Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:CRVB:2026:409 
 
Datum uitspraak:02-04-2026
Datum gepubliceerd:10-04-2026
Instantie:Centrale Raad van Beroep
Zaaknummers:24/104 WAD
Rechtsgebied:Socialezekerheidsrecht
Indicatie:Toegekende bedrag aan schadevergoeding toereikend. Appellant heeft als gevolg van een uitzending naar Libanon PTSS ontwikkeld. De staatssecretaris heeft aan appellant een bedrag aan schadevergoeding toegekend, onder meer vanwege verminderd arbeidsvermogen.
Trefwoorden:aow
arbeidsovereenkomst
uitkering
 
Uitspraak
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer

24/104 WAD








Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 4 december 2023, 23/2626 (aangevallen uitspraak)





Partijen:


[appellant] te [woonplaats] (Spanje) (appellant)

de Staatssecretaris van Defensie (college)






Datum uitspraak: 2 april 2026
SAMENVATTING

Appellant heeft als gevolg van een uitzending naar Libanon PTSS ontwikkeld. De staatssecretaris heeft aan appellant een bedrag aan schadevergoeding toegekend, onder meer vanwege verminderd arbeidsvermogen. In deze zaak oordeelt de Raad, net als de rechtbank, dat het toegekende bedrag toereikend is.




PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.D.W. Martens, advocaat, hoger beroep ingesteld. De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend en een nader stuk ingezonden.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 11 december 2025. Appellant heeft via videobellen aan de zitting deelgenomen. Hij is bijgestaan door mr. Martens. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.J.G. Derks en mr. I. Voogd.

De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst om partijen in de gelegenheid te stellen te bezien of er een minnelijke regeling kon worden getroffen. Op 15 januari 2026 heeft mr. Martens de Raad bericht dat er geen minnelijke regeling tot stand is gekomen.

Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is een nadere zitting achterwege gelaten, waarna de Raad het onderzoek heeft gesloten.




OVERWEGINGEN




Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.


1.1.
Appellant, geboren in 1957, is in de periode van maart [periode] als dienstplichtige uitgezonden naar Libanon. Na zijn uitzending naar Libanon is hij met groot verlof gegaan. Appellant heeft vervolgens als taxichauffeur gewerkt, waarna hij in 1981 in dienst is getreden bij de [werkgever 1]. Hij heeft daar onder andere gewerkt als [functie 1] . In 1989 is appellant in dienst getreden bij de [werkgever 2] in de functie van [functie 2] . In 1993 is hij geplaatst in de functie van [functie 3] . De [werkgever 2] heeft op enig moment de locaties van de woonwagenkampen verkocht aan woningbouwvereniging [naam woningbouwvereniging] . Aan appellant is in verband met deze verkoop per 1 februari 2000 eervol ontslag verleend. Hij was op dat moment ingeschaald in schaal 10, met salarisnummer 11. Per 1 februari 2000 is appellant in dienst getreden bij [naam woningbouwvereniging] . Daarna is het beheer van de woonwagenkampen overgedragen aan [naam B.V.] B.V. ( [naam B.V.] ). Appellant is bij [naam B.V.] in dienst getreden per 1 juni 2001 in de functie van [functie 4] . Dit dienstverband is per 1 november 2003 door de kantonrechter ontbonden.



1.2.
Als gevolg van de uitzending naar Libanon heeft zich bij appellant PTSS ontwikkeld. Sinds 1997 ontvangt hij een militair invaliditeitspensioen, berekend naar een mate van invaliditeit van – uiteindelijk – 85%. Vanaf 2005 ontvangt appellant ook een bijzondere invaliditeitsverhoging van 20%. Verder heeft hij in 2012 een bedrag van € 125.000,- aan ereschulduitkering ontvangen. Met ingang van 8 december 2006 is aan appellant een WIA-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Met ingang van 8 april 2014 is hem een IVA-uitkering toegekend in verband met volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid.



