|
|
|
| ECLI:NL:RBNHO:2026:3531 | | | | | Datum uitspraak | : | 02-04-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 07-04-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Noord-Holland | | Zaaknummers | : | HAA 26/588 | | Rechtsgebied | : | Omgevingsrecht | | Indicatie | : | Deze uitspraak gaat over de omgevingsvergunning voor onder meer een nieuw te bouwen uitbreiding op het adres Beemsterpad 1c en 1d in Warmenhuizen. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De gronden zien op het slopen van de karakteristieke hoofdvorm, de welstandsbeoordeling, parkeren en de bouwhoogte van de uitbreiding. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de uitleg van het college over hoe de hoogte van de uitbreiding is gemeten in relatie tot de beschrijving van het peil in het bestemmingsplan nog onvoldoende duidelijk. De overige gronden slagen niet. De voorzieningenrechter schorst de omgevingsvergunning in afwachting van de uitspraak in de bodemprocedure, uitsluitend voor zover dit betrekking heeft op het bouwplan voor de appartementen 1c en 1d. | | Trefwoorden | : | bestemmingsplan | | | omgevingsvergunning | | | perceel | | | rijksmonument | | | | Uitspraak | RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 26/588
uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 april 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit Warmenhuizen, verzoeker
(gemachtigde: mr. R.M. Rensing),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schagen
(gemachtigde: B. van Yperen-Leek).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: BeStorkProperty B.V. uit Warmenhuizen (vergunninghouder)
(gemachtigde: mr. H.C. Lagrouw).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de omgevingsvergunning voor onder meer een nieuw te bouwen uitbreiding op het adres [adres 1] [nummer 1] en [nummer 2] in Warmenhuizen. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter weegt de belangen van verzoeker die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening en de belangen van het college en vergunninghouder die pleiten tegen het treffen daarvan, aan de hand van de gronden van verzoeker als volgt af.
2. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de uitleg van het college over de hoogte van de opbouw nog onvoldoende duidelijk. De voorzieningenrechter schorst de omgevingsvergunning in afwachting van de uitspraak in de bodemprocedure, uitsluitend voor zover dit betrekking heeft op het bouwplan voor de appartementen [nummer 1] en [nummer 2] . Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in het bodemgeding niet.
Procesverloop
3.1.
Vergunninghouder heeft op 13 november 2024 een aanvraag gedaan om een omgevingsvergunning voor “Verbouw pand aan de [adres 2] [nummer 3] t/m [nummer 4] / [adres 1] [nummer 5] t/m [nummer 1] te Warmenhuizen waardoor er 3 appartementen worden toegevoegd”.
3.2.
Het bouwplan ziet op de zijde van het bestaande gebouw richting het [adres 1] en het perceel van verzoeker (noordoost). Het grondgebonden appartement [nummer 1] wordt opnieuw gebouwd en met 2,70 meter uitgebreid, en de schuine kap wordt tot ‘ca. 6 meter’ verhoogd, zodat op de eerste verdieping appartement [nummer 2] kan worden gerealiseerd. Hiernaast wordt een opslag omgebouwd tot twee studio-appartementen, [adres 1] [nummer 6] en [naam 1] . Ten behoeve van de nieuwe appartementen worden vier extra parkeerplaatsen gerealiseerd.
3.3.
Bij primair besluit van 20 januari 2025 heeft het college de omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten ‘bouwactiviteit – technisch’ en ‘bouwactiviteit – omgevingsplan’. Hier heeft verzoeker bezwaar tegen gemaakt.
3.4.
Bij het bestreden besluit van 27 november 2025 heeft het college de omgevingsvergunning in stand gelaten met een aanvulling van de motivering.
3.5.
Op 7 januari 2026 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en op 23 januari 2026 de beroepsgronden aangevuld. Daarnaast heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht om de werking van het bestreden besluit te schorsen tot zes weken na de uitspraak in de beroepsprocedure.
3.6.
Het college heeft op 12 maart 2023 aanvullende stukken ingediend.
3.7.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 18 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en de gemachtigde van verzoeker; de gemachtigde van het college; [naam 2] en [naam 3] namens vergunninghouder en de gemachtigde van vergunninghouder.
