|
|
|
| ECLI:NL:RBZWB:2026:2595 | | | | | Datum uitspraak | : | 05-03-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 10-04-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Zeeland-West-Brabant | | Zaaknummers | : | C/02/444681 / JE RK 26-20 C/02/444681 / JE RK 26-20 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | verlenging ots voor 6 maanden onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek. | | Trefwoorden | : | burgerlijk wetboek | | | | Uitspraak | RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/444681 / JE RK 26-205
Datum uitspraak: 5 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, gevestigd te Amsterdam Zuidoost,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2015 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. M. Kalle te Middelburg,
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. W. Tiggelaar te Middelburg.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 3 februari 2026;
het door de GI ingediende plan van aanpak, ingekomen op 20 februari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 5 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat,
- twee vertegenwoordigsters van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
1.4.
Met bijzondere toestemming van de kinderrechter was ook de begeleidster van
[minderjarige] , mevrouw [persoon] , van [hulpverlening 1] bij de zitting
aanwezig.
2De feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij zijn moeder.
2.3.
Bij beschikking van 13 juni 2019 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI
met ingang van 13 juni 2019 tot 13 juni 2020. Deze maatregel is daarna steeds verlengd,
voor het laatst tot 13 maart 2026.
2.4.
Bij beschikking van 10 juni 2022 is de zorgregeling zoals vastgelegd in de
beschikking van 17 september 2018 als volgt gewijzigd:
- [minderjarige] verblijft een weekend per veertien dagen van vrijdag 17:00 uur tot zondag
17:00 uur bij de vader, te beginnen op 17 juni 2022. Op het moment dat vader- of
moederdag in het weekend van de andere ouder valt, wordt er een weekend geruild;
- [minderjarige] verblijft eens in de veertien dagen, voorafgaand aan een weekeinde waarin
hij bij de moeder verblijft, van vrijdagmiddag uit school tot vrijdagavond 19:00 uur bij
de vader. Op de dinsdagavond voorafgaand aan deze vrijdag laat de vader aan de
moeder weten of dit contactmoment doorgang kan vinden;
- [minderjarige] heeft belcontact met de vader op woensdagavond tussen 18:00 uur en 18:30
uur.
- Tevens is er eens in de veertien dagen belcontact op de vrijdagavond dat [minderjarige] niet
bij de vader is terwijl hij hier volgens de regeling wel zou zijn;
- [minderjarige] verblijft gedurende de helft van de reguliere schoolvakanties en de erkende
feestdagen bij de vader. De GI maakt in dit kader in januari een verdeling voor het
betreffende jaar;
- Verdere afspraken worden gemaakt in onderling overleg tussen de ouders en de GI.
2.5.
Bij beschikking van 8 maart 2024 is de beslissing ten aanzien van het verzoek tot
wijziging van de opvoed- en zorgtaken aangehouden tot 16 mei 2024 pro forma, met het
verzoek aan de GI om te rapporteren over de stand van zaken en daarbij te berichten of er
behoefte is aan een nadere mondelinge behandeling.
2.6.
Bij beschikking van 31 mei 2024 is de beslissing ten aanzien van het verzoek tot
wijzigen van de opvoed- en zorgtaken van de GI aangehouden tot vrijdag 29 november 2024
pro forma, met het verzoek aan de GI om te rapporteren over de stand van zaken en daarbij
te berichten of er behoefte is aan een nieuwe mondelinge behandeling.
2.7.
Bij beschikking van 5 juni 2025 heeft de kinderrechter bepaald dat onder wijziging van de beschikking van beschikking van 10 juni 2022 dat in het kader van de zorgregeling de vader en [minderjarige] gerechtigd zijn tot contact met elkaar gedurende één weekend per veertien dagen van vrijdag 18.00 uur tot zondag 18.00 uur, alsmede gedurende de helft van de feestdagen en vakanties in onderling overleg tussen de ouders te bepalen.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4De standpunten
4.1.