1.3.
Appellant heeft op 26 maart 2004 verzocht om vergoeding van de schade die hij heeft geleden en lijdt als gevolg van de schending van de zorgplicht in het kader van de uitzending. Met de besluiten van 30 juni 2004 en 17 juli 2012 heeft de staatssecretaris zich naar aanleiding van dat verzoek beroepen op verjaring en heeft om die reden geweigerd tot schadevergoeding over te gaan. Tegen het laatstgenoemde besluit heeft appellant bezwaar gemaakt. Met een brief van 17 november 2016 heeft de staatssecretaris appellant meegedeeld dat alsnog inhoudelijk zal worden bezien of appellant (rest)schade heeft geleden. Vervolgens hebben partijen geprobeerd om op dit punt een minnelijke regeling te treffen. Uiteindelijk hebben zij daarover geen overeenstemming kunnen bereiken. Met een besluit van 23 maart 2023 (bestreden besluit) heeft de staatssecretaris het bezwaar tegen het besluit van 17 juli 2012 deels gegrond verklaard. Aan appellant is een bedrag aan schadevergoeding toegekend van € 63.683,-, onder andere wegens geleden inkomensschade. Daarbij is verwezen naar een schaderapport van 15 december 2022 van NRL. Het bedrag berust op de aanname dat appellant zonder de PTSS tot aan zijn pensioen bij de [werkgever 2] zou zijn blijven werken en dat hij per 2008 zou zijn bevorderd van gemeentelijke schaal 10 naar schaal 10A en per 2016 naar schaal 11. Volgens de staatssecretaris is appellant er niet in geslaagd aan te tonen dat hij een hoger salaris zou hebben ontvangen. Verder is aan appellant een bedrag toegekend van € 62.740,73 wegens gemaakte buitengerechtelijke kosten.



Uitspraak van de rechtbank




2.1.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en heeft daarmee dat besluit in stand gelaten.



2.2.
Daarbij heeft de rechtbank onder meer overwogen dat in een geval als dit weliswaar als gezichtspunt kan worden betrokken of een betrokkene concreet uitzicht had op een hogere functie, maar dat dit niet doorslaggevend is. Ook als geen sprake is geweest van concreet uitzicht op een hogere functie met een beter salaris, kan de rechter het waarschijnlijk achten dat de betrokkene een carrièrestap zou hebben gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de staatssecretaris aansluiting kunnen zoeken bij het functiewaarderingssysteem van de [werkgever 2] bij het inschatten van de carrière die appellant zou hebben gehad zonder de PTSS. Gelet op de toepasselijke hoofdgroepen en functietyperingen van dit systeem kan volgens de rechtbank niet worden gezegd dat de staatssecretaris er niet van heeft mogen uitgaan dat appellant per 2008 zou zijn bevorderd naar een functie waaraan schaal 10A is verbonden en per 2016 naar een functie waaraan schaal 11 is verbonden. Dit is passend bij het hbo werk- en denkniveau van appellant. Dat hij in eerste instantie snel carrière heeft gemaakt, is onvoldoende om aan te nemen dat hij zou doorstromen naar een leidinggevende functie of een functie waarvoor een academische opleiding is vereist. De stelling van appellant dat hij al eerder een functie zou hebben vervuld waaraan schaal 10A is verbonden omdat hij al het maximum in schaal 10 had bereikt, heeft hij niet onderbouwd. Dit geldt volgens de rechtbank ook voor de stelling van appellant dat hij bij [naam woningbouwvereniging] al was geplaatst in schaal 11, althans daar een salaris ontving dat daarmee vergelijkbaar was.



2.3.
Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat de staatssecretaris de door appellant gestelde verminderde AOW-opbouw als gevolg van zijn verhuizing naar Spanje niet hoeft te compenseren. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat arts R. Bhaggoe van het ABP na onderzoek de medische noodzaak voor de verhuizing niet aanwezig heeft geacht. Uit de brief van 22 september 2010 van behandelend GZ-psycholoog M.M. Hospers heeft de rechtbank afgeleid dat zij een verhuizing weliswaar wenselijk achtte, maar dat het voor appellant medisch gezien wel mogelijk was om in Nederland te wonen.


Het standpunt van appellant


3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna besproken.




Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.