Voorlopig rechtmatigheidsoordeel door de voorzieningenrechter
Toetsingskader omgevingsplan
4. In artikel 22.29 van het omgevingsplan is bepaald dat de omgevingsvergunning alleen wordt verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels voor bouwen, in stand houden en gebruiken en de redelijke eisen van welstand.
4.1.
Het bestemmingsplan Warmenhuizen maakt onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan Schagen. Op grond van het bestemmingsplan heeft het perceel de enkelbestemming ‘Gemengd’, met dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’, bouwaanduiding ‘karakteristiek’ en maatvoering ‘maximum bouwhoogte: 6 m’. Hiernaast is het bestemmingsplan ‘Parkeren’ van toepassing.
4.2.
De voor ‘Gemengd’ aangewezen gronden zijn bestemd voor onder meer gebouwen voor wonen (artikel 6.1, aanhef en onder a, onder, 1). Deze gebouwen worden gebouwd binnen een bouwvlak en de maximaal toegestane bouwhoogte (artikel 6.2.1).
4.3.
Een omgevingsvergunning is vereist ter plaatse van de aanduiding ‘karakteristiek’ bij het geheel of gedeeltelijk wijzigen van de karakteristieke hoofdvorm van een gebouw (artikel 6.5.1).
4.4.
Of sprake is van voldoende parkeergelegenheid bij een omgevingsvergunning voor het (ver)bouwen van een bouwwerk, wordt bepaald aan de hand van de Nota Parkeernormen Schagen 2016 (artikel 3.1 Parkeren).
4.5.
De wettelijke regels en beleidsregels die in deze zaak in geschil zijn, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Omvang van het geschil
5. Op de zitting heeft de voorzieningenrechter vastgesteld dat het verzoeker in hoofdzaak gaat om het onderdeel van het bouwplan waarbij de zijde aan zijn perceel wordt verhoogd ten behoeve van een extra appartement (huisnummer [nummer 2] ). Verzoeker heeft geen bezwaren tegen het onderdeel van de omgevingsvergunning waarbij de oude opslagruimte intern wordt verbouwd tot twee studio-appartementen (huisnummers [nummer 6] en [naam 1] ). De studio-appartementen zijn inmiddels ook gerealiseerd.
Karakteristieke hoofdvorm
6. In artikel 6.5.1. van het bestemmingsplan is bepaald dat een omgevingsvergunning is vereist ter plaatse van de aanduiding ‘karakteristiek’, bij het geheel of gedeeltelijk wijzigen van de karakteristieke hoofdvorm van een gebouw. Op grond van de plankaart heeft de hoofdvorm van het bestaande gebouw de aanduiding ‘karakteristiek’.
6.1.
Het college stelt in het bestreden besluit dat artikel 6.5.1. van het bestemmingsplan alleen betrekking heeft op sloopactiviteiten en niet op de activiteit bouwen/verbouwen van een bouwwerk. Het artikel betreft namelijk werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden. Bouwwerken zijn door de planwetgever dus uitgesloten.
6.2.
Verzoeker voert aan dat een omgevingsvergunning vereist is op grond van artikel 6.5.1 van het bestemmingsplan. Het college is ten onrechte afgeweken van het advies van de bezwarencommissie. Uit de jurisprudentie volgt dat aan de kop boven een specifiek ge/-verbod geen bindende betekenis toekomt. Daarom is de tekst van het artikel zelf doorslaggevend voor de reikwijdte van het gebod, en geldt in dit geval het artikel niet alleen voor slopen maar ook voor bouwen waarbij de karakteristieke hoofdvorm wordt gewijzigd.
6.3.
De voorzieningenrechter heeft op de zitting vastgesteld dat het voorheen bestaande grondgebonden appartement [nummer 1] in een aangebouwde schuur was gerealiseerd. Deze schuur is inmiddels gesloopt. De enige vraag die in dit verband bij de voorzieningenrechter voorligt is of het slopen van deze schuur omgevingsvergunningplichtig is op grond van artikel 6.5.1 van het bestemmingsplan. Het artikel behoort immers tot de afdeling ‘6.5 Omgevingsvergunning voor het slopen’. Artikel 6.5.1 bevat in dat verband een logische invulling van die afdeling met de vergunningplicht voor slopen. Het betoog van verzoeker over een bredere interpretatie van artikel 6.5.1 volgt de voorzieningenrechter niet.
6.4.
