Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBDHA:2026:7547 
 
Datum uitspraak:02-04-2026
Datum gepubliceerd:13-04-2026
Instantie:Rechtbank Den Haag
Zaaknummers:12084360 RL EXPL 26-3294
Rechtsgebied:Arbeidsrecht
Indicatie:Kort geding. Doorbetaling loon bij ziekte in geval van situatieve arbeidsongeschiktheid. Verschil art. 7:628 en 7:629 BW. De vordering tot betaling van achterstallig loon en toekomstig loon wordt toegewezen.
Trefwoorden:arbeidsconflict
arbeidsovereenkomst
burgerlijk wetboek
levensonderhoud
 
Uitspraak
RECHTBANK
DEN HAAG


Civiel recht
Kantonrechter

Zittingsplaats Den Haag

MV/bc

Zaaknummer: 12084360 \ RL EXPL 26-3294


Vonnis in kort geding van 2 april 2026


in de zaak van



[eisende partij]
,
wonende in de gemeente [woonplaats] ,
eisende partij,
gemachtigde: mr. N.M. Fakiri,

tegen


MAREK VASTGOED INVESTMENT B.V.,
gevestigd te Maasdijk,
gedaagde partij,
gemachtigde: mr. M.J. van Basten Batenburg.

Partijen worden hierna aangeduid als [eisende partij] en MVI.




1De procedure


1.1.
De kantonrechter heeft kennis genomen van:
- de dagvaarding van 11 februari 2026 met 21 producties;- de conclusie van antwoord met 4 producties; en- productie 22 zijdens eiser.



1.2.
De mondelinge behandeling is bepaald op 19 maart 2026. Het verzoek tot uitstel van de mondelinge behandeling door de heer [naam 1] , bestuurder van MVI, is niet gehonoreerd omdat het verzoek niet is gedaan door de gemachtigde van MVI. Op de mondelinge behandeling is [eisende partij] verschenen, bijgestaan door mr. N.M. Fakiri, en namens gedaagde waren mr. M.J. van Basten Batenburg en mr. A.B. Borsboom aanwezig. Bij de mondelinge behandeling heeft de gemachtigde van [eisende partij] spreekaantekeningen overgelegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er op de zitting besproken is. Vonnis is bepaald op 2 april 2026.





2De feiten


2.1.

[eisende partij] is sinds 1 juni 2023 in dienst van MVI op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. De ABU CAO is van toepassing.



2.2.
Het salaris van [eisende partij] bedraagt € 1.953,-- bruto per maand exclusief emolumenten.



2.3.
Op 27 augustus 2025 heeft [eisende partij] zich ziek gemeld. [eisende partij] heeft sindsdien geen werkzaamheden meer voor MVI verricht.



2.4.
In een eerdere procedure heeft [eisende partij] MVI gedagvaard in kort geding en onder meer betaling gevorderd van achterstallig salaris en een veroordeling van MVI om het loon van [eisende partij] door te betalen zolang de arbeidsovereenkomst van [eisende partij] niet rechtsgeldig is beëindigd. Op 28 oktober 2025 heeft MVI het salaris over augustus en september 2025 betaald. Op 31 oktober 2025 heeft de mondelinge behandeling in de eerdere procedure plaatsgevonden. Uit het proces-verbaal van die zitting volgt dat MVI heeft toegelicht dat het loon in de toekomst wel zal worden voldaan.



2.5.
Op 12 december 2025 heeft [eisende partij] een gesprek gehad met de arbodienst ADD Arbo. De arbodienst heeft een probleemanalyse en advies voor de aanpak van de re-integratie opgesteld (hierna: het rapport). In het rapport staat dat [eisende partij] medische klachten heeft door een werkgerelateerde oorzaak, te weten een arbeidsconflict. Het advies is om dit conflict op te lossen en een vervolgplan op te stellen afhankelijk van de uitkomsten daarvan.



2.6.
De arbodienst heeft het rapport op 12 december 2025 aan MVI toegezonden. In de begeleidende brief bij het rapport adviseert de arbodienst MVI om het plan van aanpak vóór de 8e ziekteweek op te stellen.



2.7.
Op 29 januari 2026 heeft de heer [naam 2] , werkzaam bij de arbodienst, aan MVI een e-mail gestuurd waarin ingegaan wordt op het rapport en het plan van aanpak.



2.8.
Op 29 januari 2026 heeft de gemachtigde van [eisende partij] aan MVI een e-mail gestuurd waarin hij verzoekt om mediation in te zetten. Op 30 januari 2026 heeft de heer [naam 1] namens MVI op die e-mail gereageerd dat hij geen aanleiding ziet om mediation in te zetten en dat daartoe ook geen verplichting bestaat.



