|
|
|
| ECLI:NL:OGEAC:2026:55 | | | | | Datum uitspraak | : | 13-04-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 14-04-2026 | | Instantie | : | Gerecht in eerste aanleg van Curaçao | | Zaaknummers | : | CUR202502257 | | Rechtsgebied | : | Belastingrecht | | Indicatie | : | Winstbelasting. Afwaardering concernlening en imputatie rente. Belanghebbende waardeert een aan haar dochter verstrekte lening af wegens verliezen op Spaans vastgoedproject. Inspecteur corrigeert de afwaardering en weigert aftrek van alsnog geïmputeerde rente op renteloze lening van moedermaatschappij. Gerecht oordeelt dat sprake is van een onzakelijke lening, zodat het afwaarderingsverlies niet aftrekbaar is. Wel is aftrek van geïmputeerde rente toegestaan op grond van het zogenoemde Zweedse grootmoederarrest. Naheffingsaanslag wordt verminderd; boete blijft in stand. | | Trefwoorden | : | belastingrecht | | | formeel belastingrecht | | | naheffingsaanslag | | | | Uitspraak | Uitspraak van 13 april 2026
BBZ nr. CUR202502257
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
UITSPRAAK
op het beroep in de zin van de
Landsverordening op het beroep in belastingzaken van:
[Belanghebbende]
, gevestigd te Curaçao,
belanghebbende,
gericht tegen:
DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend in Curaçao,
de Inspecteur.
1PROCESVERLOOP
1.1
Aan belanghebbende is met dagtekening 23 september 2024 een naheffingsaanslag winstbelasting over het jaar 2021 opgelegd (hierna: naheffingsaanslag WB 2021), resulterende in een verschuldigde winstbelasting van NAf 1.709.955. Gelijktijdig met de naheffingsaanslag is een boete opgelegd van NAf 10.000.
1.2
Belanghebbende heeft op 21 november 2024 tegen de naheffingsaanslag WB 2021 en boete bezwaar gemaakt.
1.3
De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag WB op 29 april 2025 verminderd naar NAf 1.480.744 en de boete gehandhaafd. Belanghebbende heeft de verminderingsaanslag opgevat als een uitspraak op bezwaar.
1.4
Belanghebbende heeft op 27 juni 2025 een pro forma beroepschrift ingediend tegen de (veronderstelde) uitspraak op bezwaar/verminderingsaanslag. Belanghebbende heeft daarvoor een bedrag aan griffierecht betaald van NAf 150. Op 21 augustus 2025 heeft belanghebbende haar beroep nader gemotiveerd.
1.5
De Inspecteur heeft geen verweerschrift ingediend.
1.6
De zitting heeft plaatsgevonden op 29 januari 2026 te Willemstad. Namens belanghebbende is verschenen mr. E.G. Steevensz. Namens de Inspecteur is mr. [A] verschenen. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de Inspecteur en het Gerecht.
1.7
Aan het einde van de zitting heeft het Gerecht het onderzoek gesloten.
1.8
Bij mail van 12 februari 2026 heeft de Inspecteur verzocht de behandeling van de zaak te heropenen. Bij mail van 2 maart 2026 heeft de gemachtigde op de mail van de Inspecteur gereageerd. Bij bericht van 23 maart 2026 heeft het Gerecht het verzoek van de Inspecteur afgewezen.
Bij mail van 26 maart 2026 heeft de Inspecteur het Gerecht verzocht om de afwijzing van zijn verzoek tot heropening te heroverwegen. Bij bericht van 10 april 2026 heeft het Gerecht dit verzoek wederom afgewezen.
2FEITEN
2.1
Belanghebbende is opgericht naar het recht van de voormalige Nederlandse Antillen en is statutair en feitelijk gevestigd te Curaçao.
2.2
De aandelen van belanghebbende worden voor 100% gehouden door [X] (hierna: [X]), opgericht naar het recht van Bermuda en statutair gevestigd te Bermuda.
2.3
Belanghebbende houdt alle aandelen in [Y] (hierna: [Y]), opgericht naar Nederlands recht en statutair gevestigd in Nederland.
