Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBDHA:2026:8267 
 
Datum uitspraak:08-04-2026
Datum gepubliceerd:08-04-2026
Instantie:Rechtbank Den Haag
Zaaknummers:NL25.48049
Rechtsgebied:Vreemdelingenrecht
Indicatie:Ongegrond. Eiser heeft sinds hervestiging in Nederland geen rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan gehad.
Trefwoorden:bijstandsuitkering
vrijstelling
 
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.48049

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,geboren op [geboortedatum],van Griekse nationaliteit, V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. H.A. Limonard),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. J. Veendorp).


Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de vaststelling van de minister dat eiser sinds zijn hervestiging in Nederland geen rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan heeft gehad. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.


1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de vaststelling van de minister in stand kan blijven. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop

2. Met het primaire besluit van 28 maart 2025 heeft de minister vastgesteld dat eiser sinds zijn hervestiging in Nederland geen rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan heeft gehad. Met het bestreden besluit van 4 september 2025 op het bezwaar van eiser is de minister hierbij gebleven.


2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 2 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen.



Inleiding


Griffierecht

3. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van het griffierecht. De rechtbank wijst dit verzoek toe. Eiser hoeft dus geen griffierecht te betalen.Het bestreden besluit
4. De Sociale Verzekeringsbank heeft de minister gemeld dat eiser een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet ontvangt. Dit gaf twijfel over de rechtmatigheid van eisers verblijf in Nederland. Met het primaire besluit, gehandhaafd met het bestreden besluit, heeft de minister vastgesteld dat eiser sinds zijn hervestiging in Nederland op 26 juni 2024 geen rechtmatig verblijf heeft gehad. Eiser verbleef al eerder in Nederland, maar mogelijk eerder opgebouwd verblijfsrecht is vervallen door langdurige afwezigheid uit Nederland. Tussen 1995 en 2008 als ook 2016 en 2024 waren er namelijk onderbrekingen in eisers BRP inschrijvingen. Sinds zijn hervestiging blijkt niet dat eiser als economisch actieve gemeenschapsonderdaan kan worden aangemerkt. Eiser heeft geen bewijsstukken overgelegd waaruit blijkt, dat hij heeft gewerkt in loondienst of als zelfstandige, dat hij werkzoekende was of dat hij zelfstandig over voldoende middelen beschikte om geen beroep te doen op publieke middelen. De minister stelt dat de belangenafweging ten aanzien van eisers verwijdering in diens nadeel uitvalt, omdat hij een beroep doet op publieke middelen en hij het overgrote deel van zijn leven in Griekenland heeft gewoond. In het kader van artikel 8 van het EVRM neemt de minister geen familie- of gezinsleven aan tussen eiser en zijn gestelde dochter en kleinkinderen, omdat eiser de familierechtelijke relatie niet heeft aangetoond. Ook heeft eiser volgens de minister niet aannemelijk gemaakt dat zijn kleinkinderen zodanig afhankelijk van hem zijn dat zij gedwongen zullen zijn het grondgebied van de Unie te verlaten als aan eiser geen verblijfsrecht wordt toegekend. Tussen eiser en zijn dochter bestaat volgens de minister ook geen bijzondere afhankelijkheid. Dat eiser een nieuwe vriendin zou hebben waarmee mogelijk sprake is van familie-of gezinsleven is verder ook niet onderbouwd. De minister neemt aan dat eiser ook familie en vrienden heeft in Griekenland, nu hij daar het grootste deel van zijn leven heeft gewoond. Beoordeling door de rechtbank Wat vindt eiser?
5. Eiser voert in beroep aan dat de minister ten onrechte heeft geoordeeld dat hij sinds zijn hervestiging in Nederland geen rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan heeft gehad. Eiser stelt aanspraak te maken op rechtmatig verblijf vanwege zijn EU-burgerschap. Eiser heeft sterke banden met Nederland, omdat hij hier een volledig bestaan heeft opgebouwd. Eisers dochter en kleinkinderen wonen in Nederland. Niet valt in te zien waarom de minister de familierechtelijke relatie in twijfel trekt. In (bel)contact met de minister hebben eiser en zijn dochter dit verder toegelicht. Eiser past regelmatig op zijn kleinkinderen en zij hebben onderling een goede band. Toen eisers vriendin overleed heeft hij tijdelijk bij zijn dochter gewoond. Zijn dochter helpt haar vader bij allerlei zaken, waaronder solliciteren. Eiser woont inmiddels samen met een nieuwe vriendin. Ook heeft hij een hond en verschillende vrienden in Nederland. Contacten met Griekenland heeft hij niet meer. Hierbij wijst eiser erop dat Griekenland in een slechte economische staat verkeert. Oordeel van de rechtbank
6. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister op goede gronden heeft vastgesteld dat het verblijfsrecht van eiser is geëindigd. Zo heeft eiser geen van zijn verklaringen met stukken onderbouwd. De enkele stelling van eisers gestelde dochter dat hij solliciteert, is onvoldoende om eiser als werkzoekende aan te merken als gemeenschapsonderdaan. Verder heeft de minister kenbaar alle feiten en omstandigheden gewogen en deugdelijk gemotiveerd dat geen sprake is van familieleven tussen eiser en zijn dochter en kleinkinderen. Eiser heeft de familierechtelijke relatie met hen immers niet aangetoond. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de minister niet ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat er geen bijzondere afhankelijkheid is aangetoond tussen eiser en zijn dochter. In het kader van het privéleven heeft de minister zich op het standpunt kunnen stellen dat het belang van de Nederlandse overheid zwaarder weegt dan het persoonlijke belang van eiser. De minister heeft hierbij mogen betrekken dat eiser een bijstandsuitkering ontvangt, hij lange tijd in Griekenland heeft gewoond en er geen objectieve belemmeringen bestaan om terug te keren. Hoorplicht
7. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte heeft nagelaten om hem te horen in bezwaar. Eiser wijst hierbij op zijn bijzonder schrijnende situatie.

7.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank kon de minister op het bezwaar van eiser beslissen zonder hem te horen. Eiser is uitgebreid in de gelegenheid gesteld de ontbrekende stukken die belangrijk waren voor de beoordeling van zijn aanvraag te overleggen. Nu eiser dit heeft nagelaten, mocht de minister van het horen afzien. Hierbij wijst de rechtbank er nog op dat geen sprake was van een belastend besluit maar een vaststellingsbesluit.



Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.




Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, rechter, in aanwezigheid van mr.M. Veenstra - van der Veen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.


Openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:




Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.




Artikel 8.12 van het Vreemdelingenbesluit 2000.


Artikel 8.12 van het Vreemdelingenbesluit.


Artikel 8.17, eerste lid van het Vreemdelingenbesluit.


Artikel 8.12, eerste lid, aanhef en onder a van het Vreemdelingenbesluit.
Link naar deze uitspraak