2.9.
Op 30 januari 2026 heeft MVI de arbodienst per e-mail verzocht om [eisende partij] hersteld te melden.



2.10.
Op 20 februari 2026 heeft de gemachtigde van [eisende partij] aan MVI een e-mail gestuurd waarin hij benadrukt dat [eisende partij] tot op heden ziek en arbeidsongeschikt is en dat haar klachten zijn toegenomen. De gemachtigde verzoekt om [eisende partij] weer op te roepen bij de bedrijfsarts.





3Vordering, verweer en grondslag


3.1.

[eisende partij] vordert – samengevat – om bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, MVI te veroordelen tot betaling van € 8.258,43 bruto ter zake van het achterstallig loon en wettelijke verhoging, en om het loon te blijven betalen zolang de arbeidsovereenkomst voortduurt, met veroordeling van MVI in de proceskosten.



3.2.

[eisende partij] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [eisende partij] stelt dat zij sinds 27 augustus 2025 ziek is en als gevolg daarvan niet heeft kunnen werken. Zij maakt aanspraak op 90% van het loon en de wettelijke verhoging wegens de vertraging in de voldoening van het loon. Het loon is vanaf november 2025 niet voldaan. De eerdere toezegging van MVI om het toekomstige loon te zullen blijven voldoen, is niet nagekomen, zodat [eisende partij] ook in deze procedure veroordeling tot betaling van toekomstige loonbetalingen vordert.



3.3.
De spoedeisendheid van haar vordering blijkt volgens [eisende partij] uit de aard van de vordering. [eisende partij] is ziek en arbeidsongeschikt en kan niet voorzien in haar levensonderhoud.



3.4.
MVI voert verweer. MVI concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eisende partij] , kosten rechtens.



3.5.
MVI voert aan dat [eisende partij] niet ziek en niet arbeidsongeschikt is. Er is volgens MVI sprake van situatieve arbeidsongeschiktheid door een vermeend arbeidsconflict. Voor zover sprake is van een arbeidsconflict heeft [eisende partij] dat aan zichzelf te wijten door zich niet te houden aan afspraken en haar taken niet adequaat uit te voeren. Het niet verrichten van de overeengekomen arbeid moet in redelijkheid voor rekening van [eisende partij] komen. De werkgever is niet gehouden tot doorbetaling van het loon.



3.6.
Een geval van situatieve arbeidsongeschiktheid is volgens MVI naar haar aard zodanig complex dat dit zich niet leent voor een procedure in kort geding.



3.7.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.





4Beoordeling


4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [eisende partij] daarbij een spoedeisend belang heeft. De kantonrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.


spoedeisend belang




4.2.
Het spoedeisende belang van [eisende partij] is voldoende aannemelijk geworden, nu tussen partijen niet in geschil is dat er sprake is van een arbeidsverhouding voor onbepaalde tijd en de vordering betaling van achterstallig loon betreft, dat [eisende partij] nodig heeft om te voorzien in haar levensonderhoud.


loondoorbetaling bij situatieve arbeidsongeschiktheid




4.3.
Vast staat dat [eisende partij] vanaf 27 augustus 2025 geen werk verricht heeft.



4.4.
Bij de beoordeling van een vordering tot doorbetaling van het loon, in het geval er geen werk verricht wordt, moeten de volgende twee situaties worden onderscheiden. Artikel 7:629 van het Burgerlijk Wetboek (BW) voorziet in een recht op loonbetaling wanneer de werknemer door ziekte (arbeidsongeschiktheid) niet kan werken. Artikel 7:628 BW regelt het recht op loondoorbetaling in geval de werknemer niet arbeidsongeschikt is, maar desondanks niet werkt.



4.5.
Partijen zijn het er over eens dat er sprake is van een arbeidsconflict. [eisende partij] heeft dit bij de arbodienst aangegeven en in haar processtukken. MVI heeft in de conclusie van antwoord nog betwijfeld of er sprake was van een arbeidsconflict maar uit de toelichting ter zitting blijkt dat ook MVI van mening is dat er sprake is van een arbeidsconflict.



4.6.
Als er sprake is van (dreigende) ziekte ten gevolge van de werksfeer, zoals in het geval van een arbeidsconflict, dan wordt dat “situatieve arbeidsongeschiktheid” genoemd. Situatieve arbeidsongeschiktheid kan zowel een rol spelen in de context van artikel 7:628 BW als van artikel 7:629 BW. Als de werknemer ziek is als gevolg van het arbeidsconflict dan wordt de loonvordering beoordeeld op grond van artikel 7:629 BW. Is de werknemer niet ziek, maar is slechts sprake van dreigende psychische of lichamelijke klachten als gevolg van dat arbeidsconflict, dan kan sprake zijn van een geval als bedoeld in artikel 7:628 BW.



