|
|
|
| ECLI:NL:OGEAC:2026:54 | | | | | Datum uitspraak | : | 08-04-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 13-04-2026 | | Instantie | : | Gerecht in eerste aanleg van Curaçao | | Zaaknummers | : | CUR202501908 | | Rechtsgebied | : | Belastingrecht | | Indicatie | : | Het t Gerecht is van oordeel dat belanghebbende als voormalig vereffenaar gerechtigd was om namens belanghebbende bezwaar en beroep in te stellen. Er is sprake van een ontvankelijk bezwaar. De naheffingsaanslag en verzuimboete zijn terecht opgelegd. De Inspecteur had het bezwaar niet niet-ontvankelijk moeten verklaren, maar ongegrond. Vernietiging van de uitspraak op bezwaar blijft echter achterwege, nu belanghebbende daar geen belang bij heeft. | | Trefwoorden | : | belastingrecht | | | burgerlijk wetboek | | | formeel belastingrecht | | | naheffingsaanslag | | | | Uitspraak | Uitspraak van 8 april 2026
BBZ nr. CUR202501908
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
UITSPRAAK
op het beroep in de zin van de
Landsverordening op het beroep in belastingzaken van:
[Belanghebbende]
, gevestigd te Curaçao,
belanghebbende,
gericht tegen:
DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend in Curaçao,
de Inspecteur.
1PROCESVERLOOP
1.1
Aan belanghebbende is op 29 juni 2023 een naheffingsaanslag winstbelasting (WB) over het jaar 2021 opgelegd van NAf 6.000. Gelijktijdig met de naheffingsaanslag is een verzuimboete opgelegd van NAf 1.000.
1.2
Op 14 mei 2024 is tegen de naheffingsaanslag en verzuimboete bezwaar gemaakt.
1.3
De Inspecteur heeft op 21 mei 2025 uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. Ook ambtshalve heeft de Inspecteur geen aanleiding gezien de naheffingsaanslag en verzuimboete te verminderen.
1.4
Op 12 juni 2025 is beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Inspecteur. Belanghebbende heeft daarvoor een bedrag aan griffierecht betaald van NAf 150.
1.5
Op 30 juli 2025 is een aanvulling op het beroepschrift ingediend.
1.6
De Inspecteur heeft op 5 december 2025 een verweerschrift ingediend.
1.7
Belanghebbende heeft op 21 januari 2026 verzocht om uitstel van de zitting.
1.8
De zitting heeft plaatsgevonden op 11 februari 2026 te Willemstad. Namens belanghebbende is niemand verschenen. Namens de Inspecteur is verschenen drs. C. Overman. Aan het einde van de zitting is het onderzoek aangehouden.
1.9
Het Gerecht is er vanuit gegaan dat het niet verschijnen van belanghebbende te maken heeft met haar verzoek om uitstel van 21 januari 2026 (zie 1.7), waarop het Gerecht (abusievelijk) niet heeft gereageerd. Vervolgens heeft er een nieuwe zitting plaatsgevonden op 12 februari 2026. Belanghebbende is vertegenwoordigd door [A] (oud-directeur, hierna: [A]). Namens de Inspecteur is met voorafgaand bericht niemand verschenen. Aan het einde van de zitting is het onderzoek gesloten en is een uitspraak aangekondigd.
2FEITEN
2.1
Belanghebbende is op 26 maart 2019 opgericht. [A] is vanaf datum oprichting statutair directeur van belanghebbende. Het uittreksel van de Kamer van Koophandel Curaçao beschrijft de activiteiten van belanghebbende als volgt:
“1. the online sale of exclusive spirits including but not limited to rums while adhering to the conditions as prescribed by [X] Aforementioned activities will be carried out from an Economic zone.
2. The corporation is authorized to perform everything requisite or profitable to the accomplishment of its purpose or incidental thereto or connected therewith in – the widest sense of the word.
3. The corporation has no authority to invoke the annulment of legal acts performed by the corporation, which exceeded the corporate objective.
4. The corporation will carry out its business operations exclusively in an economic zone with due observance of the provisions of the 2000 National Ordinance providing for economic zones as amended (P.B. 2011, No.17).”