De GI handhaaft tijdens de zitting het verzoek. Volgens de GI gaat het over het algemeen goed met [minderjarige] . Hij is een vrolijke jongen en functioneert goed op school. Tegelijkertijd zijn er zorgen over zijn gedrag, omdat hij nog regelmatig boos en agressief kan reageren. Dit wordt met name door de moeder ervaren na de contactmomenten met de vader. [minderjarige] heeft eerder een traject bij [hulpverlening 2] afgerond en ontvangt op dit moment ondersteuning op school. De GI acht verdere hulpverlening nog noodzakelijk. In dat kader is een traject parallel solo ouderschap aangevraagd met als doel dat de ouders betere afspraken leren maken en de spanningen tussen hen te verminderen, zodat er meer rust en stabiliteit voor [minderjarige] ontstaat. Volgens de GI heeft dit traject tijd nodig ook vanwege een wachtlijst. Daarom acht de GI een verlenging van de ondertoezichtstelling voor een jaar passend zodat in die periode met de ouders kan worden gewerkt aan structurele verbetering en mogelijk kan daarna worden toegewerkt naar een vrijwillig kader.
4.2.
Door en namens de moeder wordt tijdens de zitting aangegeven dat zij akkoord is met het verzoek van de GI. Een verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar biedt rust en duidelijkheid. Ook het traject parallel solo ouderschap heeft tijd nodig om effectief te kunnen zijn, ook gezien de bestaande wachtlijst. Volgens de moeder is een verlenging voor een kortere periode daarom niet passend. Verder merkt de moeder op dat het goed gaat met [minderjarige] . Soms kan hij wel druk zijn en agressief gedrag laten zien. Dit gedrag baart de moeder zorgen. De moeder ervaart steun van de GI en vindt het belangrijk dat er verdere hulpverlening wordt ingezet. Zij staat positief tegenover het traject parallel solo ouderschap, omdat dit kan helpen bij het maken van duidelijke afspraken tussen de ouders en bij het verminderen van spanningen.
4.3.
Door en namens de vader wordt tijdens de zitting aangegeven dat hij akkoord is met een verlenging van de ondertoezichtstelling, maar dat een periode van een jaar te lang is, zeker gelet op het feit dat de ondertoezichtstelling al bijna zeven jaar loopt. De vader verzoekt de ondertoezichtstelling voor zes maanden te verlengen onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek. Over zes maanden kan worden geëvalueerd of er daadwerkelijk stappen zijn gezet onder meer in het traject parallel solo ouderschap en in de samenwerking tussen de ouders. Verder merkt de vader op dat het goed gaat met [minderjarige] als hij bij hem verblijft. Tijdens de weekenden bij hem thuis geniet [minderjarige] onder meer van activiteiten zoals quad- en motorcross rijden. De vader herkent het agressieve gedrag dat volgens de moeder thuis voorkomt niet in zijn eigen thuissituatie. De vader staat open voor hulpverlening en staat ook positief tegenover het traject parallel solo ouderschap. Hij merkt hierover op dat hierover al langere tijd wordt gesproken door de GI zonder dat dit daadwerkelijk van start is gegaan. De vader vindt het belangrijk dat hij als ouder meer gelijkwaardig wordt betrokken bij belangrijke zaken rondom [minderjarige] bijvoorbeeld bij school en activiteiten.
4.4.
[minderjarige] geeft in het gesprek met de kinderrechter aan dat het goed met hem gaat. Hij zit in groep 6, heeft een leuke klas en vindt school leuk. Volgens [minderjarige] gaat het thuis bij zijn moeder ook goed. Hij woont daar samen met zijn broertjes en zusje. [minderjarige] gaat eens in de twee weken een weekend naar zijn vader. Hij vindt het leuk om bij zijn vader te zijn en daar samen activiteiten te doen zoals rijden op zijn quad of crossmotor. Ook wanneer hij bij zijn moeder is, heeft hij contact met zijn vader. [minderjarige] heeft verteld dat hij thuis soms boos kan worden bijvoorbeeld wanneer hij ruzie heeft met zijn broer. Hij geeft aan dat hij hierover kan praten met zijn moeder en dat hij op school ondersteuning krijgt van iemand met wie hij hierover kan praten. [minderjarige] heeft aangegeven dat hij de jeugdbeschermer aardig vindt en dat hij het goed vindt als zij nog een tijd betrokken blijft.
