Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:GHAMS:2026:923 
 
Datum uitspraak:23-03-2026
Datum gepubliceerd:03-04-2026
Instantie:Gerechtshof Amsterdam
Zaaknummers:200.364.289
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Beslissing van de wrakingskamer. Wrakingsverzoek afgewezen.
Trefwoorden:vennootschapsbelasting
 
Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM


zaaknummers: 200.364.289/01 [verzoeker 1]
200.364.291/01 [verzoeker 2] .
200.364.293/01 [verzoeker 3]
200.364.294/01 [verzoeker 4]
zaaknummers hoofdzaak : 25/682 tot en met 25/689 [verzoeker 1]
25/690 tot en met 25/697 MMZ [bedrijf]
25/703 tot en met 25/705 en 25/715 tot en met 25/717 [verzoeker 3]
25/706, 25/707, 25/718 en 25/719 [verzoeker 4]


Beslissing van de wrakingskamer van 23 maart 2026


op de wrakingsverzoeken ingediend door



[verzoeker 1] ,



[verzoeker 2] .,



[verzoeker 3] en


[verzoeker 4]

hierna: verzoeksters,
bijgestaan door gemachtigden drs. H.C. Reinoud en mr. M.L. Veldhuijzen.





1De procedure


1.1.
De hoofdzaken betreffen de hoger beroepen van verzoeksters en de inspecteur van de Belastingdienst tegen een viertal uitspraken van de rechtbank Noord-Holland van 24 december 2024 inzake aan verzoeksters opgelegde naheffingsaanslagen dividendbelasting en vergrijpboeten. In de uitspraken zijn onder meer de beroepen van verzoeksters gedeeltelijk gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd, de naheffingsaanslagen verminderd, en de boeten vernietigd.



1.2.
Eerder, in 2024, heeft de belastingkamer van dit hof deels in dezelfde samenstelling uitspraak gedaan inzake aan verzoeksters opgelegde aanslagen vennootschapsbelasting (verder: de Vpb-procedures). Deze zaken liggen thans voor bij de Hoge Raad.



1.3.
Het hof heeft op 13 oktober 2025 aan verzoeksters bericht dat de hoofdzaken op 28 januari 2026 ter zitting behandeld zullen worden.



1.4.
Verzoeksters hebben vervolgens op 21 oktober 2025 om uitstel van de behandeling verzocht.



1.5.
De schriftelijke reactie van het hof van 29 oktober 2025 op het uitstelverzoek houdt in dat, na telefonisch overleg tussen de griffier en de gemachtigde van verzoeksters op 28 oktober 2025, ook wat verzoeksters betreft de mondelinge behandeling kan plaatsvinden op 28 januari 2026.



1.6.
Voorafgaand aan de zitting zijn namens ieder van de verzoeksters op vrijdagavond 16 januari 2026 om 19.33 uur nadere stukken bij het hof ingediend. Deze nadere stukken bevatten bijlagen, waaronder een per verzoekster opgesteld Transfer Pricing rapport met benchmark analyse (verder: de nadere stukken).



1.7.
Het hof heeft partijen op 21 januari 2026 verzocht om aan te geven welke rapporten en adviezen nog niet waren ingebracht in de Vpb-procedures. De inspecteur heeft daar op 23 januari 2026 op gereageerd.



1.8.
Op 27 januari 2026 heeft de inspecteur gereageerd op de nadere stukken van verzoeksters.



1.9.
Op 28 januari 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden bij de derde meervoudige belastingkamer, met als zittingscombinatie mrs. R.C.H.M. Lips, voorzitter, M.J. Leijdekker en N. Djebali (verder: de raadsheren). Op de zitting is onder meer het tijdstip van het indienen van de nadere stukken met verzoeksters besproken en heeft de inspecteur desgevraagd bevestigd dat hij niet goed op de nadere stukken kan reageren vanwege de toezending op 16 januari 2026. Het hof heeft de nadere stukken tardief verklaard.