De grond slaagt niet. De voorzieningenrechter volgt het standpunt van het college dat het slopen van de schuur niet vergunningplichtig was. Met het slopen van de schuur wordt niet de karakteristieke hoofdvorm van het gebouw gewijzigd. De schuur behoort namelijk niet tot de karakteristieke hoofdvorm van het voormalig zaadpakhuis zoals opgenomen op de bouwtekeningen uit 1940 en 1992. Uit de bouwtekeningen uit 1992 volgt dat de schuur is aangebouwd als een berging, een bijbehorend bouwwerk.
Welstand
7. De welstandsnormen voor het bouwplan zijn opgenomen in de Reisgids voor ruimtelijke kwaliteit 2019 (hierna: de Reisgids). De bouwlocatie ligt in bijzonder welstandsgebied ‘Centrumgebied’ en ‘Vooroorlogs gebied’.
7.1.
Het college stelt in het bestreden besluit dat het bouwplan voldoet aan de redelijke eisen van welstand. Aan deze beoordeling legt het college het positieve advies van de welstandscommissie van 3 december 2024 ten grondslag. Aanvullend motiveert het college dat niet is gebleken dat de uitbreiding een negatief effect heeft op het naastgelegen rijksmonument van verzoeker.
7.2.
Verzoeker voert aan dat het college het welstandsadvies van 3 december 2024 niet ten grondslag kon leggen aan de conclusie dat het bouwplan voldoet aan de redelijke eisen van welstand. In het welstandsadvies wordt geschreven over ‘aanpassingen die in het bestaande volume worden opgelost. De gevelwijzigingen zijn nu akkoord’. Voor verzoeker is onduidelijk welke aanpassingen hebben plaatsgevonden.
Daarnaast miskent het college dat de boerderij van verzoeker als rijksmonument bij de welstandsbeoordeling betrokken moet worden. Het bouwplan zet het erf van verzoeker ‘dicht’. Op grond van de Objectgerichte criteria voor bijzondere gebouwen en monumenten moeten karakteristieke erven bij (stolp)boerderijen gehandhaafd blijven. Het bouwplan respecteert het rijksmonument van verzoeker dus niet. Tot slot doet verzoeker een beroep op de excessenregeling in de Reisgids.
7.3.
De grond slaagt niet. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college op goede gronden heeft beoordeeld dat het bouwplan niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter dat de aanvraag een bouwplan betreft op het perceel naast het erf van verzoeker. De welstandsbeoordeling gaat dan alleen over het aangevraagde bouwplan en de relatie van dat bouwplan tot de omgeving. De welstandsbeoordeling ziet niet op de vraag of het naastgelegen rijksmonument en erf van verzoeker na realisatie van het bouwplan nog voldoen aan de Objectgerichte criteria uit de Reisgids.
7.4.
Vervolgens overweegt de voorzieningenrechter dat het college in beginsel mag uitgaan van het advies van de welstandscommissie, als het heeft voldaan aan zijn vergewisplicht. Verzoeker heeft over de zorgvuldigheid van het advies alleen argumenten aangevoerd die zien op zijn eigen boerderij, en niet op de welstandsbeoordeling van het aangevraagde bouwplan. Ook heeft verzoeker geen contra-expertise overgelegd. Het college is dan ook op goede gronden uitgegaan van de zorgvuldigheid van het gegeven advies. Hetgeen verzoeker heeft aangevoerd geeft geen aanleiding om aan de zorgvuldigheid te twijfelen. Daarbij is in vaste rechtspraak uitgemaakt dat de bouwvoorschriften in het bestemmingsplan het uitgangspunt zijn bij de welstandsbeoordeling. De welstandsboordeling mag daar geen afbreuk aan doen.
Tot slot is de voorzieningenrechter met het college van oordeel dat de excessenregeling niet van toepassing is op het aangevraagde bouwplan, nu die regeling alleen bedoeld is voor repressief toezicht.
Parkeren
8. Op grond van artikel 2.1 van het bestemmingsplan Parkeren wordt aan de hand van de Nota Parkeernormen Schagen 2016 (hierna: de Parkeernota) bepaald of sprake is van voldoende parkeergelegenheid.
8.1.
Het college stelt in het bestreden besluit dat het bouwplan voldoet aan de parkeernormen uit de Parkeernota. Volgens de Parkeernota moeten voor dit bouwplan vier extra parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Deze vier plaatsen zijn ingetekend op de situatietekening nieuwe situatie. Samen met de vijf bestaande parkeerplaatsen komt het totaal op het perceel uit op negen parkeerplaatsen.