5De beoordeling
Wettelijk kader
5.1.
Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de
kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van
de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.2.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een
minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die
minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de
minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of
onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen
binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te
achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel
1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
De beoordeling
5.3.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van
de ondertoezichtstelling is voldaan. Het verzoek zal dan ook worden toegewezen. De kinderrechter zal echter de duur van de verlenging beperken tot zes maanden. Het resterende deel van het verzoek zal worden aangehouden. De kinderrechter licht dit als volgt toe.
5.4.
De kinderrechter constateert dat er nog steeds sprake is van een ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] en dat nog niet alle doelen zijn behaald. Uit de stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting blijkt dat [minderjarige] een gevoelige jongen is die veel heeft meegemaakt. Hij is in het verleden getuige geweest van conflicten tussen zijn ouders en heeft nog steeds last van de spanningen tussen hen. De ouders kunnen niet rechtstreeks met elkaar communiceren en het contact verloopt via de hulpverlening. Hierdoor blijft [minderjarige] in zekere mate belast met de situatie tussen zijn ouders. Daarnaast laat [minderjarige] gedrag zien dat zorgen oproept. Hij kan boos en impulsief reageren en thuis soms agressief gedrag laten zien, zoals het vernielen van spullen of het uiten van dreigende taal. Met name na weekenden bij zijn vader heeft hij moeite om weer tot rust te komen.
5.5.
Tegelijkertijd ziet de kinderrechter ook positieve ontwikkelingen. Er is meer duidelijkheid gekomen over de omgangsregeling en over hoe de week van [minderjarige] eruitziet. Deze structuur heeft voor meer rust gezorgd bij [minderjarige] . Beide ouders zijn betrokken bij hun zoon en werken mee aan de nodige hulpverlening. Ook wordt gewerkt aan verdere ondersteuning onder meer door de inzet van het traject parallel solo ouderschap dat gericht is op het verbeteren van de samenwerking tussen de ouders en het maken van duidelijke afspraken.
5.6.
De kinderrechter stelt vast dat de ondertoezichtstelling inmiddels al bijna zeven jaar duurt. Dat is een lange periode. Het valt de kinderrechter bovendien op dat de zorgen die nu worden besproken grotendeels dezelfde zijn als die in eerdere beschikkingen, evenals de voorgenomen in te zetten hulp. De kinderrechter vindt echter dat hulpverlening nog nodig is. Het is belangrijk dat de ouders leren om hun ouderschap op een stabiele en voorspelbare manier vorm te geven en dat [minderjarige] minder last heeft van de spanningen tussen hen. Vanwege het voorgaande vindt de kinderrechter het belangrijk om de vinger aan de pols te houden en zal daarom de ondertoezichtstelling verlengen voor een periode van zes maanden. Het resterende deel van het verzoek wordt aangehouden. Op deze manier ontstaat er een tussentijds toetsmoment zodat kan worden bekeken welke stappen in de komende maanden worden gezet, of het traject parallel solo ouderschap is gestart en hoe de samenwerking tussen de ouders zich ontwikkelt. Ook kan dan worden beoordeeld of kan worden toegewerkt naar een afronding van de ondertoezichtstelling en borging van de gemaakte afspraken in het vrijwillig kader.
5.7.
Tot slot geeft de kinderrechter aan de GI mee dat het ook van belang is dat de vader meer gelijkwaardig betrokken wordt bij belangrijke zaken in het leven van [minderjarige] , zoals activiteiten op school.
5.8.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5.9.
Dit leidt tot de volgende beslissing.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van zes maanden, te weten met ingang van 13 maart 2026 en tot 13 september 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
houdt het resterende deel van het verzoek aan tot een nader te bepalen zitting begin september 2026 bij de kinderrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg;
6.4.
verzoekt de GI om uiterlijk twee weken voorafgaand aan de nadere zitting een schriftelijke update in de vorm van een briefverslag in te dienen, onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift aan de (advocaten van) de ouders;
6.5.
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2026 door mr. Zuijdweg, kinderrechter, in aanwezigheid van Van Dijke als griffier, en op schrift gesteld op 17 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|