|
|
|
| ECLI:NL:RBOVE:2026:1726 | | | | | Datum uitspraak | : | 02-04-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 07-04-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Overijssel | | Zaaknummers | : | C/08/344929 / KG ZA 26-33 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Het huwelijk van eiseres en gedaagde is ontbonden. In een eerdere procedure heeft de rechtbank de verdeling van de gezamenlijke woning vastgesteld. Ook heeft de rechtbank bepaald dat de vordering van partijen op een andere naam wordt toegedeeld aan gedaagde onder de verplichting de helft van de waarde op 6 maart 2024 aan eiseres te voldoen. In deze procedure vordert eiseres dat gedaagde meewerkt aan de uitvoering van die beschikking van de rechtbank. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de vordering van eiseres moet worden toegewezen. | | Trefwoorden | : | burgerlijk wetboek | | | echtscheiding | | | huwelijkse voorwaarden | | | taxatie | | | wettelijke rente | | | | Uitspraak | RECHTBANK Overijssel
Civiel recht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: C/08/344929 / KG ZA 26-33
Vonnis in kort geding van 2 april 2026
in de zaak van
[eiseres]
,
te [woonplaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres],
advocaat: mr. E.M. Elfrink,
tegen
[gedaagde]
,
te [woonplaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
verschenen in persoon.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 13, - de e-mail van 18 maart 2026, waarin [gedaagde] de rechtbank verzoekt de procedure met twee weken uit te stellen, - de e-mail van 18 maart 2026, waarin de rechtbank voornoemd verzoek van [gedaagde] afwijst, - de mondelinge behandeling van 19 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
2De zaak in het kort
Het huwelijk van [eiseres] en [gedaagde] is ontbonden. In een eerdere procedure heeft de rechtbank de verdeling van de gezamenlijke woning vastgesteld. Ook heeft de rechtbank bepaald dat de vordering van partijen op [naam] wordt toegedeeld aan [gedaagde] onder de verplichting de helft van de waarde op 6 maart 2024 aan [eiseres] te voldoen.
In deze procedure vordert [eiseres] dat [gedaagde] meewerkt aan de uitvoering van die beschikking van de rechtbank. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de vordering van [eiseres] moet worden toegewezen.
Hierna wordt deze beslissing van de voorzieningenrechter toegelicht.
3De feiten
3.1.
Op [datum] 1991 zijn [eiseres] en [gedaagde] met elkaar gehuwd. Zij hebben daarbij geen huwelijkse voorwaarden opgemaakt. [eiseres] en [gedaagde] zijn gezamenlijk eigenaar van een woning aan de [adres] (hierna: de woning).
3.2.
Op 7 januari 2025 hebben partijen tijdens een eerdere procedure bij de rechtbank overeenstemming bereikt over de verdeling van de woning. Partijen hebben afgesproken dat: - [gedaagde] twee maanden de tijd krijgt om te bezien of hij de woning kan overnemen;
- tijdens deze twee maanden makelaar [makelaar] de woning (bindend) zal taxeren;
- als het [gedaagde] niet lukt om de woning over te nemen de woning bij voornoemde
makelaar te koop zal worden aangeboden en na verkoop en levering de netto-opbrengst
(verkoopopbrengst verminderd met de hypothecaire geldlening) bij helfte zal worden verdeeld tussen partijen.
3.3.
Bij beschikking van 4 februari 2025 heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Op 27 februari 2025 is de echtscheiding ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
3.4.
Bij voormelde beschikking heeft de rechtbank de verdeling van de woning en de daaraan verbonden hypothecaire geldlening vastgesteld conform de hiervoor onder 3.2 vermelde afspraak.
3.5.
Bij voormelde beschikking heeft de rechtbank de vordering van partijen op [naam] toegedeeld aan [gedaagde] onder de verplichting de helft van de waarde op de peildatum (6 maart 2024) aan [eiseres] te voldoen.
3.6.
Op 25 februari 2025 heeft [makelaar] de marktwaarde van de woning getaxeerd op € 285.000,-.
3.7.
Op 23 september 2025 heeft [makelaar] naar partijen gemaild dat de vraagprijs van de woning € 325.000,- kosten koper zal bedragen.
3.8.
Op 24 september 2025 en 26 september 2024 hebben [eiseres] en [gedaagde] aan [makelaar] opdracht gegeven de woning te verkopen.
3.9.
