Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBDHA:2026:8566 
 
Datum uitspraak:24-03-2026
Datum gepubliceerd:10-04-2026
Instantie:Rechtbank Den Haag
Zaaknummers:NL25.30153
Rechtsgebied:Vreemdelingenrecht
Indicatie:Asiel, Colombia, binnenlands beschermingsalternatief. De minister heeft mogen uitgaan van de mogelijkheid dat eiseres zich in andere delen van Colombia aan haar ex-partner kan onttrekken. Het beroep van eiseres slaagt dan ook niet.
Trefwoorden:levensonderhoud
 
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.30153

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 maart 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres
(gemachtigde: mr. S.J. Koolen),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. E. Konstapel).


Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.


1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop

2. Eiseres heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Zij stelt van Colombiaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1996. De minister heeft met het bestreden besluit van 1 juli 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.


2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 12 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en D.P. Navarete als tolk.








Beoordeling door de rechtbank


Het asielrelaas

3. Eiseres legt aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiseres vreest bij terugkeer naar Colombia voor problemen met haar ex-partner. Eiseres is gedurende hun relatie (seksueel) mishandeld door haar ex-partner. Tijdens hun relatie is eiseres een relatie begonnen met een vrouw. Haar ex-partner is erachter gekomen dat eiseres op vrouwen valt, waarna eiseres werd bedreigd middels pamfletten en appjes. Eiseres heeft hiervan aangifte gedaan bij de politie maar zij heeft alleen nummers gekregen om in geval van nood te bellen. Eiseres is vervolgens vertrokken naar haar nichtje. Bij een bezoek aan haar ouders bleek dat haar ex-partner hun had verteld over haar seksuele gerichtheid. Eiseres werd geslagen door haar vader en verbannen. Omdat haar vader aan haar ex-partner had verteld dat zij bij haar nichtje verbleef, kon hij haar daar opzoeken. Omdat eiseres geen bescherming of steun kreeg van de politie en haar familie, heeft eiseres Colombia verlaten. Eiseres vreest bij terugkeer naar Colombia door haar ex-partner te worden vermoord.


Het bestreden besluit

4. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende relevante asielmotieven:


Identiteit, nationaliteit en herkomst;


Problemen met ex-partner, mede als gevolg van haar seksuele gerichtheid.



5. De minister heeft beide asielmotieven geloofwaardig geacht. Uit de verklaringen van eiseres blijkt volgens de minister desondanks niet dat zij in aanmerking komt voor vluchtelingschap of dat bij terugkeer naar Colombia sprake is van een reëel risico op ernstige schade. De minister neemt namelijk een binnenlands beschermingsalternatief aan. De minister heeft de asielaanvraag daarom afgewezen.


Heeft de minister een binnenlands beschermingsalternatief mogen aannemen?


6. Eiseres stelt dat de minister ten onrechte heeft overwogen dat zij zich aan de dreiging van haar ex kan onttrekken door zich elders in Colombia te vestigen. Hiertoe voert eiseres aan dat de minister de bewijslastverdeling op dit punt heeft miskent. Eiseres wijst er in dit verband op dat haar ex-partner haar eerder ook in een andere stad heeft kunnen vinden. Hij is dus gedreven en heeft de mogelijkheden om haar binnen Colombia op te sporen. Verder stelt eiseres dat haar ex-partner haar kan vinden via verschillende (overheids)systemen met de informatie die hij heeft, met name via haar persoonsnummer. Ook vindt eiseres dat niet van haar kan worden verwacht dat zij haar leven terughoudend leidt om te voorkomen dat haar ex haar elders in Colombia achterhaald. Zij moet vrij zijn om zich te kunnen uiten, bijvoorbeeld op sociale media. Verder heeft eiseres enkele artikelen overgelegd waaruit blijkt dat in Colombia vaker vrouwen het slachtoffer zijn van geweld en femicide. Tenslotte stelt eiseres zich op het standpunt dat de minister onvoldoende heeft onderzocht en gemotiveerd dat er plaatsen zijn waar zij onder acceptabele omstandigheden kan leven. Hierbij moet ook haar seksuele identiteit een rol spelen.

7. De rechtbank overweegt dat uit de uitspraak van de Afdeling van 24 september 2024 volgt dat de minister een binnenlands beschermingsalternatief, in de zin van een vlucht- of vestigingsalternatief mag tegenwerpen als een vreemdeling in een deel van zijn land van herkomst geen gegronde vrees heeft voor vervolging en daar ook geen reëel risico op ernstige schade loopt. Verder moet dat deel van het land toegankelijk zijn voor die vreemdeling en moet hij op een veilige en wettige manier daarnaartoe kunnen reizen. Ook moet de minister redelijkerwijs van de vreemdeling mogen verwachten dat hij zich er vestigt. Als de minister aannemelijk heeft gemaakt dat aan deze voorwaarden is voldaan, is het aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat het vestigingsalternatief in zijn geval niet aanwezig is en dat van hem niet kan worden verlangd dat hij zich elders in het land vestigt.

8. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich, aan de hand van bovengenoemde voorwaarden, op het standpunt heeft kunnen stellen dat er voor eiseres in Colombia een binnenlands beschermingsalternatief aanwezig is. Hierbij is het volgende van belang.

9. De rechtbank volgt het standpunt van de minister dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar ex-partner haar landelijk kan opsporen of bedreigen. Dat haar ex-partner haar eerder bij haar nichtje heeft kunnen vinden, leidt niet tot een ander oordeel. Hierbij heeft de minister betekenis mogen toekennen aan de omstandigheid dat dit gelukt is met behulp van haar ouders, die hem haar verblijfplaats hadden verteld. Nergens blijkt uit dat haar ex op andere wijze achter haar verblijfplaats zou kunnen komen. De stelling dat hij gebruik kan maken van (overheids)systemen om haar - met behulp van haar persoonsnummer of anderszins - te achterhalen, is niet onderbouwd. Ook overigens is niet met concrete feiten of objectieve bronnen onderbouwd dat de ex-partner van eiseres daadwerkelijk over de middelen of invloed beschikt om haar in het hele land te achterhalen. De minister mag daarbij van eiseres verwachten dat zij bewust omgaat met de informatie die zij deelt met derden, bijvoorbeeld via social media als ook in de contacten met haar ouders, van wie bekend is dat zij niet het beste met haar voorhebben. Tenslotte kan eiseres niet middels artikelen waaruit blijkt dat femicide in zijn algemeenheid voorkomt in Colombia aannemelijk maken dat zij zich in haar specifieke geval niet kan onttrekken door zich elders in Colombia te vestigen.

10. Daar komt bij dat de minister zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat van eiseres redelijkerwijs kan worden verwacht dat zij zich elders in Colombia vestigt. Daarbij heeft de minister mogen betrekken dat eiseres een opleiding heeft afgerond en werkervaring heeft, zodat zij in staat moet worden geacht in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Ook heeft de minister mogen meewegen dat eiseres eerder in verschillende plaatsen een bestaan heeft weten op te bouwen. Eiseres heeft langdurig is verschillende grote steden gewoond en gewerkt en is vertrouwd met het functioneren binnen een stedelijke omgeving. Ook de seksuele identiteit van eiseres maakt niet dat niet van haar kan worden verwacht dat zij zich elders vestigt om zich aan haar ex-partner te onttrekken. De minister heeft er in dit verband op mogen wijzen dat uit algemene informatie blijkt dat de rechten voor de LHBTI-gemeenschap in Colombia voldoende zijn gewaarborgd en dat de overheid de positie van de LHBTI-gemeenschap wil verbeteren en beschermen. In dit kader wijst de rechtbank ook op rechtsoverweging 10.1 van de uitspraak van de Afdeling van 5 juni 2024. In deze uitspraak concludeert de Afdeling op basis van landeninformatie dat Colombia verschillende beschermingsmogelijkheden kent die specifiek zijn gericht op seksuele minderheden en transpersonen. Uit landeninformatie blijkt bovendien dat veel leden van de LHBTI-gemeenschap uit ruraal Colombia naar de steden om meer conform hun seksuele geaardheid of genderidentiteit te kunnen leven. De stelling van eiseres dat zij tot de LHBT-gemeenschap behoort en geen netwerk heeft, is daarom onvoldoende om te concluderen dat zij zich niet in een ander stedelijk gebied, zoals de door de minister als voorbeeld genoemde steden [plaats 1] of [plaats 2] zou kunnen handhaven.

11. De minister heeft daarom mogen uitgaan van de mogelijkheid dat eiseres zich in andere delen van Colombia aan haar ex-partner kan onttrekken. Het beroep van eiseres slaagt dan ook niet.



Conclusie en gevolgen

12. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.



Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, rechter, in aanwezigheid van drs. C.L.W. Slycke - van Dort, griffier.



Uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2026








Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Vreemdelingenwet 2000


ECLI:NL:RVS:2024:3805.


Zie artikel 3.37d, eerste lid, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV 2000), en paragraaf C2/3.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).


Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), ECLI:NL:RVS:2024:2331.
Link naar deze uitspraak