2.2
Omdat belanghebbende geen aangifte heeft gedaan, terwijl zij daartoe wel was uitgenodigd, zijn aan haar een (taxatieve) naheffingsaanslag en verzuimboete opgelegd.
2.3
Belanghebbende is blijkens het tot de gedingstukken behorende uittreksel van de Kamer van Koophandel op 14 mei 2024 door [A] geliquideerd.
2.4 [
A] heeft op naam van of namens belanghebbende bezwaar en beroep ingesteld.
3GESCHIL
3.1
In geschil is of het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Inhoudelijk is in geschil of de naheffingsaanslag en verzuimboete WB over het jaar 2021 terecht en naar de juiste hoogte zijn opgelegd.
3.2
De Inspecteur stelt zich primair op het standpunt dat het bezwaar wegens termijnoverschrijding terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Subsidiair stelt de Inspecteur zich op het standpunt dat de naheffingsaanslag en verzuimboete terecht zijn opgelegd. Belanghebbende is als naamloze vennootschap op grond van artikel 1 lid 1 van de Landsverordening winstbelasting 1940 belastingplichtig voor de WB. Nu belanghebbende over het onderhavige jaar geen aangifte WB heeft gedaan, is de omkering en verzwaring van de bewijslast van toepassing. Belanghebbende heeft volgens de Inspecteur niet overtuigend aangetoond dat geen operationele activiteiten zijn verricht. Belanghebbende moet (met een aangifte en jaarstukken) aantonen dat de opgelegde naheffingsaanslag te hoog is.
3.3
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de naheffingsaanslag en verzuimboete ten onrechte zijn opgelegd. De vennootschap is opgericht met als enig doel het aanvragen van een E-zone vergunning voor een buitenlandse klant van [Y], waarvan [A] toen directeur was. De oprichting was slechts een formeel vereiste in het vergunningsproces. Uiteindelijk is de vergunning nooit verleend, waardoor belanghebbende nooit operationeel is geweest en er geen belastbare activiteiten hebben plaatsgevonden.
4OVERWEGINGEN
Vooraf
4.1
Belanghebbende is op 14 mei 2024 door [A] geliquideerd. [A] heeft toen, blijkens het hiervoor vermelde uittreksel van de Kamer van Koophandel (zie 2.3), verklaard dat naar beste weten er geen aan hem bekende baten aanwezig waren. Hiermee heeft hij als vereffenaar van belanghebbende de vereffening beëindigd en is, ervan uitgaande dat dit in een dagblad is gepubliceerd, belanghebbende opgehouden te bestaan (artikel 2.31, lid 7, Burgerlijk Wetboek). Nadien is de vereffening niet heropend. In die situatie kan de belanghebbende zelf geen bezwaar en beroep meer instellen. Hierover heeft de Hoge Raad geoordeeld:
“Indien voordat de vereffening is heropend door of namens de voormalige vereffenaar (…), op naam van de ontbonden rechtspersoon tegen die aanslag een bezwaarschrift is ingediend, dient niet-ontvankelijkverklaring van dit bezwaar met overeenkomstige toepassing van artikel 6:10 Awb achterwege te blijven.
Gelet hierop was [A] gerechtigd om, als voormalig vereffenaar, namens belanghebbende bezwaar en beroep in te stellen.
Ontvankelijkheid bezwaar
4.2
In artikel 29, lid 1, Algemene landsverordening Landsbelastingen (hierna: ALL) is bepaald dat degene die bezwaar heeft tegen een hem opgelegde belastingaanslag, binnen twee maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet een gemotiveerd bewaarschrift kan indienen bij de Inspecteur.
4.3
Het onderhavige aanslagbiljet is gedagtekend 29 juni 2023. Belanghebbende stelt in haar bezwaarschrift dat zij door het door haar bijgevoegde dwangschrift van 13 mei 2024 eerst op de hoogte is gekomen van de naheffingsaanslag en verzuimboete over het jaar 2021.