4.1.
Het is vaste rechtspraak dat de bestuursrechter bij de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding zoveel mogelijk aansluiting zoekt bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. Voor vergoeding van schade is vereist dat sprake is van een onrechtmatig besluit en dat causaal verband aanwezig is tussen het onrechtmatige besluit en de gestelde schade. Vervolgens komen alleen die schadeposten voor vergoeding in aanmerking die in een zodanig verband staan met dat besluit, dat zij het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend.



4.2.
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad moeten het bestaan en de omvang van schade door verminderd arbeidsvermogen als gevolg van een aansprakelijkheid vestigende gebeurtenis worden vastgesteld door een vergelijking te maken tussen het inkomen van de benadeelde in de feitelijke situatie na die gebeurtenis en het inkomen dat de benadeelde in de hypothetische situatie zonder die gebeurtenis (de hypothetische situatie) zou hebben verworven. De stelplicht en bewijslast van het bestaan en de omvang van de schade rusten in beginsel op de benadeelde. Aan de benadeelde mogen in het kader van de vergelijking tussen de feitelijke en de hypothetische situatie echter geen strenge eisen worden gesteld. Bij het vergelijken van de feitelijke en de hypothetische situatie moet naar redelijkheid worden ingeschat hoe het inkomen van de benadeelde zich zal ontwikkelen respectievelijk hoe het zich zonder de aansprakelijkheid vestigende gebeurtenis zou hebben ontwikkeld. Bij deze inschattingen komt het aan op redelijke verwachtingen over toekomstige ontwikkelingen in het arbeidsvermogen van de benadeelde na die gebeurtenis, respectievelijk zonder die gebeurtenis. In dat verband moeten de goede en kwade kansen worden afgewogen. Bij die afweging heeft de rechter een aanzienlijke mate van vrijheid.



4.3.
Mede gelet op wat partijen hierover ter zitting naar voren hebben gebracht, volgt de Raad de rechtbank in haar oordeel dat de staatssecretaris aansluiting heeft mogen zoeken bij het functiewaarderingssysteem van de [werkgever 2]. Appellant heeft vanaf 1993 bij de [werkgever 2] gewerkt. Na het ontslag per 1 februari 2000 bij de gemeente heeft hij tot 1 november 2003 elders gewerkt, waarbij dit werk in de kern een voortzetting was van zijn eerdere werk bij de gemeente. Bij de inschatting van de omvang van de door appellant geleden inkomensschade heeft de staatssecretaris daarom als uitgangspunt mogen nemen dat appellant zijn carrière zou hebben vervolgd bij de [werkgever 2].



4.4.
Verder volgt de Raad de rechtbank in haar oordeel dat, uitgaande van dit functiewaarderingssysteem, niet kan worden gezegd dat de staatssecretaris van onjuiste aannames is uitgegaan over de doorgroei naar respectievelijk salarisschaal 10A en salarisschaal 11. Het functiewaarderingssysteem van de [werkgever 2] gaat uit van hoofdgroepen. Hoofdgroep D omvat salarisschalen 10 tot en met 12 en betreft volledig inhoudelijke advies- en regiefuncties, al dan niet gecombineerd met leidinggeven. Hoofdgroep DL omvat salarisschalen 11 en 12 en betreft volledig leidinggevende functies. Uit de stukken blijkt dat appellant geen leidinggevende functie heeft vervuld. Ter zitting is namens hem desgevraagd verklaard dat ten tijde van zijn uitval een leidinggevende functie ook niet in beeld was. De Raad volgt de staatssecretaris in zijn standpunt dat er onvoldoende aanwijzingen zijn om te veronderstellen dat appellant zou zijn doorgegroeid naar een leidinggevende functie. Daarmee vallen de functies van hoofdgroep DL af. Binnen hoofdgroep D is functietypering D3 ingedeeld in salarisschaal 12. Deze functietypering betreft specialistische en senioradviesfuncties waarbij sprake is van werkzaamheden met betrekking tot complexe taken, bijzondere opdrachten of gespecialiseerd project- of procesmanagement. De desbetreffende functies vereisen een academisch niveau. Appellant heeft geen academische opleiding afgerond of gevolgd. Hij heeft een l-opleiding voltooid en heeft enkele beroepsgerichte cursussen en opleidingen gevolgd. De staatssecretaris is ervan uitgegaan dat in ieder geval één daarvan op hbo-niveau was. Appellant heeft in dit verband naar voren gebracht dat hij in het begin van zijn loopbaan snel carrière heeft gemaakt en dat het mede op basis daarvan aannemelijk is dat hij minstens naar een functie met salarisschaal 12 zou zijn doorgegroeid. Hierin volgt de Raad appellant niet. Vanaf 1993 tot 2000 werkte appellant bij de [werkgever 2] als [functie 3] . Deze functie was gewaardeerd op salarisschaal 10. Van 2000 tot 2003 werkte hij bij achtereenvolgens [naam woningbouwvereniging] en [naam B.V.] in functies die in het verlengde van zijn functie bij de gemeente lagen. Ten tijde van de ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [naam B.V.] per 1 november 2003 was appellant bijna 46 jaar. Het geheel overziend zijn er onvoldoende aanknopingspunten om op basis van de door appellant gevolgde opleidingen en zijn werkervaring uit te gaan van academisch niveau en, in het verlengde daarvan, van een verdere doorgroei naar een functie met salarisschaal 12. Hieraan doet niet af dat het een prestatie is die bewondering afdwingt dat appellant jarenlang, ondanks zijn PTSS, kans heeft gezien zijn werk te doen.