2.4
De voornaamste activiteiten van belanghebbende zijn het inlenen van gelden van haar moedermaatschappij [X] en het doorlenen van die gelden aan haar dochtermaatschappij [Y]. [Y] leent de gelden op haar beurt weer door aan Spaanse (groeps)maatschappijen die de gelden hebben geïnvesteerd in Spaans onroerend goed.
2.5
Per 31 december 2021 bedraagt de schuld van belanghebbende aan [X] € 18.449.181. Het betreft een renteloze lening. Onder verwijzing naar het ‘Zweedse grootmoederarrest’ heeft belanghebbende een bedrag van € 1.410.563 aan rente geïmputeerd. Daarbij heeft belanghebbende een rentepercentage van 7,625% gehanteerd.
2.6
Belanghebbende heeft sedert 2007 tot ultimo 2021 een bedrag van € 55.509.781 aan leningen, inclusief bijgeschreven/schuldig gebleven rente, aan [Y] verstrekt (hierna: lening [Z]). Met die leningen zijn door (een) Spaanse dochtermaatschappij(en) van [Y] in Spanje onroerende zaken ontwikkeld tot een bedrag van zo’n € 29.000.000. Op het totaal van de leningen en bijgeschreven rente is in 2021 een bedrag van € 38.018.615 ten laste van de winst afgeboekt. Genoemd bedrag is het saldo tussen het bedrag aan verstrekte leningen vermeerderd met de bijgeschreven rente (€ 55.509.781) verminderd met het bedrag dat in 2022 is ontvangen ter zake van de verkoop van het Spaanse onroerend goed.
2.7
De Inspecteur heeft de afwaardering van € 38.018.615 niet geaccepteerd en gecorrigeerd. De door de Inspecteur vastgestelde naheffingsaanslag, inclusief boete, is als volgt bepaald.
Belastbare winst volgens de aangifte € 34.822.671 -/-
Bij: afschrijving lening [Z] € 38.018.615
Totaal gecorrigeerd resultaat in euro’s € 3.195.944
Koers volgens aangifte euro naar NAf 2,106 NAf 6.730.658
Verschuldigde winstbelasting (22%) NAf 1.480.744
Boete NAf 10.000
Naheffingsaanslag + boete NAf 1.490.744
2.8
Bij het doen van aangifte heeft belanghebbende de geïmputeerde rente nog niet in aanmerking genomen. Pas in haar bezwaarschrift heeft belanghebbende te kennen gegeven dat met te imputeren rente rekening moet worden gehouden. Bij nader inzien is belanghebbende dan ook van oordeel dat het belastbaar bedrag dient te worden bepaald op € 34.822.671 -/- minus € 1.410.563 is € 36.233.234 -/-.
3GESCHIL
3.1
In geschil is of de naheffingsaanslag WB 2021 en de daarop betrekking hebbende boete terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd. In het bijzonder zijn in geschil de antwoorden op de volgende vragen:
I. heeft de Inspecteur terecht de afwaardering van de lening [Z] van € 38.018.615 gecorrigeerd, en
II. heeft de Inspecteur terecht de alsnog door belanghebbende geïmputeerde rente niet in aftrek toegestaan?
3.2
De Inspecteur beantwoordt de vragen I en II bevestigend; belanghebbende ontkennend.
3.3
Voor wat betreft de boete is de Inspecteur van mening dat deze terecht is opgelegd. Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat hij de oplegging van de boete wel begrijpt en dat deze in zijn ogen alleen verminderd dient te worden indien belanghebbende in het gelijk wordt gesteld.
4OVERWEGINGEN
Vooraf 1: Motivering van de afwijzing van het door de Inspecteur gedane verzoek om heropening van de behandeling van de zaak
4.1
Na het sluiten van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de Inspecteur tweemaal verzocht om de zaak te heropenen. De reden van dit verzoek is gelegen in het feit dat hij gedurende de zitting niet de beschikking heeft gekregen over de overeenkomsten van geldlening tussen belanghebbende en [Y]. Het Gerecht heeft beide verzoeken afgewezen. De redenen daarvoor zal het Gerecht hierna uiteenzetten.
