Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:GHARL:2026:1965 
 
Datum uitspraak:31-03-2026
Datum gepubliceerd:09-04-2026
Instantie:Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Zaaknummers:200.356.463/01
Rechtsgebied:Bestuursstrafrecht
Indicatie:1. Schending hoorplicht. Aan de gemachtigde is weliswaar een extra schriftelijke ronde geboden. De officier van justitie heeft echter vóór ommekomst van de termijn al beslist op het beroep. Aldus is niet voldaan aan de voorwaarde waaronder de structurele schending van de hoorplicht niet tot matiging leidt. Het bedrag van de sanctie wordt daarom (verder) gematigd. 2. Proceskostenvergoeding. Het hof past bij de berekening van de proceskostenvergoeding de factor, genoemd in artikel 13a, tweede lid, van de Wahv toe. De gemachtigde is niet geslaagd in het leveren van bewijs dat sprake is van een bijzonder geval.
Trefwoorden:bpm
 
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden








Zaaknummer


: Wahv 200.356.463/01




CJIB-nummer


: 253258870




Uitspraak d.d.


: 31 maart 2026








Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland van 22 april 2025, betreffende





[betrokkene]
(hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats].

De gemachtigde van de betrokkene is S.J.J.G. Fernandes, kantoorhoudende te Voorburg.



De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 112,50. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 777,-.




Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.




De beoordeling
1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 150,- voor: “Handelen in strijd met een geslotenverklaring (bord C2 van het RVV 1990, eenrichtingverkeer)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 21 oktober 2022 om 11:50 uur op de Bloemerstraat in Nijmegen met het voertuig met het kenteken [kenteken].

2. De kantonrechter heeft het bedrag van de sanctie gematigd tot € 112,50 wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting.

3. De gemachtigde van de betrokkene betwist in hoger beroep de bevoegdheid, bekwaamheid en betrouwbaarheid van de ambtenaar die de sanctie heeft opgelegd. Hij handhaaft zijn stelling dat aanstellings- en bevoegdheidsstukken ontbreken en verzoekt het hof te toetsen aan het door de Hoge Raad in zijn arrest van 24 april 2009, te vinden op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:HR:2009:BI1968, geformuleerde kader over de stelplicht en bewijslast in administratiefrechtelijke zaken.


4. Zoals in het arrest van het hof van 23 december 2019 (ECLI:NL:GHARL:2019:10797) is overwogen, is het bestaan van de bevoegdheid van de opsporingsambtenaar ten tijde van het vaststellen van de gedraging het uitgangspunt. Dit is slechts anders indien hetgeen wordt aangevoerd gerede twijfel doet ontstaan omtrent de bevoegdheid van de ambtenaar. De enkele betwisting van die bevoegdheid, en ook van de bekwaamheid en de betrouwbaarheid van de ambtenaar, dan wel het in meer algemene zin aan de orde stellen daarvan door het stellen van vragen of het doen van suggesties, doet een dergelijke twijfel niet ontstaan. Datzelfde geldt indien slechts wordt gesteld dat bepaalde stukken die betrekking hebben op de bevoegdheid van de ambtenaar niet kunnen worden achterhaald. Het hof ziet in dat wat de gemachtigde heeft aangevoerd, waaronder de verwijzing naar het genoemde arrest van de Hoge Raad, geen aanleiding om hierop terug te komen. Dit betekent dat deze grond faalt.

5. Voorts voert de gemachtigde aan dat de betrokkene ontkent de verweten gedraging te hebben verricht en dat objectief bewijs ontbreekt, met name waar het gaat om de bebording. Volgens de gemachtigde komt aan de verklaring van de ambtenaar in deze geen bijzondere bewijswaarde toe, nu deze niet ambtsedig is opgemaakt en kan ook in het dossier geen enkele aanwijzing worden gevonden van de feitelijke locatie van het beweerdelijke bord dat de betrokkene zou zijn gepasseerd.
De gemachtigde stelt ook dat de betrokkene zonder een exacte aanduiding van waar op de lange Bloemersstraat het verweten feit zou hebben plaats gevonden zich niet adequaat heeft kunnen verdedigingen door bijvoorbeeld zelf onderzoek te doen naar de bebording.

6. Het is vaste rechtspraak van het hof dat de Wahv niet de eis stelt dat aan een krachtens die wet opgelegde administratieve sanctie een ambtsedig proces-verbaal van een opsporingsambtenaar ten grondslag ligt. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens in het dossier. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.

7. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de onderhavige sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat onder meer de volgende gegevens:
“Gedragingsgegevens: ik zag dat de weg werd gebruikt in de richting waarin deze was gesloten. De tekst van het onderbord luidde: uitgezonderd bromfiets en fietsen, lijnbussen. De uitzondering(en) genoemd op het onderbord, was (waren) niet van toepassing. (…).
Overtreden artikel: 62 jo bord C2 RVV1990
Reden staandehouding: aanzegging proces-verbaal.
Aan de betrokken is de cautie verleend. (…)
Verdachte/betrokkene gaf geen verklaring. Omschrijving door de verbalisant: wenst niets te verklaren.

8. Uit het zaakoverzicht blijkt dat de betrokkene als bestuurder van het onderhavige voertuig is staande gehouden door de ambtenaar die de sanctie heeft opgelegd. Daaruit kan worden afgeleid dat deze ambtenaar zelf ter plaatse was. In het algemeen mag in zo’n geval worden aangenomen dat de ambtenaar heeft vastgesteld dat de relevante bebording aanwezig en duidelijk zichtbaar is. Feiten en omstandigheden die maken dat hier niet van dit uitgangspunt mag worden uitgegaan heeft de gemachtigde niet gesteld. Nu de ambtenaar in het zaakoverzicht heeft opgenomen dat artikel 62 juncto bord C2 als bedoeld in bijlage 1 van het RVV 1990 is overtreden, kan naar het oordeel van het hof genoegzaam worden vastgesteld dat de betrokkene als bestuurder van het desbetreffende voertuig het betrokken bord C2 heeft genegeerd. Hetgeen de gemachtigde aanvoert, treft geen doel.




9. Ook de stelling van de gemachtigde dat onvoldoende exact is aangeduid waar de gedraging heeft plaatsgevonden, treft geen doel. De inleidende beschikking bevat in dit geval voldoende informatie voor de betrokkene om zich op adequate wijze te verdedigen. Niet valt in te zien waarom de betrokkene in een lange straat geen onderzoek zou kunnen doen naar de bebording, zeker niet nu de betrokkene ter plaatse is staande gehouden.

10. Verder voert de gemachtigde aan dat de kantonrechter het bedrag van de sanctie verdergaand had moeten matigen, namelijk nogmaals met 25% wegens structurele schending van de hoorplicht. De gemachtigde voert hiertoe aan dat de officier van justitie in zijn beslissing de suggestie wekt dat de schending van de hoorplicht in deze zaak is gecompenseerd door het aanbieden van een extra schriftelijke ronde, maar dat die ronde in deze zaak in feite niet heeft plaatsgevonden doordat de officier van justitie vóór ommekomst van die termijn zijn beslissing al heeft gegeven. Bovendien heeft de officier van justitie een beslissing genomen direct nadat een ingebrekestelling was ontvangen om een dwangsom te ontlopen. De officier van justitie heeft daarmee ook de beginselen van een behoorlijke procesvoering en het vertrouwensbeginsel geschonden, aldus de gemachtigde.

11. Het hof stelt vast dat de gemachtigde in het administratief beroepschrift heeft verzocht om te worden gehoord en dat de officier van justitie daarvan heeft afgezien, omdat een (extra) schriftelijke ronde is geboden. Dit betreft echter geen grond waarop van horen kon worden afgezien (zie het arrest van dit hof van 17 augustus 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:6930). Ook anderszins doen zich geen gronden voor waarop van horen kon worden afgezien. De kantonrechter heeft dan ook terecht vastgesteld dat de hoorplicht is geschonden en het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard en die beslissing vernietigd.

12. Het hof heeft in voornoemd arrest van 17 augustus 2023 geoordeeld dat in situaties als deze sprake is van een structurele schending van de hoorplicht, maar dat deze schending niet leidt tot matiging van het sanctiebedrag onder meer omdat de gemachtigde een extra schriftelijke ronde heeft gekregen om het standpunt van de betrokkene naar voren te brengen. Het hof ziet in de onderhavige zaak evenwel aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Daartoe acht het hof van belang dat de officier van justitie de gemachtigde weliswaar een termijn heeft gegund voor het schriftelijk aanvullen van de gronden, maar vóór ommekomst van die termijn zijn beslissing al heeft gegeven. Gelet hierop kan in dit geval niet worden gezegd dat is voldaan aan de voorwaarde waaronder de structurele schending van de hoorplicht niet leidt tot matiging van het sanctiebedrag.

