|
|
|
| ECLI:NL:RBNHO:2026:2495 | | | | | Datum uitspraak | : | 10-03-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 10-04-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Noord-Holland | | Zaaknummers | : | AWB - 25 _ 4016 | | Rechtsgebied | : | Belastingrecht | | Indicatie | : | Niet-ontvankelijk wegens te late dagtekening en ontvangst beroepschrift. | | Trefwoorden | : | belastbaar inkomen uit werk en woning | | | inkomstenbelasting | | | uitkering | | | verzamelinkomen | | | | Uitspraak | Rechtbank noord-holland
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/4016
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 maart 2026 in de zaak tussen
[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser,
en
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Eindhoven, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2021 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 32.923.
Eiser heeft tegen de aanslag IB/PVV 2021 bezwaar gemaakt.
Bij uitspraak op bezwaar heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Tevens is bij gelijktijdig genomen beschikking het verzoek om ambtshalve vermindering afgewezen.
Eiser heeft tegen de beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV 2021 bezwaar gemaakt.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar dit bezwaar afgewezen.
Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2026 te Haarlem.
Eiser is, zonder bericht van verhindering, niet verschenen. Eiser procedeert digitaal. De rechtbank heeft voorafgaand aan de zitting onderzocht of eiser behoorlijk is uitgenodigd voor de zitting, zodat het onderzoek kan worden voltooid. De griffier heeft de uitnodiging voor de zitting op 16 januari 2026 in Mijn Rechtspraak geplaatst en heeft eiser, onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Tegelijk is aan eiser op 16 januari 2026 om 11:17 uur hiervan een notificatiebericht gestuurd. Eiser is derhalve tijdig en op de door de wet voorgeschreven wijze uitgenodigd om op de zitting te verschijnen, zodat de zitting heeft kunnen doorgaan. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] en mr. [naam 2] .
Eiser heeft na sluiting van het onderzoek nadere stukken ingediend. De rechtbank ziet hierin geen aanleiding tot heropening van het onderzoek.
Overwegingen
Feiten
1. Eiser heeft in 2021 een uitkering in het kader van de Participatiewet genoten bij de gemeente [woonplaats] ten bedrage van € 32.923. In dit bedrag is een nabetaling over de periode februari 2020 tot en met mei 2021 van € 16.376 begrepen.
2. Met dagtekening 20 januari 2023 heeft eiser de aangifte IB/PVV 2021 ingediend. Het aangegeven verzamelinkomen bedraagt € 32.923 en bestaat volledig uit de uitkering van de gemeente [woonplaats] .
3. Met dagtekening 14 maart 2023 heeft verweerder de aanslag IB/PVV 2021 definitief vastgesteld. Het verzamelinkomen is conform de aangifte vastgesteld op € 32.923. Dit heeft geleid tot een te betalen bedrag van € 732, inclusief € 23 aan belastingrente.
4. Eiser heeft op 10 juli 2023 een bezwaarschrift ingediend tegen de aanslag IB/PVV 2021, waarbij het bezwaar zich richt tegen de hoogte van het vastgestelde inkomen.
5. Bij uitspraak op bezwaar van 17 februari 2025 heeft verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder heeft het bezwaar tevens aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering en dit verzoek afgewezen.
6. Eiser heeft bij bezwaarschrift van 28 februari 2025 bezwaar ingesteld tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV 2021 als bedoeld in artikel 9.6 van de Wet IB 2001.
7. Op 6 juni 2025 heeft eiser een herziene aangifte ingediend met een aangegeven verzamelinkomen van € 16.002, geheel bestaande uit loon uit vroegere dienstbetrekking bij de gemeente [woonplaats] .
8. Op 19 juni 2025 heeft tussen eiser en verweerder een hoorgesprek plaatsgevonden.
9. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 8 juli 2025 het bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV 2021 ongegrond verklaard.
10. Bij brief van 20 augustus 2025 heeft verweerder aan eiser toelichting gegeven op de massaalbezwaarprocedure voor zover deze betrekking heeft op het onderdeel belastingrente.
11. Met zijn brief met dagtekening 21 augustus 2025 heeft eiser bij de rechtbank beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar van 8 juli 2025.
Geschil 12. In geschil is of het beroep van eiser ontvankelijk is. Indien deze vraag bevestigend moet worden beantwoord, is in geschil of verweerder het vastgestelde inkomen ten onrechte niet heeft verminderd.
13. Eiser stelt dat zijn brief tijdig had moeten aankomen, gelet op de datum van versturing. Tevens stelt eiser dat hij last heeft gehad van groepstalken. Over de hoogte van de aanslag voert eiser aan dat een deel van de inkomsten uit de uitkering in 2020 had moeten worden meegenomen. Hierdoor had het in 2021 in aanmerking genomen inkomen lager moeten zijn dan bij de vaststelling van de aanslag is toegepast. Eiser stelt dat de herziene aangifte als uitgangspunt moet worden genomen. Hij concludeert tot gegrondverklaring van het beroep.
14. Verweerder stelt dat het beroepschrift niet tijdig is ingediend en dat er geen verschoonbare omstandigheden zijn. Het genietingsmoment van de nabetaling van € 16.376 ligt in 2021, zodat de aanslag correct is vastgesteld. Het onderdeel belastingrente valt onder de massaalbezwaarprocedure. Concluderend stelt verweerder dat het beroep niet-ontvankelijk is en, indien ontvankelijk, ongegrond.
Beoordeling van het geschil
15. Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken. Deze termijn vangt ingevolge artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen aan op de dag na die van dagtekening van de uitspraak op bezwaar, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking. Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is het beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Ingevolge het tweede lid van dat artikel is het beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.
16. De dagtekening van de bestreden uitspraak op bezwaar is 8 juli 2025. Gesteld noch gebleken is dat de uitspraak op bezwaar pas na die datum is verzonden, zodat de termijn voor het indienen van het beroepschrift eindigde op 19 augustus 2025. Op het beroepschrift staat als datum 21 augustus 2025, wat ná het verstrijken van de termijn ligt. Eisers stelling dat de brief tijdig had moeten aankomen gezien de datum van verzending, waarbij eiser kennelijk stelt dat hij de brief op de datum van de dagtekening (21 augustus 2025) heeft verzonden, is hierdoor feitelijk onjuist. Zelfs bij verzending op de uiterste dag van de beroepstermijn (19 augustus 2025) had het beroepschrift, conform artikel 6:9, tweede lid, van de Awb, uiterlijk op 26 augustus 2025 door de rechtbank moeten zijn ontvangen om tijdig te zijn. Nu de rechtbank het beroepschrift echter pas op 27 augustus 2025 heeft ontvangen, kan niet worden gesteld dat het beroepschrift tijdig is ingediend. De rechtbank oordeelt dat de door eiser genoemde omstandigheid van groepstalken niet leidt tot een verschoonbare termijnoverschrijding, nu eiser niet nader heeft toegelicht wat dit inhoudt.
17. Gelet op het voorgaande moet het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit betekent dat de rechtbank niet toekomt aan de beoordeling of verweerder met een lager inkomen rekening had moeten houden.
Proceskosten
18. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.K.A. Efstratiades, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Brons, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep). | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|