8.2.
Verzoeker voert aan dat het bouwplan niet voorziet in voldoende parkeergelegenheid. Het college is de parkeerplaatsen voor de bestaande appartementen en een te compenseren parkeerplaats in de berekening vergeten.
8.3.
De grond slaagt niet. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter hebben het college en vergunninghouder genoegzaam toegelicht dat het bouwplan in voldoende parkeergelegenheid voorziet op eigen terrein. De parkeernormen die het college daarvoor heeft toegepast, bestrijdt verzoeker niet (langer). Daarbij heeft het college in lijn met vaste rechtspraak alleen de toename van het aantal parkeerplaatsen door het bouwplan beoordeeld. Het college hoeft geen rekening te houden met een eventueel bestaand tekort. Evengoed heeft vergunninghouder de parkeerplaatsen voor de bestaande appartementen opgenomen op de situatietekening. Daarbij heeft vergunninghouder uitgelegd dat op het perceel voldoende ruimte is voor de nodige parkeerplaatsen.
Bouwhoogte
9. Op de bouwlocatie geldt het maatvoeringsvoorschrift dat de bouwhoogte maximaal zes meter mag zijn. De hoogte van een bouwwerk wordt gemeten vanaf het peil. Op grond van artikel 1.51 van het bestemmingsplan is het peil de hoogte vanaf het afgewerkte omliggende terrein ter plaatse van het bouwwerk. Indien de hoogte van het afgewerkte terrein niet aan alle zijden van het bouwwerk gelijk is, wordt het peil gerekend vanaf het laagste punt van het omliggende afgewerkte terrein. Incidenteel aangebrachte en ondergeschikte ophogingen en verdiepingen worden buiten beschouwing gelaten.
9.1.
Verzoeker voert aan dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan omdat de bouwhoogte de maximumhoogte van zes meter overschrijdt. Ter onderbouwing verwijst verzoeker naar het onderzoek van Bouwbedrijf [naam 4] Uit het onderzoek volgt dat het bestaande gebouw aan de zijde waar gebouwd zal worden, vanaf het peil 6,65 meter hoog is. Als het bouwplan aansluit op de bestaande bouwhoogte is het bouwplan dus hoger dan zes meter.
9.2.
Het college heeft op de zitting erkend dat de bouwhoogte van het bestaande gebouw op zichzelf hoger is dan zes meter. Hierbij verwijst het college naar het rapport van de toezichthouder van 10 juli 2025. Volgens de toezichthouder is de bestaande hoogte op het noordoostpunt van het bestaande gebouw 6,39 meter, gemeten direct vanaf de dakgoot tot aan het maaiveld. Aangezien het bouwplan daarop direct aansluit is ook het bouwplan op dat punt hoger dan zes meter. Het college stelt evenwel dat dit niet betekent dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Op grond van artikel 1.51 van het bestemmingsplan worden immers bij het vaststellen van het in aanmerking te nemen peil incidenteel aangebrachte en ondergeschikte ophogingen en verdiepingen buiten beschouwing gelaten. De gemachtigde van het college heeft op de zitting toegelicht dat de omgeving wordt gekenmerkt door een glooiend lint. Op de plek van het bestaande gebouw lag vroeger een sloot waardoor de locatie in een kuil ligt. Daardoor is het bestaande gebouw in relatie tot het omliggende terrein aan de noordzijde lager gesitueerd. Als wordt gemeten vanaf de hoogte van het omliggende terrein aan de zuidzijde voldoet de bouwhoogte wel aan het maximum. Volgens het college gaat het daarom aan de noordzijde om een ondergeschikte verdieping en die wordt buiten beschouwing gelaten.