In de periode van 7 november 2025 tot en met 6 februari 2026 is de woning tien keer bezichtigd en zijn er twee biedingen op de woning uitgebracht. Op 7 januari 2026 is € 315.000,- geboden en op 6 februari 2026 € 295.000,-.
3.10.
Op 29 januari 2026 heeft de advocaat van [eiseres] aan de advocaat van [gedaagde] gemaild dat de woning inmiddels ruim 90 dagen te koop staat, zich een koper heeft gemeld die de woning voor € 315.000,- wenst te kopen en [eiseres] de woning voor dit bedrag wenst te verkopen. [gedaagde] wordt daarom verzocht uiterlijk de maandag daarop [eiseres] te berichten of hij met de verkoop van de woning kan instemmen.
3.11.
[gedaagde] heeft niet ingestemd en de woning is niet verkocht.
4Het geschil
4.1.
[eiseres] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad, verkort weergegeven:I. [gedaagde] zal veroordelen om vijf dagen na het in deze te wijzen vonnis mee te werken aan de verkoop en eigendomsoverdracht van de echtelijke woning en de verdeling van de netto-opbrengst door: a) mee te werken aan de ondertekening van de verkoopovereenkomst waarin de woning wordt verkocht aan derde voor een bedrag van tenminste € 300.000,- en medewerking te verlenen aan de notariële eigendomsoverdracht; b) gezamenlijk aan de notaris die belast is met de overdracht van de woning opdracht te geven om de netto-opbrengst bij helfte tussen partijen te verdelen, met dien verstande dat uit het aandeel van [gedaagde] in deze netto-opbrengst door de betrokken notaris aan [eiseres] wordt voldaan een bedrag van € 15.000,-;
II. zal bepalen dat als [gedaagde] zijn medewerking weigert het vonnis in plaats van de medewerking en/of noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van [gedaagde] zal treden; III. [gedaagde] zal veroordelen tot ontruiming en ontruimd houden van de echtelijke woning uiterlijk veertien dagen voor de notariële levering van de woning aan de koper, op straffe van een dwangsom;IV. zal bepalen dat de verkoopopbrengst van de woning na aftrek van de (resterende) hypotheekschulden en alle kosten verband houdende met de verkoop en levering van de woning bij helfte tussen partijen wordt verdeeld en dat uit het aandeel van de in deze netto-opbrengst door de betrokken notaris aan [eiseres] € 15.000,- wordt voldaan;V. [gedaagde] zal veroordelen in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente;VI. althans een zodanige beslissing zal nemen als de voorzieningenrechter in goede justitie vermeent te behoren.
4.2.
[eiseres] legt aan de vordering ten grondslag dat zij niet langer in onverdeeldheid wenst te blijven zitten. Partijen hebben bij de rechtbank duidelijke afspraken over de verdeling van de echtelijke woning en de vordering van partijen gemaakt. Deze afspraken moeten worden nagekomen, zodat zij een woning kan kopen en weer over een auto kan beschikken.
4.3.
[gedaagde] voert verweer. Hij voert aan dat de verkoopprijs van de woning minimaal € 325.000,- moet zijn en dat deze verkoopprijs ook haalbaar is. De bedragen uit de rapporten die [eiseres] in het geding heeft gebracht, zijn gebaseerd op gegevens uit 2023. De prijzen van woningen zijn volgens [gedaagde] nu veel hoger.
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
5De beoordeling
5.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [eiseres] daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
[eiseres] heeft spoedeisend belang
5.2.
Het spoedeisend belang vloeit voort uit de stellingen van [eiseres] en de aard van haar vordering. De rechtbank heeft meer dan een jaar geleden in februari 2025 de verdeling van de woning en vordering van partijen vastgesteld. Tot op heden heeft deze verdeling niet plaatsgevonden. [eiseres] kan hierdoor niet beschikken over haar aandeel in de overwaarde van de woning, waardoor zij niet in staat is een woning te kopen. [gedaagde] heeft dit spoedeisende belang niet betwist. De voorzieningenrechter zal daarom overgaan tot de inhoudelijke beoordeling van het geschil tussen partijen.
[gedaagde] moet meewerken aan de verkoop van de echtelijke woning
5.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat [gedaagde] moet meewerken aan de verkoop en eigendomsoverdracht van de woning. Daartoe wordt het volgende overwogen.
5.4.