4.7.
Wat partijen verdeeld houdt, is het antwoord op de vraag of [eisende partij] ziek is. De arbodienst heeft in het rapport van 12 december 2025 opgenomen:

“5.3 Reden(en) van het verzuim
(…)
Anders, als gevolg van medische klachten door een werkgerelateerde oorzaak.
(…)


6.1

Beperkingen

Klachten als gevolg van een arbeidsconflict.”

Uit de bewoordingen “medische klachten” volgt dat [eisende partij] ziek is.



4.8.
Uit het rapport van de arbodienst blijkt verder dat de medische klachten het gevolg zijn van een werkgerelateerde oorzaak, namelijk een arbeidsconflict. Anders dan MVI betoogt, doet dit aan de vaststelling dat sprake is van ziekte, niet af. Zoals hierboven besproken kan het zo zijn dat een arbeidsconflict slechts leidt tot een ‘dreiging van ziekte’ maar het kan ook zo zijn dat een arbeidsconflict daadwerkelijk leidt tot ziekte, zoals in dit geval. De conclusies die MVI in haar conclusie van antwoord trekt uit het arrest Mak/SGBO volgt de kantonrechter niet. In door MVI aangehaalde rechtsoverweging 3.5.2 uit dat arrest blijkt dat het in dat geval ging om een werknemer bij wie “geen medische beperkingen van psychische of fysieke aard kunnen worden vastgesteld, zodat van arbeidsongeschiktheid ten gevolge van ziekte in de zin van artikel 7:629 BW geen sprake is”. Dat is in de onderhavige zaak anders, omdat [eisende partij] ziek is.



4.9.
Ter zitting is nog discussie gevoerd over de vraag of de e-mail van de medewerker van de arbodienst van 29 januari 2026 gezien moet worden als een nieuwe rapportage, waardoor het rapport van 12 december 2025 achterhaald zou zijn. Anders dan MVI betoogt, is dit niet het geval. De e-mail verwijst met de woorden “uit deze beoordeling is gebleken dat er sprake is van situatieve arbeidsongeschiktheid” immers expliciet terug naar de beoordeling die op 12 december 2025 is gemaakt. Na 12 december 2025 is [eisende partij] ook niet meer gezien door de arbodienst. De gemachtigde van [eisende partij] heeft onweersproken gesteld dat de afzender van de e-mail geen arts is, maar een servicemedewerker van de arbodienst. De e-mail van 29 januari 2026 is dus geen nieuwe rapportage. Uit die email volgt, anders dan MVI betoogt, ook niet dat [eisende partij] niet (langer) ziek zou zijn. Het feit dat de term “situatieve arbeidsongeschiktheid” in die e-mail wordt genoemd, maakt dat niet anders, want ook bij ziekte kan sprake zijn van situatieve arbeidsongeschiktheid, zoals hierboven is uiteengezet. Dit betekent dat de vorderingen tot betaling van 90% van het loon in beginsel toewijsbaar zijn. Daarover overweegt de kantonrechter nog als volgt.


reeds opeisbaar loon




4.10.
MVI is gehouden om 90% van het loon van [eisende partij] te voldoen over de periode dat [eisende partij] ziek is, zulks op grond van artikel 7:629 BW in samenhang bezien met de CAO. De vordering tot betaling van 90% van het loon over de maanden november 2025, december 2025 en januari 2026 wordt toegewezen, ten bedrage van (€ 1.953 * 3 * 90%) € 5.273,10.



4.11.
Ten aanzien van de periode daarna is inmiddels ook het loon over de maanden februari 2026 en maart 2026 opeisbaar, zodat ook dat worden toegewezen ten bedrage van (€ 1.953 * 2 * 90%) € 3.515,40.


wettelijke verhoging




4.12.

[eisende partij] heeft aanspraak gemaakt op wettelijke verhoging op grond van artikel 7:625 BW. Over de periode november 2025 tot en met januari 2025 is de aanspraak maximaal 50% van het verschuldigde loon op grond van artikel 7:625 BW.