1.10.
Mr. Veldhuijzen heeft vervolgens namens verzoeksters een wrakingsverzoek ingediend tegen de behandelende raadsheren.



1.11.
Bij brief van 29 januari 2026 hebben verzoeksters de wrakingsgronden nader toegelicht. Die brief is aangehecht aan deze uitspraak.



1.12.
De raadsheren hebben de wrakingkamer laten weten dat zij niet berusten in het wrakingsverzoek en zij hebben, gezamenlijk, een schriftelijke reactie gegeven op het verzoek tot wraking.



1.13.
Het wrakingsverzoek is op 9 maart 2026 door de wrakingskamer behandeld. Op de zitting waren mrs. M.L. Veldhuijzen en G.I. Pott-Hofstede namens verzoeksters aanwezig. Mr. Veldhuijzen heeft het woord gevoerd aan de hand van door hem overgelegde spreekaantekeningen. De raadsheren hebben laten weten niet te zullen verschijnen en zijn ook niet verschenen. Namens de wederpartij in de hoofdzaken waren M. Kreder en mr. B.J.E. Lodder als toehoorders aanwezig.






2Het wrakingsverzoek en de standpunten daarover


2.1.
De gronden van het wrakingsverzoek blijken uit het op 28 januari 2026 ter zitting ingediende handgeschreven schriftelijke stuk. Dit stuk luidt als volgt: ‘Tot onze spijt verzoeken wij wraking van dit college. De processuele beslissing een tijdig ingediend ter zake relevant stuk niet in te dienen, terwijl wederpartij in een aanverwante zaak wel stukken mocht indienen zeer kort voor zitting noopt daartoe. De uitspraak van het hof in die zaak (grotendeels zelfde kamer) wordt door dit stuk in ander daglicht geplaatst. Door het stuk niet toe te laten wekt het college de onvermijdelijke indruk van vooringenomenheid. Wij lichten graag nader toe.’ Bij brief van 29 januari 2026 hebben verzoeksters daarop een toelichting gegeven.



2.2.
De raadsheren hebben in hun schriftelijke reactie meegedeeld dat zij niet in het verzoek tot wraking berusten. In de kern hebben zij daartoe het volgende aangevoerd. De tardiefverklaring betreft een processuele beslissing. Wraking is niet bedoeld als (verkapt) rechtsmiddel tegen (de motivering van) dergelijke beslissingen. Een procesbeslissing kan slechts leiden tot toewijzing van een wrakingsverzoek als (de motivering van) die beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen – niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die deze beslissing heeft genomen. Dergelijke omstandigheden doen zich niet voor.





3De beoordeling


Juridisch kader



3.1.
Artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) houdt in dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Deze bepaling is ook van toepassing op de raadsheren die het hoger beroep behandelen.



3.2.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als hij tegenover een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Uitgangspunt is dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van uitzonderlijke omstandigheden. Het moet dan gaan om omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van partijdigheid of van de objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid.



3.3.
Daarnaast geldt dat het niet aan de wrakingskamer is om beslissingen van de raadsheren inhoudelijk te toetsen. Wraking kan immers niet fungeren als rechtsmiddel tegen nadelige of zelfs onjuiste beslissingen. Dit geldt eveneens voor processuele beslissingen. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat een rechterlijke (tussen)beslissing geen grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. De wrakingskamer beoordeelt dus niet de juistheid van de (motivering van de) (tussen)beslissing. Daarover kan alleen in cassatie bij de Hoge Raad worden geklaagd. Ook als de wrakingskamer de motivering onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier vindt of als de motivering ontbreekt, is dat geen grond voor wraking. Alleen als uit de motivering van een beslissing in het licht van alle omstandigheden en objectief gezien blijkt dat de raadsheren die haar hebben gegeven vooringenomen zijn, is dat een grond voor wraking. Dat kan bijvoorbeeld blijken uit de in de motivering gebruikte bewoordingen.