De rechtbank heeft bij beschikking van 4 februari 2025 overeenkomstig de afspraken tussen partijen de verdeling van de woning vastgesteld (hiervoor: 3.2 en 3.4). Daarbij heeft de rechtbank alle omstandigheden van het geval meegewogen. Tegen deze beschikking is geen hoger beroep ingesteld. Dit betekent dat de beschikking van de rechtbank definitief is en moet worden uitgevoerd. Dat is tot op heden slechts gedeeltelijk gebeurd.
5.5.
[gedaagde] heeft aanvankelijk twee maanden de tijd gekregen om te onderzoeken of hij de woning kon overnemen. Deze termijn is nadien met instemming van [eiseres] enige tijd verlengd. Inmiddels staat vast dat [gedaagde] niet in staat is om de woning over te nemen. De volgende stap is dat de woning moet worden verkocht aan derden. De bindende taxatie is uitgekomen op een marktwaarde van € 285.000,-. De woning moet op basis van de beschikking van de rechtbank voor minimaal dat bedrag worden verkocht.
5.6.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat [gedaagde] niet aannemelijk heeft gemaakt dat thans een verkoopprijs van minimaal € 325.000,- haalbaar is. De woning staat sinds eind oktober 2025 voor dat bedrag te koop. In de periode van 7 november 2025 tot en met 6 februari 2026 is de woning tienmaal bezichtigd. Tweemaal is een bod op de woning uitgebracht. De biedingen die zijn gedaan, liggen ruim onder de vraagprijs. Op 7 januari 2026 is € 315.000,- geboden en op 6 februari 2026 € 295.000,-. Gelet op het aantal bezichtigingen en de hoogte van de biedingen acht de voorzieningenrechter het niet aannemelijk dat de woning op korte termijn voor een bedrag op of boven de vraagprijs van € 325.000,- wordt verkocht.
5.7.
[gedaagde] heeft onvoldoende gemotiveerd dat er makelaars zijn die menen dat de woning voor € 345.000,- kan worden verkocht en dat zijn overbuurman bereid is € 340.000,- tot € 350.000,- voor de woning te bieden. Hij heeft daarvan geen stukken overgelegd. Het aanbod van [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling om alsnog stukken in het geding te brengen, is niet binnen de daarvoor geldende termijn van één werkdag voor de mondelinge behandeling gedaan (artikel 3.16 Landelijk procesreglement kort gedingen rechtbanken). Daarbij komt dat deze stukken onvoldoende gewicht in de schaal kunnen leggen tegenover hetgeen hiervoor onder 5.6 is overwogen. Op basis van het aantal bezichtigingen en de omvang van de biedingen in de afgelopen maanden valt niet te verwachten dat de woning op korte termijn voor een bedrag van minimaal € 325.000,- wordt verkocht.
5.8.
De conclusie is dat de tussen partijen gemaakte afspraken over de verdeling van de woning die de rechtbank heeft vastgelegd in de beschikking van 4 februari 2025 moeten worden uitgevoerd. Dit betekent dat de vordering van [eiseres] om [gedaagde] te veroordelen mee te werken aan de verkoop en eigendomsoverdracht van de woning aan een derde voor minimaal € 300.000,- toewijsbaar is. Ook de vordering van [eiseres] om [gedaagde] te veroordelen deze medewerking te verlenen vijf dagen na dit vonnis wordt toegewezen. Voor zover er op dit moment geen biedingen op de woning zijn gedaan, geldt deze veroordeling voor toekomstige biedingen op de woning van minimaal € 300.000,-. Dit is het bedrag dat [eiseres] als minimale verkoopprijs heeft gevorderd. De voorzieningenrechter zal dan ook van dit bedrag uitgaan.
Het vonnis kan in de plaats treden van de medewerking van [gedaagde]
5.9. De vordering van [eiseres] om als [gedaagde] niet meewerkt aan de verkoop en de levering van de woning dit vonnis in de plaats te laten treden van de vereiste medewerking, wordt op grond van artikel 3:300 Burgerlijk Wetboek op de hierna in de beslissing onder 6. te vermelde wijze toegewezen.