13. Dit betekent dat de kantonrechter, alvorens het sanctiebedrag te matigen in verband met de overschrijding van de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg, het sanctiebedrag had moeten matigen met 25 procent. Het hof zal dit alsnog doen en het bedrag van de sanctie vaststellen op € 84,38.

14. Nu het bedrag van de sanctie wordt gematigd, wordt de betrokkene in het gelijkgesteld als bedoeld in het arrest van het hof van 28 april 2020 (ECLI:NL:GHARL:2020:3336) en komen de proceskosten voor vergoeding in aanmerking. Tegen de door de kantonrechter toegekende proceskostenvergoeding, die overigens ook de kosten gemaakt in administratief beroep omvat, zijn uitdrukkelijk geen grieven aangevoerd.

15. Met betrekking tot de hoogte van de proceskostenvergoeding in hoger beroep overweegt het hof het volgende. De beslissing van de kantonrechter is na 31 december 2023 bekend gemaakt. Derhalve dient in het onderhavige geval te worden beoordeeld of de vermenigvuldigingsfactor als bedoeld in het tweede lid van artikel 13a van de Wahv dient te worden toegepast.

16. Op 24 juni 2025 heeft de Hoge Raad arrest gewezen op het beroep in cassatie in het belang der wet (ECLI:NL:HR:2025:985).

17. In dat arrest heeft de Hoge Raad over de werkingssfeer van de regeling van artikel 13a, tweede lid, van de Wahv opgemerkt dat de wetgever met de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm (hierna: Whpkv), ook met de beperkingen van proceskostenvergoedingen in procedures over Wahv, het oog heeft gehad op gevallen die zich daardoor kenmerken dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat (i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay, (ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en (iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.

18. Gevallen die kennelijk niet deze kenmerken hebben, moeten in het licht van het doel van de regeling over proceskostenvergoedingen in de Whpkv worden aangemerkt als bijzondere gevallen in de zin van artikel 13a, tweede lid, van de Wahv, met als gevolg dat in die gevallen geen aanleiding bestaat tot vermenigvuldiging van de op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) berekende forfaitaire vergoeding met de factor 0,25 of 0,10. De stelplicht en de bewijslast met betrekking tot feiten die meebrengen dat het om zo’n bijzonder geval gaat, rusten op de belanghebbende.

19. De Hoge Raad heeft vervolgens geoordeeld dat gelet op deze afbakening van de werkingssfeer van artikel 13a, tweede lid, van de Wahv niet kan worden gezegd dat de wetgever verder is gegaan dan nodig om het als legitiem aangemerkte doel van het wetsvoorstel te bereiken, te weten voorkomen dat proceskostenvergoedingen dermate hoog uitvallen dat afbreuk wordt gedaan aan het uitgangspunt van het Bpb dat proceskostenvergoedingen niet méér beogen te zijn dan een tegemoetkoming in de werkelijk gemaakte proceskosten. Van ongerechtvaardigde ongelijke behandeling is daarom geen sprake.

20. Het hof volgt het oordeel van de Hoge Raad in voornoemd arrest. Aangezien dit arrest is gewezen op dezelfde dag als die waarop de gemachtigde hoger beroep had ingesteld, hoefde hij niet bedacht te zijn op de in dat arrest geformuleerde regels. Daarom is de gemachtigde door de griffier van het hof in de gelegenheid gesteld om te reageren op de in dat arrest geformuleerde regels en in dat verband zo nodig nadere gegevens te verstrekken. De gemachtigde heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt in zijn aanvullend beroepschrift. Verder hebben de advocaat-generaal en de gemachtigde op elkaar gereageerd als hierboven is vermeld bij het verloop van de procedure.