4.4
In hetgeen belanghebbende heeft verklaard ligt de betwisting van de tijdige verzending van het aanslagbiljet besloten. Dit betekent dat aangenomen moet worden dat belanghebbende heeft betwist dat de Inspecteur het aanslagbiljet tijdig aan haar heeft bekendgemaakt, ook zonder dat zij expliciet melding maakt van die stelling. In dat geval moet de Inspecteur aannemelijk maken dat de belastingaanslag wel tijdig en rechtsgeldig aan belanghebbende is bekendgemaakt.
4.5
De Inspecteur heeft in dat verband niets aangevoerd. De Inspecteur heeft aldus, tegenover de betwisting van belanghebbende, de (tijdige) verzending van de naheffingsaanslag en verzuimboete over het jaar 2021 niet aannemelijk gemaakt. De bezwaartermijn vangt in dat geval aan op het tijdstip dat belanghebbende eerst kennis heeft gekregen van de naheffingsaanslag en verzuimboete over het jaar 2021. In het onderhavige geval is dat op 13 mei 2024. Belanghebbende heeft vervolgens op 14 mei 2024 en derhalve tijdig bezwaar gemaakt. Gelet op het voorgaande is het bezwaar ontvankelijk.
Naheffingsaanslag WB 2021; omkering en verzwaring van de bewijslast
4.6
Artikel 31, lid 3, ALL bepaalt, voor zover van belang, dat het beroep van de belastingplichtige moet worden afgewezen indien geen aangifte is gedaan of de vereiste aangifte niet is gedaan, tenzij de belastingplichtige overtuigend kan aantonen dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is (de zogenoemde omkering en verzwaring van de bewijslast).
4.7
Vaststaat dat belanghebbende is uitgenodigd tot het doen van aangifte maar geen aangifte WB 2021 heeft ingediend. Het voorgaande brengt mee dat omkering en verzwaring van de bewijslast toepassing vindt.
4.8
De zogenoemde omkering en verzwaring van de bewijslast ontslaat de Inspecteur niet van zijn verplichting de door hem aangebrachte correctie niet naar willekeur vast te stellen. De naheffingsaanslag dient te berusten op een redelijke schatting. De Inspecteur heeft de verschuldigde winstbelasting vastgesteld op een taxatief bedrag van NAf 6.000. Nu belanghebbende geen aangifte heeft gedaan en geen jaarstukken heeft overgelegd kan niet worden gezegd dat deze correctie onredelijk of willekeurig is vastgesteld.
4.9
Indien en voor zover een belanghebbende de juistheid van de voor de schatting gebruikte gegevens of de juistheid van de schatting van de Inspecteur anderszins betwist, dient zij daarvoor tegenbewijs te leveren op de in artikel 31, lid 3, ALL bedoelde wijze. Dat betekent dat zij de onjuistheid van de schatting overtuigend moet aantonen.
4.10
Met de enkele stelling dat zij nooit operationeel is geweest, heeft belanghebbende naar het oordeel van het Gerecht niet op overtuigende wijze de onjuistheid van de schatting van de Inspecteur aangetoond. In dat verband laat het Gerecht meewegen dat belanghebbende geen jaarstukken heeft overgelegd. De naheffingsaanslag WB 2021 zal derhalve niet worden verminderd.
4.11
De Inspecteur heeft echter ter zitting toegezegd dat, indien belanghebbende alsnog nihil-aangifte doet en jaarstukken overlegt en de Inspecteur geen reden heeft om te twijfelen aan de juistheid van de ingediende stukken, de naheffingsaanslag ambtshalve zal worden verminderd en dat dit ook geldt voor de overige jaren.
Verzuimboete
4.12
Op grond van artikel 18, lid 2 ALL kan de Inspecteur indien de belastingplichtige de aangifte niet, dan wel niet binnen de gestelde termijn heeft gedaan, een boete van ten hoogste NAf 2.500 opleggen.