9.3.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Vast staat dat in het bestemmingsplan niet nader wordt gedefinieerd wat onder ‘een ondergeschikte ophoging of verdieping’ moet worden verstaan. Vast staat dat ook de toelichting bij het bestemmingsplan hierover geen helderheid geeft. In zo’n geval kan volgens vaste rechtspraak worden aangesloten bij wat in het algemeen gangbare spraakgebruik daaronder wordt verstaan. Daarbij mag de betekenis zoals die in de Van Dale wordt gegeven worden betrokken. Op zichzelf bevat deze vindplaats niet meer dan een aantal synoniemen voor het begrip ‘ondergeschikt’ zoals “van weinig betekenis”, “van weinig belang” of “marginaal”. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het verder alleszins aanvaardbaar om een en ander te relateren aan aard en karakter van het omliggende terrein. Dat is ook wat het college heeft beoogd met haar uitleg, daar waar is aangegeven dat de locatie waar het hier over gaat onderdeel uitmaakt van een glooiend landschap en zich bevindt in de kuil van een voormalige sloot.
9.4.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is met deze uitleg in algemene zin evenwel nog onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom in het onderhavige geval sprake is van een ‘ondergeschikte’ verdieping die niet bij het normale verloop van het omliggende terrein past. Daarbij komt dat – indien verweerder zou worden gevolgd – nog niet duidelijk is wat dan wordt aangemerkt als het peil. Het peil blijft op grond van het bestemmingsplan de relevante maatstaf om te bepalen of het bouwplan de maximaal toegestane bouwhoogte overschrijdt. De ter zitting door het college gegeven motivering is voor de voorzieningenrechter onvoldoende om het peil vast te stellen. Hierom ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het bestreden besluit te schorsen in afwachting van de uitspraak in de bodemprocedure. Het college heeft in deze periode de gelegenheid om zijn standpunt nader te onderbouwen. Enerzijds door een meer gedetailleerd inzicht te geven in de aard en het karakter van het omliggende terrein. Anderzijds door concreet aan te geven hoe dan in zijn visie – bij het buiten beschouwing laten van het ter plaatse kennelijk aanwezige hoogteverschil – wel zou moeten worden gemeten overeenkomstig het vigerende meetvoorschrift in het bestemmingsplan. Vanuit het oogpunt van een goede procesorde mag van het college worden verwacht deze nadere toelichting te geven in een verweerschrift ruim voorafgaand aan de behandeling ter zitting van het beroep. Verzoeker en de derde belanghebbende kunnen dan tijdig en adequaat op het verweerschrift reageren.
Conclusie en gevolgen
10. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe en schorst het bestreden besluit tot uitspraak is gedaan in de bodemprocedure, uitsluitend voor zover dit betrekking heeft op het bouwplan voor de appartementen [nummer 1] en [nummer 2] .
11. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst komt verzoeker in aanmerking voor een proceskostenvergoeding. De voorzieningenrechter stelt de vergoeding vast op € 1.814,- voor professionele rechtsbijstand door zijn gemachtigde (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 907,- en weging 1). Het college moet de proceskostenvergoeding betalen. Ook krijgt verzoeker zijn griffierecht voor de voorlopige voorziening-procedure door het college vergoed.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
wijst het verzoek toe;
schorst het bestreden besluit tot de uitspraak in de bodemprocedure, uitsluitend voor zover dit betrekking heeft op het bouwplan voor de appartementen [nummer 1] en [nummer 2] ; en
veroordeelt het college tot betaling aan verzoeker van de proceskostenvergoeding van € 1.814,- en het griffierecht van € 200,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H.A.C. Everaerts, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.A. Bakker, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 2 april 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Bijlage
Bestemmingsplan Warmenhuizen
1.52
peil, onder a:
a. indien op of in het land wordt gebouwd:
1. de hoogte van het afgewerkte omliggende terrein ter plaatse van het bouwwerk met dien verstande dat, indien het bouwwerk zal worden gebouwd op een nog onbebouwd perceel, deze hoogte ten hoogste 0,50 m ligt boven of beneden de hoogte van de kruin van de weg waarop het perceel wordt ontsloten, eventueel natuurlijk aanwezige reliëfverschillen buiten beschouwing gelaten.
Indien de hoogte van het afgewerkte terrein niet aan alle zijden van het bouwwerk gelijk is, wordt het peil gerekend:
vanaf het laagste punt van het omliggende afgewerkte terrein;
incidenteel aangebrachte en ondergeschikte ophogingen en verdiepingen buiten beschouwing gelaten;
6.5
Omgevingsvergunning voor het slopen
6.5.1
Vergunningplicht
Ter plaatse van de aanduiding “karakteristiek” is voor de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden een omgevingsvergunning vereist:
het geheel of gedeeltelijk wijzigen van de karakteristieke hoofdvorm van een gebouw. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|