4.5.
De Raad volgt de rechtbank ook in haar oordeel dat appellant niet heeft onderbouwd dat hij na indiensttreding bij [naam woningbouwvereniging] respectievelijk [naam B.V.] een salaris verdiende dat hoger was dan gemeentelijke salarisschaal 10. Appellant heeft in dit verband verwezen naar de in deze zaak uitgebrachte letselschaderapporten, namelijk het in 1.3 genoemde rapport van 15 december 2022 van NRL en het rapport van 5 mei 2022 van het door appellant ingeschakelde De Bureaus. Anders dan appellant stelt, blijkt uit die rapporten niet dat het jaarinkomen uit arbeid in de periode vanaf 2000 is gestegen. Daarbij verwijst de Raad naar de in deze rapporten opgenomen tabellen waarin een overzicht is gegeven van het jaarinkomen van appellant in de jaren 1998 en verder.



4.6.
Tot slot kan de Raad zich verenigen met het oordeel van de rechtbank dat er geen grond is voor compensatie van de door appellant gemiste opbouw in het kader van de AOW vanwege zijn verhuizing naar Spanje. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank waarop dat oordeel berust en voegt daar nog het volgende aan toe. Dat de staatssecretaris de verhuiskosten in verband met de verhuizing naar Spanje heeft vergoed, maakt niet dat hij ook de gemiste AOW-opbouw zou moeten vergoeden. Uit de stukken blijkt namelijk dat de staatssecretaris de verhuiskosten uit coulance heeft vergoed en niet omdat hij voor de verhuizing een medische noodzaak in verband met de dienstverbandaandoening van appellant (de PTSS) heeft aangenomen.





Conclusie en gevolgen


4.7.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het bedrag aan schadevergoeding zoals dat bij het bestreden besluit is toegekend, gehandhaafd blijft.

5. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.





BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door Y. Sneevliet als voorzitter en K.H. Sanders en B. Serno als leden, in tegenwoordigheid van B.F.C. Wiedenhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 april 2026.






Posttraumatische stressstoornis.


Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.


Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten.


Nederlands Rekencentrum Letselschade.


Verwezen is naar de uitspraak van 30 november 2021 van het Gerechtshof Den Haag, ECLI:NL:GHDHA:2021:2391.


Hoger beroepsonderwijs.


Zie onder meer de uitspraak van 16 mei 2018 van de Raad, ECLI:NL:CRVB:2018:1466.


Zie onder meer het arrest van 12 april 2024 van de Hoge Raad, ECLI:NL:HR:2024:568.


Lagere technische school.


Algemene Ouderdomswet.
Link naar deze uitspraak