reden heeft het college zich beperkt tot terugvordering van te veel ontvangen bijstand over het jaar 2023. Uit het bestreden besluit van 14 juni 2024 begrijpt de rechtbank dat het college het standpunt heeft gewijzigd, in die zin dat het college nu aan de terugvordering de schending van de inlichtingenplicht ten grondslag legt. Daarom was het college, op grond van artikel 54, derde lid, en artikel 58, eerste lid, van de Pw gehouden om de bijstand te herzien en terug te vorderen vanaf juli 2020. Maar het college heeft de herziening en terugvordering beperkt tot 2023, wegens het verbod op reformatio in peius. De herziening en terugvordering over 2023 wordt dus gehandhaafd, maar de motivering is gewijzigd.
6.1.
De rechtbank volgt het college in het standpunt dat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden. Eiser was op grond van artikel 17, eerste lid, van de Pw gehouden om onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van de indexering van zijn WIA-uitkering.
Eiser heeft gesteld dat het college bekend was met de indexatie en dat het heeft nagelaten die gegevens, middels inkomstenformulieren, bij hem of zijn bewindvoerder op te vragen. Dat het college (mogelijk) bekend was met de indexatie van de WIA-uitkering, ontslaat eiser naar het oordeel van de rechtbank niet van de verplichting om zelf inkomenswijzigingen door te geven.
Verder heeft eiser aangevoerd dat hij de inlichtingenplicht niet heeft geschonden, omdat zijn bewindvoerder de jaaropgaves van het UWV heeft overgelegd, waaruit de hoogte van de ontvangen WIA-uitkering kon worden afgeleid. De rechtbank volgt eiser daarin niet. Dat het college uit de jaaropgaves kon afleiden dat eisers WIA-uitkering halfjaarlijks werd geïndexeerd, ontslaat hem niet van de verplichting hiervan uit eigen beweging melding te maken. Daarnaast stuurde eiser de jaaropgaves na afloop van het betreffende jaar, in het kader van een aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van de aanslagen inkomensbelasting/premie volksverzekeringen, in plaats van binnen zeven dagen na de uitkeringsspecificaties van het UWV van januari en juli, in het kader van het doorgeven van inkomenswijzigingen. Bovendien heeft eiser geen jaaropgave overgelegd van het jaar 2023, terwijl het college (slechts) over die periode de bijstand heeft herzien en de teveel ontvangen bijstand heeft teruggevorderd. De beroepsgrond slaagt niet.
Staat de zesmaandenjurisprudentie in de weg aan terugvordering?
7. Voor zover eiser heeft aangevoerd dat de zesmaandenjurisprudentie in de weg staat aan terugvordering, volgt de rechtbank eiser daarin niet. De rechtbank heeft in 6.1 reeds overwogen dat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden. In dat geval heeft de zesmaandenjurisprudentie geen betekenis, omdat het college gehouden is terug te vorderen.
Eisers beroepsgrond, dat in het licht van de zesmaandenjurisprudentie, de bevoegdheid van het college om terug te vorderen is beperkt tot het verschil tussen het geïndexeerde uitkeringsbedrag in 2023 en de norm van de hoogte van de WIA-uitkering per juli 2022 in plaats van de norm van januari in 2020, kan om dezelfde reden niet slagen. De beroepsgronden slagen niet.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen gelijk. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Ook bestaat er geen aanleiding voor een veroordeling van het college in de proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Post, rechter, in aanwezigheid van
mr. C.G.A.J. van der Wielen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 25 juni 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1330.
Zie in gelijke zin de uitspraak van de CRvB van 11 juni 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2037.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 1 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2985.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 21 juli 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1822. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|