4.13.
De kantonrechter heeft de bevoegdheid de wettelijke verhoging te matigen. De kantonrechter kijkt daarvoor naar de omstandigheden van dit geval. De kantonrechter constateert ten eerste dat MVI de toezegging uit de vorige procedure, om het loon te zullen doorbetalen, niet is nagekomen. MVI heeft het loon zonder voorafgaande aankondiging opnieuw opgeschort, zodat [eisende partij] genoodzaakt was om opnieuw een kort gedingprocedure te starten. Ten tweede stelt de kantonrechter vast dat MVI de arbodienst niet goed heeft geïnstrueerd. Het rapport van de arbodienst is niet binnen 6 weken na ziekmelding opgesteld vanwege een late aanmelding door MVI, zoals vermeld in paragraaf 12 van het rapport. MVI heeft [eisende partij] op 30 januari 2026 bovendien ten onrechte hersteld gemeld waardoor de arbodienst kennelijk het dossier gesloten heeft, terwijl [eisende partij] nog ziek is en het dus van belang is dat de arbodienst bij de situatie betrokken blijft. Ook na het verzoek van de gemachtigde van [eisende partij] van 20 februari 2026 heeft MVI de arbodienst niet (opnieuw) ingeschakeld. Dat klemt temeer, nu de gemachtigde van MVI ter zitting heeft gesteld dat het aan [eisende partij] zou zijn om zich te wenden tot de arbodienst voor een second opinion. Ten derde constateert de kantonrechter dat MVI de instructies van de arbodienst niet heeft opgevolgd: zo heeft MVI nog altijd geen plan van aanpak opgesteld, hoewel MVI er door de arbodienst op is gewezen dat dit vóór de achtste ziekteweek moest zijn gebeurd, en blijkt ook nergens uit dat MVI stappen heeft gezet om het arbeidsconflict op te lossen. Het afwijzen van het voorstel tot mediation van werknemer, zonder zelf een alternatief voor te stellen, is in dat kader weinig constructief te noemen.



4.14.
Gelet op de wijze waarop MVI de situatie met [eisende partij] tot nu toe heeft aangepakt, ziet de kantonrechter geen aanleiding om de wettelijke verhoging te matigen en wordt die dus tot het maximum toegewezen.



4.15.
De verhoging van 50% over de periode november 2025 tot en met januari 2025 bedraagt (€ 5.273,10 * 50%) € 2.636,55.



4.16.
Ten aanzien van het loon over februari 2026 gaat de kantonrechter ervan uit dat dat per 1 maart 2026 opeisbaar is geworden (zie artikel 7:623 BW). De maximale wettelijke verhoging bedraagt tot en met de dag van de zitting maximaal 31%, te weten (€ 1.953 * 31%) € 605,43.



4.17.
Ten aanzien van het loon over maart 2026 geldt dat dat pas per 1 april 2026 opeisbaar is geworden zodat op het moment van uitspreken van dit vonnis nog geen wettelijke verhoging van toepassing is.


toekomstig loon




4.18.
Ten aanzien van de periode na maart 2026 overweegt de kantonrechter als volgt. [eisende partij] vordert veroordeling van MVI om het loon van [eisende partij] te blijven betalen zolang de arbeidsovereenkomst van [eisende partij] voortduurt. In het onderhavige kort geding wordt MVI voor de tweede keer veroordeeld tot betaling van achterstallig loon aan [eisende partij] , waardoor de vrees gerechtvaardigd is dat MVI ook in de toekomst het loon niet zal voldoen. De kantonrechter zal MVI daarom veroordelen om het loon in het vervolg tijdig te voldoen. Die vordering wordt toegewezen voor de periode van april tot en met juli 2026.


proceskosten




4.19.
MVI is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eisende partij] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal MVI niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten. De proceskosten van [eisende partij] worden begroot op:























- griffierecht





265,00







- salaris gemachtigde





577,00







- nakosten





144,00


(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)




Totaal





986,00














5Beslissing

De kantonrechter in kort geding:


5.1.
veroordeelt Marek Vastgoed Investment B.V. om binnen drie dagen na de dag waarop dit vonnis wordt gewezen, aan [eisende partij] te voldoen 90% van het loon over de maanden november 2025 tot en met maart 2026, ten bedrage van € 8.788,50;



5.2.
veroordeelt Marek Vastgoed Investment B.V. om binnen drie dagen na de dag waarop dit vonnis wordt gewezen, aan [eisende partij] te voldoen de wettelijke verhoging over voornoemd bedrag, berekend tot en met 19 maart 2026, ten bedrage van € 3.241,98;



5.3.
veroordeelt Marek Vastgoed Investment B.V. om het loon van [eisende partij] over de maanden april tot en met juli 2026 tijdig te voldoen, telkens uiterlijk op de eerste dag van de kalendermaand volgend op de maand waarop het loon betrekking heeft;



5.4.
veroordeelt Marek Vastgoed Investment B.V. in de proceskosten van € 986,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Marek Vastgoed Investment B.V. niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



5.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,



5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Voorrips en in het openbaar uitgesproken op 2 april 2026.



HR 27 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC7669 (Mak/SGBO)
Link naar deze uitspraak