21. De gemachtigde heeft in dit verband aangevoerd dat zijn praktijk niet valt onder het type waar de wetgever de vermenigvuldigingsfactor voor heeft bedoeld. Zijn praktijk betreft maatwerk door een gespecialiseerde gemachtigde, met dossierstudie, casuïstische beoordeling en op de stukken toegesneden klachten. De gemachtigde geeft een opsomming van de concrete werkzaamheden die in deze zaak zijn verricht en begroot die op ongeveer 9 tot 13 uur. Voorts merkt de gemachtigde op dat de in Wahv-zaken gebruikelijke wegingsfactor van 0,5 maakt dat het forfaitaire bedrag lager uitvalt dan in andere bestuursrechtelijke zaken. Toepassing van de verminderingsfactor leidt tot een onevenredige ondercompensatie en heeft ook een “chilling effect” op toegang tot rechtsbescherming in Wahv-zaken waarin inhoudelijk een correctie nodig is op procedurele misslagen, zoals hier. Tenslotte is de gemachtigde het niet eens met de advocaat-generaal dat hij bedrijfsbrede gegevens moet overleggen. Volgens de gemachtigde miskent de advocaat-generaal daarmee dat ruimte moet bestaan om zaak specifiek te onderbouwen waarom toepassing van de verminderingsfactor leidt tot onredelijke ondercompensatie. Bovendien ontbreekt vooralsnog een duidelijk beoordelingskader.

22. De gemachtigde betwist niet dat bij zijn bedrijfsmodel wordt voldaan aan de eerste twee in het arrest van de Hoge Raad genoemde kenmerken.


23. Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van de gemachtigde ook voldoet aan het derde in het arrest genoemde kenmerk, stelt het hof voorop dat het hierbij niet specifiek gaat om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de vergoeding van de proceskosten ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand. Voor de beoordeling of het bedrijfsmodel voldoet aan het derde kenmerk van vergaande overdekking moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft (vgl. HR 25 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:670, r.o. 3.4.4 en 3.4.5).

24. Voorts overweegt de Hoge Raad in r.o. 3.4.6. van dit arrest van 25 april 2025 dat, aangezien het door de gemachtigde te leveren bewijs moet inhouden dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde of het kantoor kennelijk niet alle hiervoor bedoelde drie kenmerken heeft, buiten redelijke twijfel moet komen vast te staan dat diens bedrijfsmodel een of meer van deze kenmerken niet heeft.

25. Naar het oordeel van het hof is de gemachtigde niet geslaagd in het leveren van bewijs dat zijn bedrijfsmodel niet eruit bestaat dat procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen. De gemachtigde heeft namelijk geen enkel cijfermatig inzicht in zijn bedrijfsmodel gegeven. De gemachtigde stelt weliswaar dat hij als gespecialiseerd rechtsbijstandsverlener inhoudelijk maatwerk verricht, maar dit is onvoldoende om aan te nemen dat het totale bedrag van de proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de in redelijkheid gemaakte kosten niet ver overtreft.

26. Voor zover de gemachtigde stelt dat hij niet (eerder) in staat was om dit inzicht te geven, omdat een (duidelijk) beoordelingskader ontbrak, leidt dat niet tot een ander oordeel. Daarbij merkt het hof op dat het criterium dat hier van toepassing is voortkomt uit het arrest van de Hoge Raad van 25 april 2025 dat is gewezen vóórdat de gemachtigde in deze zaak hoger beroep instelde. In die zin mag hem dit bekend worden verondersteld. In ieder geval kan en mag van een professioneel rechtsbijstandverlener worden verwacht dat hij inzicht kan geven in aantallen Mulderzaken die hij heeft behandeld en het totaal van de daarin toegekende proceskostenvergoedingen. De gemachtigde is echter met geen enkele cijfermatige onderbouwing van zijn standpunt gekomen.

27. Bij deze stand van zaken is niet buiten redelijke twijfel vast komen te staan dat het geval van de betrokkene met het oog op het vaststellen van een proceskostenvergoeding is aan te merken als een bijzonder geval als hiervoor bedoeld. De vergoeding van de proceskosten zal daarom worden berekend met inachtneming van de Whpkv.

28. Aan het indienen van het hoger beroepschrift en de nadere toelichting dient 1,5 punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het hoger beroep € 934,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Omdat de beslissing van de kantonrechter na 31 december 2023 is bekendgemaakt, wordt het bedrag van de in hoger beroep gemaakte kosten op grond van artikel 13a, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wahv vermenigvuldigd met factor 0,25. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 175,13 (= 1,5 x € 934,- x 0,5 x 0,25).








De beslissing
Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter, voor zover daarbij het bedrag van de sanctie is vastgesteld op € 112,50;

wijzigt de inleidende beschikking, in zoverre dat het bedrag van de sanctie wordt vastgesteld op € 84,38;

bevestigt de beslissing van de kantonrechter voor het overige;

bepaalt dat als de betrokkene op grond van artikel 11 van de Wahv teveel zekerheid heeft gesteld, het meerdere door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 175,13.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Arntz als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.
Link naar deze uitspraak