4.2
De onderhavige zaak betreft onder andere de afwaardering van diverse leningen tot een bedrag van € 38.018.615, derhalve een fors bedrag. De Inspecteur bestrijdt de afwaardering (onder andere) onder verwijzing naar de jurisprudentie inzake de onzakelijke lening. Voor de toepassing van deze jurisprudentie is kennisneming van de voorwaarden waaronder de leningen zijn verstrekt, onontbeerlijk. In het dossier van het Gerecht ontbraken deze overeenkomsten van geldlening. Ter zitting heeft de rechter, in de veronderstelling verkerende dat partijen wél over die overeenkomsten beschikten, belanghebbende gevraagd naar afschriften van de overeenkomsten van de geldlening. Daarop heeft belanghebbende alsnog het Gerecht de overeenkomsten van de geldlening verstrekt. Tijdens die verstrekking heeft de Inspecteur gesteld dat hij die overeenkomsten wellicht ook niet had. In het licht van de bestrijding van de correctie is dat minstgenomen merkwaardig. Belanghebbende heeft toen direct aangegeven dat de overeenkomsten van geldlening ten tijde van de bezwaarfase aan de Inspecteur zijn verstrekt. De Inspecteur heeft op dat moment het gestelde door belanghebbende niet betwist en de zitting is daarna vervolgd.
4.3
Dat de Inspecteur op het moment dat belanghebbende had aangegeven dat zij de overeenkomsten van geldlening reeds in een (veel) eerder stadium aan de Inspecteur had verstrekt, die verstrekking toen niet heeft betwist, komt naar het oordeel van het Gerecht door het volgende. Op zitting bleek de Inspecteur onvoldoende te zijn voorbereid. Mede redengevend daarvoor zal zijn dat de zaak in een eerder stadium intensief is behandeld door een collega van de Inspecteur, te weten de heer [B] (hierna: [B]). De Inspecteur had voorafgaande aan de zitting geen verweerschrift ingediend, had geen pleitnota en gaf aan het begin van de zitting aan onvoldoende voorbereid te zijn. Dit alles heeft bij het Gerecht de indruk gewekt dat de Inspecteur geen goed overzicht had van het tot zijn beschikking staande dossier en op het moment dat het Gerecht informeerde naar de overeenkomsten van geldlening eigenlijk niet wist of hij al dan niet beschikte over die overeenkomsten. De zitting is vervolgens voortgezet en heeft daarna nog zo’n twee uur in beslag genomen, zonder dat de Inspecteur nog is teruggekomen op de kwestie van het al dan niet verstrekt zijn van de overeenkomsten van geldlening. Pas bij het sluiten van de zitting heeft de Inspecteur belanghebbende verzocht om toezending van genoemde overeenkomsten waarop belanghebbende heeft gereageerd dit (nogmaals) te zullen doen.
4.4
Na het sluiten van de zitting heeft de Inspecteur tweemaal om heropening verzocht, omdat hij zonder kennis te hebben genomen van de overeenkomsten van geldlening, zich geschaad voelt in zijn procesrechten. De rechter heeft dit verzoek tweemaal afgewezen. De reden hiervoor is dat de Inspecteur tijdens de zitting niet heeft betwist dat hij niet over de overeenkomsten van geldlening beschikte. Om die reden heeft de rechter toen ook niet verder geïnformeerd. Aan dat niet verder informeren heeft mede ten grondslag gelegen dat de rechter zich ook niet kon voorstellen dat de (on)zakelijkheid van de lening beoordeeld is zonder kennisneming van de overeenkomsten van geldlening, dit mede gegeven het intensieve voortraject waarbij [B] was betrokken.
Maar ook indien gedurende de zitting de overeenkomsten van geldlening wel aan de Inspecteur waren verstrekt, laat het zich niet denken dat de zitting een ander verloop zou hebben gehad. Immers tijdens de zitting zijn de overeenkomsten van geldlening op hoofdlijnen, en in het bijzonder de daarin (niet) opgenomen voorwaarden, besproken, waarbij ook de Inspecteur diens zienswijze naar voren heeft kunnen brengen.