4.13
Nadere regels voor het opleggen van boetes zijn opgenomen in Hoofdstuk IV van de Ministeriele regeling formeel belastingrecht (hierna: de regeling). In artikel 4.4, lid 1 in combinatie met lid 3 van de regeling is bepaald dat de Inspecteur in geval van een eerste verzuim een boete oplegt van NAf 250, in geval van een tweede verzuim een boete van NAf 500, in geval van een derde verzuim een boete van NAf 1.000 en in geval van een vierde verzuim een boete van NAf 1.500. In lid 2 is bepaald dat indien de belastingplichtige stelselmatig niet voldoet aan de verplichtingen de Inspecteur een boete oplegt van maximaal NAf 2.500.
4.14
Voor het opleggen van een verzuimboete is niet vereist dat er sprake is van opzet of grove schuld. Het enkele feit dat de aangifte niet is ingediend, is voldoende om in verzuim te zijn.
4.15
De verzuimboete WB over het jaar 2021 is opgelegd uitgaande van een derde verzuim, hetgeen door belanghebbende niet is betwist. De Inspecteur heeft de verzuimboete dan ook overeenkomstig wet- en regelgeving opgelegd.
4.16
Een verzuimboete dient achterwege te blijven indien sprake is van afwezigheid van alle schuld (AVAS). Van AVAS is sprake als belanghebbende alle in de gegeven omstandigheden van haar in redelijkheid te vergen zorg heeft betracht om te bewerkstelligen dat tijdig aangifte werd gedaan.
4.17
Belanghebbende stelt dat geen operationele activiteiten zijn verricht en dat geen sprake was van belastbare feiten. Die, door de Inspecteur bij gebrek aan bewijs betwiste, omstandigheden leiden er echter niet toe dat geen aangifte hoeft te worden gedaan. En dat [A] slechts statutair directeur en feitelijk niet betrokken was bij de onderneming maakt dat niet anders. In hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd ziet het Gerecht dan ook geen aanleiding de verzuimboete – die is opgelegd aan belanghebbende – op grond van AVAS te verminderen dan wel te vernietigen.
4.18
Het Gerecht acht de verzuimboete van NAf 1.000 in het onderhavige geval passend en geboden.
4.19
Gelet op hetgeen het Gerecht in 4.5, 4.10 en 4.18 heeft overwogen had de inspecteur het bezwaar niet niet-ontvankelijk moeten verklaren, maar ongegrond. Aan het bezwaar van belanghebbende zou dus ook in dat geval niet tegemoet zijn gekomen. Belanghebbende heeft daarom geen belang bij vernietiging van de uitspraak op bezwaar. In dat geval dient vernietiging achterwege te blijven.
4.20
Het Gerecht merkt ten overvloede op dat aanslagen en boetes niet eerder ingevorderd kunnen worden dan na heropening van de vereffening van de ontbonden rechtspersoon.
5PROCESKOSTEN EN GRIFFIERECHT
5.1
Het Gerecht ziet geen aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten of het betaalde griffierecht.
6DE BESLISSING
Het Gerecht:
- verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gegeven door mr. drs. M.M. de Werd, rechter, en uitgesproken op 8 april 2026, in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.M. de Leeuw van Weenen.
De griffier, De rechter,
Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………… aan partijen verzonden.
HOGER BEROEP
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen twee maanden na de verzenddatum hoger beroep instellen bij:
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (belastingkamer)
Emancipatie Boulevard Dominico “Don” Martina 18
Willemstad
Curaçao
U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:
1. Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;
2. Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener,
b. de dagtekening,
c. waartegen u in beroep komt,
d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
Partijen hebben ook de mogelijkheid het ondertekende beroepschrift per e-mail in te dienen bij de griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie:
belastinggriffie@caribjustitia.org.
Voor het instellen van hoger beroep is het volgende bedrag aan griffierecht verschuldigd:
- natuurlijke personen: Cg 200
- personenvennootschappen en rechtspersonen: Cg 500
Hoge Raad 19 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AK8288. Zie ook: Hoge Raad 6 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1080.
Het bezwaar is ingediend op de dag dat belanghebbende heeft opgehouden te bestaan. Afhankelijk van het exacte tijdstip van indiening heeft [A] het bezwaar namens belanghebbende ingediend als directeur of als vereffenaar.
HR 5 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1102.
Vgl. HR 23 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB8440.
Vgl. HR 8 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1033. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|