|
|
|
| ECLI:NL:RBDHA:2026:8228 | | | | | Datum uitspraak | : | 08-04-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 08-04-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Den Haag | | Zaaknummers | : | NL26.15619 | | Rechtsgebied | : | Vreemdelingenrecht | | Indicatie | : | Beroep tegen de maatregel van bewaring. Aan de voorwaarden om een maatregel van bewaring op te leggen is voldaan. Geen lichter middel. Beroep ongegrond. | | Trefwoorden | : | levensonderhoud | | | | Uitspraak | RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.15619
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. M. Rasul),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 19 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vwopgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Partijen hebben ingestemd met schriftelijke afdoening van de zaak. Eiser heeft op 30 maart 2026 beroepsgronden ingediend. De minister heeft daarop op 2 april 2026 gereageerd. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek op 3 april 2026 gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Tanzaniaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum 1] 2005. De minister gaat ervan uit dat eiser is geboren op [geboortedatum 2] 1998.
Kon de maatregel worden opgelegd hangende een procedure?
2. Eiser acht het niet opportuun dat hij in bewaring is gesteld. Hij voert daartoe aan dat hij bij de Afdeling hoger beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank en een verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingediend.
3. De rechtbank is van oordeel dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder h van de Vw hangende het hoger beroep tegen de afwijzing van de herhaalde asielaanvraag, zolang de voorlopige voorziening niet is toegewezen. Eiser heeft ook niet geconcretiseerd waarom hij niet in bewaring zou mogen worden gesteld. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Kunnen de gronden de maatregel in beginsel dragen?
4. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
De minister heeft de grond onder 4e laten vallen.
5. Eiser heeft alle gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd gemotiveerd betwist. Zo stelt eiser ten aanzien van de zware grond 3a dat hij is gevlucht vanuit zijn land van herkomst en als asielzoeker naar Nederland is gekomen via Schiphol. Tijdens zijn inreis beschikte eiser over een paspoort en een visum, maar zijn paspoort is meegenomen door de mensensmokkelaar. Eiser was ten tijde van zijn inreis minderjarig en heeft onverwijld asiel aangevraagd. Met betrekking tot de zware grond 3c voert eiser aan dat hij rechtsmiddelen heeft ingesteld tegen de beschikking waarin de vetrekplicht is opgenomen. Hij hoefde Nederland daarom nog niet te verlaten. Tegen de uitspraak van de rechtbank is hoger beroep ingesteld en er is een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Over de zware grond 3d voert eiser aan dat hij verklaringen heeft afgelegd over wie hij is en waar hij vandaan komt. Dit is in de asielprocedure niet ongeloofwaardig geacht volgens de beschikking. Ten aanzien van de zware grond 3e voert eiser aan dat hij niet heeft gelogen over zijn naam of nationaliteit. Degene die zijn inreis heeft geregeld, heeft andere gegevens gebruikt waarvan eiser niet op de hoogte was. Met betrekking tot de zware grond 3i voert eiser aan dat hij het hoger beroep, dat is ingesteld door zijn asielrechtadvocaat, wil afwachten. Eiser is niet veilig is zijn land van herkomst. Eiser heeft zich altijd aan de regels gehouden en is altijd bij de afspraken met DT&V geweest. Vanwege een afgegeven code rood wegens slechte weersomstandigheden, is eenmalig de afspraak met DT&V geannuleerd. Over de lichte grond 4a voert eiser aan dat hij met een paspoort Nederland is ingereisd, maar dat zijn paspoort door de mensensmokkelaar is meegenomen. Dit wordt door de minister miskend. Eiser heeft rechtsmiddelen ingesteld tegen de beschikking waarin de vertrekplicht staat opgenomen. Eiser wenst het hoger beroep in Nederland af te wachten. Ten aanzien van de lichte grond 4b voert eiser aan dat hij zijn verblijf wil legaliseren en zich opnieuw tot de autoriteiten heeft gewend. Met betrekking tot de lichte grond 4c voert eiser aan dat hij in een AZC of VBL kan verblijven, waar hij zich dagelijks wil melden. Over de lichte grond 4d voert eiser aan dat hij als asielzoeker naar Nederland is gekomen en afhankelijk is van de verstrekkingen van het COA. In de maatregel is niet deugdelijk gemotiveerd waarom op basis van deze grond sprake is van een risico op onttrekking. De lichte gronden zijn onvoldoende zwaar om daaruit af te leiden dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
6. Naar het oordeel van de rechtbank is de zware grond 3a feitelijk juist en heeft de minister de feitelijke juistheid van deze grond voldoende toegelicht in de maatregel. Uit de toelichting volgt dat er een vermoeden is dat eiser bij inreis in Nederland niet beschikte over een paspoort, visum en inreisstempel van het Schengengebied. Eiser zegt weliswaar dat hij tijdens zijn inreis beschikte over een paspoort en visum en dat zijn paspoort is meegenomen door de mensensmokkelaar, maar eiser kan dit niet aantonen. Het vermoeden is dan ook niet met geloofwaardige bewijsmiddelen weerlegd. Uit de nationaliteitsverklaring blijkt verder niet dat eiser bij inreis minderjarig was. Dat eiser als asielzoeker zonder documenten naar Nederland is gekomen, kan hem nu worden aangerekend omdat de eerste en tweede asielprocedure zijn afgerond. Ook zijn derde asielaanvraag is