[gedaagde] moet de woning na verkoop en levering ontruimen
5.10. Na verkoop en levering van de woning zal [gedaagde] de woning moeten ontruimen. De vordering van [eiseres] om [gedaagde] daartoe te veroordelen is daarom toewijsbaar. In de omstandigheid dat [gedaagde] niet bereid is de woning voor een lager bedrag dan de vraagprijs van € 325.000,- te verkopen, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om aan deze veroordeling van [gedaagde] een dwangsom te verbinden als stimulans tot nakoming van de veroordeling tot ontruiming. De op te leggen dwangsom zal worden gematigd en er zal een maximum aan de te verbeuren dwangsommen worden verbonden zoals hierna in de beslissing onder 6 is weergegeven.
[gedaagde] moet de helft van de waarde van de gezamenlijke vordering aan [eiseres] voldoen
5.11.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat [gedaagde] uit zijn deel van de overwaarde van de woning de helft van de gezamenlijke vordering van partijen op [naam] moet voldoen. De rechtbank heeft bij beschikking van 4 februari 2025 de vordering van partijen op [naam] toebedeeld aan [gedaagde] onder de verplichting de helft van de waarde op de peildatum (6 maart 2024) daarvan aan [eiseres] te voldoen. Deze verdeling moet worden uitgevoerd. [gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling erkend dat [eiseres] recht heeft op de helft van de waarde van vordering. Hij heeft verklaard dat deze helft op de peildatum van 6 maart 2024 € 15.000,- bedroeg en dat hij dit bedrag uit de overwaarde van de woning aan [eiseres] wil betalen. De vordering van [eiseres] om [gedaagde] te veroordelen uit zijn aandeel in de overwaarde van de woning € 15.000,- aan haar te voldoen, is dan ook toewijsbaar.
De proceskosten worden gecompenseerd
5.12. De proceskosten worden gecompenseerd. Dit betekent dat partijen allebei hun eigen proceskosten moeten betalen. Dit is gebruikelijk in procedures zoals deze, waarin partijen familie van elkaar zijn, althans zijn geweest.
Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard
5.13.
Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dit betekent dat de beslissing van de voorzieningenrechter moet worden gevolgd, ook als een van de partijen daartegen in hoger beroep gaat. De beslissing geldt in dat geval totdat in hoger beroep een beslissing is genomen.
6De beslissing
De voorzieningenrechter
6.1.
veroordeelt [gedaagde] om vijf dagen na het wijzen van dit vonnis mee te werken aan de verkoop en eigendomsoverdracht van de woning gelegen aan de [adres], kadastraal bekend gemeente [gemeente], [kadastrale aanduidingen] groot 144 m² en de verdeling van de netto-opbrengst door:a. ondertekening van de verkoopovereenkomst waarin de woning wordt verkocht aan derden voor tenminste € 300.000,- en aan de notariële eigendomsoverdracht;b. gezamenlijk aan de notaris die belast is met de overdracht van de woning opdracht te geven om de netto-opbrengst bij helfte tussen partijen te verdelen, met dien verstande dat uit het aandeel van [gedaagde] in deze netto-opbrengst door de betrokken notaris aan [eiseres] wordt voldaan een bedrag van € 15.000,- (zoals gevorderd onder I);
6.2.
bepaalt dat als [gedaagde] voornoemde medewerking weigert het vonnis in plaats treedt van de medewerking en/of noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van [gedaagde], die nodig is voor het op advies van de makelaar te accepteren bod op de woning, de verkoopovereenkomst en de notariële leveringsakte, mits die verkoopovereenkomst en/of notariële akte geen bepaling inhoudt/inhouden die afwijken van wat in de gegeven omstandigheden gebruikelijk is, zulks ter beoordeling van de betreffende makelaar en/of de notaris ten overstaan van wie de betreffende akte wordt gepasseerd;
6.3.
veroordeelt [gedaagde] tot ontruiming en ontruimd houden van de woning met inlevering van alle sleutels van de woning uiterlijk veertien dagen voor de notariële levering van de woning aan de koper, op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag met een maximum van € 5.000,-;
6.4.
bepaalt dat de verkoopopbrengst van de woning na aftrek van de (resterende) hypotheekschulden voortvloeiende uit de hypothecaire geldleningen met Hypotrust en van alle kosten verband houdende met de verkoop en levering van de woning (waaronder begrepen eventuele makelaars (taxatie)kosten en notariskosten), bij helfte tussen partijen wordt verdeeld en dat uit het aandeel van [gedaagde] in deze netto-opbrengst door de betrokken notaris aan [eiseres] wordt voldaan een bedrag van € 15.000,-;
6.5.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
6.6.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Mul en in het openbaar uitgesproken door mr. A. Smedes op 2 april 2026. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|