Beoordeling in deze zaak




3.4.
Verzoeksters vinden de raadsheren vooringenomen, omdat de raadsheren door verzoeksters tijdig voor de zitting ingediende nadere stukken tardief hebben verklaard, terwijl de inspecteur in de Vpb-procedures wel stukken mocht indienen kort voor zitting. Die zaak werd behandeld door twee van de drie raadsheren waarvan nu de wraking is verzocht.



3.5.
De wrakingskamer is – anders dan de raadsheren – van oordeel dat de brief van verzoeksters van 29 januari 2026 geen nieuwe wrakingsgronden bevat, maar slechts een toelichting op de ter zitting geformuleerde wrakingsgrond. Daarom betrekt de wrakingskamer ook de brief van 29 januari 2026 bij haar oordeel.



3.6.
Omdat het wrakingsverzoek zich richt tegen een door de raadsheren gegeven processuele beslissing kan de vrees voor vooringenomenheid slechts objectief gerechtvaardigd zijn indien in het licht van de feiten en omstandigheden van het geval, de raadsheren een beslissing hebben genomen die zo onbegrijpelijk is dat daarvoor redelijkerwijs geen andere verklaring is te geven dan dat deze door vooringenomenheid is ingegeven.



3.7.
De raadsheren hebben op de zitting van 28 januari 2026 gemotiveerd waarom zij de nadere stukken, hoewel die met inachtneming van de tiendagentermijn van art. 8:58 van de Awb zijn ingediend, tardief hebben verklaard. Uit het schorsingsproces-verbaal van die zitting volgt dat de inspecteur desgevraagd heeft bevestigd dat hij niet goed op de nadere stukken kon reageren vanwege de toezending op 16 januari 2026. Verder volgt daaruit dat het hof tot de conclusie is gekomen dat uit de door de gemachtigde van verzoeksters ter zitting gegeven motivering niet blijkt van de noodzaak of bijzondere omstandigheden waarom de nadere stukken niet al eerder konden zijn ingediend. Tot slot staat in het schorsingsproces-verbaal dat het hof de nadere stukken wegens de late indiening en gegeven het hoog technisch karakter tardief verklaart.



3.8.
Gelet op de (zeer) beperkte toetsingsruimte die de wrakingskamer in dit verband toekomt, kan niet worden gezegd dat deze beslissing zo onbegrijpelijk is dat daarvoor redelijkerwijs geen andere verklaring is te geven dan dat deze door vooringenomenheid is ingegeven.



3.9.
De omstandigheid dat twee van de drie raadsheren in de Vpb-procedures uitspraak hebben gedaan waartegen (ook) verzoeksters beroep in cassatie hebben ingesteld, en in die procedures hebben besloten dat de inspecteur een pakket nadere stukken – veel dikker dan nu aan de orde en ook van een hoog technisch gehalte – ondanks bezwaren van verzoeksters wel kort voor de zitting mochten indienen, legt onvoldoende gewicht in de schaal. De raadsheren hebben terecht betoogd dat iedere zaak op de eigen merites dient te worden beoordeeld en dat (proces)beslissingen in de Vpb-procedures losstaan van (proces)beslissingen in deze zaak. Bovendien hebben de raadsheren gemotiveerd betoogd dat sprake is van andere feiten en omstandigheden.

De overige bijkomende omstandigheden die verzoeksters ter onderbouwing van hun wrakingsverzoek hebben aangevoerd zijn, ook in onderlinge samenhang beschouwd, eveneens onvoldoende voor een andersluidend oordeel.

Hieruit volgt dat het wrakingsverzoek niet toewijsbaar is.





4De beslissing

De wrakingskamer verklaart het verzoek tot wraking ongegrond.


Deze beslissing is gegeven door mrs. F.J.P.M. Haas, P.F.E. Geerlings en E.M. de Stigter, in tegenwoordigheid van mr. L.H.J. Peters als griffier en door de voorzitter in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2026.
Link naar deze uitspraak