afgewezen waardoor, hoewel het hoger beroep nog loopt, niet aannemelijk is gemaakt dat eiser terecht is gevlucht zonder documenten. Ook de zware grond 3c is naar het oordeel van de rechtbank feitelijk juist en de minister heeft de feitelijke juistheid van deze grond voldoende toegelicht in de maatregel. Uit deze toelichting volgt dat eiser op 2 december 2025 een besluit heeft gekregen, waarin wordt verwezen naar het eerder opgelegde terugkeerbesluit van 18 december 2023. Eiser moest Nederland binnen vier weken verlaten en terugkeren naar Tanzania. Eiser heeft weliswaar hoger beroep ingesteld tegen het besluit van 2 december 2025 en verzocht om een voorlopige voorziening, maar hij had Nederland wel moeten verlaten. Eiser heeft namelijk geen rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, onder h van de Vw hangende het hoger beroep, zolang de voorlopige voorziening niet is toegewezen. Met betrekking tot de lichte grond 4c is de rechtbank van oordeel dat deze feitelijk juist is en er een risico op onttrekking en het belemmeren van het vertrek of de uitzettingsprocedure uit volgt. De minister heeft dit voldoende toegelicht in de maatregel. Uit de toelichting volgt dat eiser op diverse locaties van het COA heeft verbleven en voor het laatst in de VBL in [plaats]. Dit is geen vaste woon- of verblijfplaats en eiser staat momenteel niet ingeschreven op een adres in de BRP. Eiser geeft wel aan dat hij in een AZC of VBL wil verblijven en zich daar ook wil melden, maar eiser heeft geen rechtmatig verblijf en mag daar dan ook niet verblijven. Ook de lichte grond 4d is naar het oordeel van de rechtbank feitelijk juist en er volgt een risico op onttrekking en het belemmeren van het vertrek of de uitzettingsprocedure uit. De minister heeft dit voldoende toegelicht in de maatregel. Uit de toelichting volgt dat eiser niet over voldoende middelen van bestaan beschikt, hij voor zijn levensonderhoud afhankelijk is van het COA en niet over de financiële middelen beschikt om zijn terugkeer naar Tanzania te bekostigen. Eiser heeft ook in het bewaringsgehoor verklaard dat hij onvoldoende middelen van bestaan heeft, hij geen eigen inkomen, contant geld of geld op een bankrekening heeft en hij afhankelijk is van het COA. Echter, eiser is geen asielzoeker en heeft dan ook geen recht op de verstrekkingen van het COA. De minister stelt terecht dat door het ontbreken van middelen van bestaan, eiser niet aannemelijk heeft kunnen maken dat hij zelfstandig uit Nederland kan en/of zal vertrekken en dat hieruit een risico op onttrekking volgt. Dat betekent dat de gronden 3a, 3c, 4c en 4d terecht aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd. De genoemde gronden zijn al voldoende om de maatregel te kunnen dragen. Wat verder nog is aangevoerd over de overige gronden behoeft dan ook geen bespreking meer.
Kon worden volstaan met een lichter middel?
7. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom er niet is gekozen voor een lichter middel. Aan eiser had een meldplicht opgelegd kunnen worden en dit kan nog steeds. Eiser heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank en wenst dit in Nederland af te wachten. Daarnaast heeft eiser een pleeggezin in [locatie] waar hij dagelijks contact mee heeft. Er is sprake van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM en dat wordt op deze wijze geschonden. Verder heeft de minister onvoldoende betrokken dat eiser wenst terug te keren.
8. De rechtbank volgt eiser niet. De rechtbank verwijst daarbij naar wat hiervoor is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd. De minister heeft in de maatregel uitgebreid gemotiveerd waarom hij niet heeft gekozen voor een lichter middel. De minister heeft met name van belang kunnen achter dat de opgelegde meldplicht, het eerder opgelegde lichter middel als bedoeld in artikel 56 van de Vw, het faciliteren van een vrijwillige overdracht en het voeren van meerdere vertrekgesprekken, tot op heden niet hebben geleid tot het vertrek van eiser. Daarnaast heeft eiser het terugkeerbesluit niet nageleefd. Ondanks dat eiser het hoger beroep wil afwachten in Nederland, mag hij niet in Nederland zijn omdat hij geen rechtmatig verblijf heeft. Eiser stelt weliswaar een pleeggezin in [locatie] te hebben waar hij dagelijks contact mee heeft en dat er sprake is van schending van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM, maar hij heeft niet gemotiveerd waarom dat contact niet zou kunnen worden voortgezet vanuit bewaring. Daarbij weegt mee dat eiser in het bewaringsgehoor heeft verklaard dat hij niet bij zijn pleeggezin verblijft en ook niet afhankelijk is van hen. De enkele stelling van eiser dat hij wenst terug te keren, is gelet op al hetgeen hiervoor overwogen onvoldoende voor het toepassen van een lichter middel. Deze beroepsgrond slaagt niet. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat op 18 maart 2026 een lp-toezegging is gedaan door de Tanzaniaanse autoriteiten en dat zo snel mogelijk een vlucht zal worden geboekt.
Ambtshalve toetsing
9. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is.
Conclusie
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.R. van der Winkel, rechter, in aanwezigheid van C. Holmond, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Vreemdelingenwet 2000.
Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Vreemdelingenbesluit 2000.
Dienst Terugkeer en Vertrek.
Asielzoekerscentrum.
Vrijheidsbeperkende locatie.
Centraal Orgaan opvang asielzoekers.
Basisregistratie Personen.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|