Tot slot is het natuurlijk zo dat de Inspecteur zelf mede verantwoordelijk is voor de samenstelling van het dossier. Indien daartoe stukken ontbreken die voor de Inspecteur van belang zijn (en nogmaals: voor de beoordeling van een (on)zakelijke lening zijn de overeenkomsten van geldlening cruciaal), dan kan de Inspecteur met de hem daarvoor in de Algemene landsverordening Landsbelastingen (hierna: ALL) ter beschikking staande middelen zorgen, zelfs afdwingen, dat hij over de relevante stukken beschikt. In dat licht bezien komt het enigszins merkwaardig over dat de Inspecteur zich in diens procesrechten geschaad acht, gesteld dat hij niet over de overeenkomsten van geldlening heeft beschikt, terwijl hij allang over die stukken had kunnen beschikken. Daarbij komt dat de Inspecteur gedurende het hele traject gemeend heeft zijn beslissingen te kunnen gronden op de stukken waarover hij wél beschikte, zonder dat hij het (kennelijk) nodig heeft geacht de overeenkomsten van geldlening te raadplegen.
Vooraf 2: Geldt de verminderingsaanslag als uitspraak op bezwaar?
4.5
Ter zitting heeft de Inspecteur verzocht om terugwijzing, omdat naar zijn mening de verminderingsaanslag niet kan worden aangemerkt als uitspraak op bezwaar en de Inspecteur alsnog in de gelegenheid dient te worden gesteld om uitspraak op bezwaar te doen.
Belanghebbende heeft aangegeven dat de verminderingsaanslag dient te worden beschouwd als uitspraak op bezwaar en dat terugwijzing derhalve niet plaats dient te vinden.
4.6
Een verminderingsaanslag is niet per definitie een uitspraak op bezwaar. Belanghebbende heeft evenwel de verminderingsaanslag opgevat als een uitspraak op bezwaar. Naar het oordeel van het Gerecht heeft belanghebbende op goede gronden mogen aannemen dat de verminderingsaanslag moet worden beschouwd als een uitspraak op bezwaar, zodat terugwijzing van de zaak naar de Inspecteur om alsnog uitspraak op bezwaar te doen niet nodig is. Het Gerecht zal hierna uitleggen waarom belanghebbende de verminderingsbeschikking heeft mogen opvatten als uitspraak op bezwaar.
4.7
Belanghebbende heeft op 21 november 2024 bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag WB 2021 en boete. In reactie daarop heeft zij op 12 december 2024 een reactie van de Inspecteur ontvangen. Hierin is onder ander het volgende vermeld:
‘5. [Belanghebbende] [Gerecht: hiermee wordt belanghebbende bedoeld] heeft een bedrag van Euro 38.018.615 afgeschreven van interest en van een lening van [Z] en [Y] in het jaar 2021. (…) Ik deel het standpunt van [belanghebbende] niet en wel om de volgende redenen: (…) De afwaardering wordt fiscaal niet aannemelijk geacht. Hierdoor corrigeer ik de afschrijving van interest en lening van [Z] over het fiscale resultaat.
6. In een brief van 21 november 2024, welke als een bezwaar over de eerder opgelegde aanslag van het jaar 2021 kan worden aangemerkt wil [belanghebbende] alsnog achteraf rentekosten meennemen voor de schuld aan [X] voor een bedrag van Euro 1.410.563. (…) Ik deel de mening van [belanghebbende] niet. Juist bij informele kapitaalstorting is er geen sprake van aftrekbare rentekosten. Het standpunt van [belanghebbende] om alsnog deze rentekosten voor een bedrag van Euro 1.410.563 wordt dan ook afgewezen.
(…)
Over de jaren 2018 en 2021 waren er reeds aanslagen opgelegd. Naar aanleiding van deze brief worden de aanslagen verminderd conform bovenstaand overzicht. De betreffende beschikking zal per post aangeleverd worden.’
4.8 ‘
De betreffende beschikking’ is gedagtekend 29 april 2025 en betreft de verminderingsaanslag. Op die aanslag is het te betalen bedrag vermeld dat correspondeert met het overzicht dat is opgenomen in de brief van 12 december 2024. Op p. 2 van de ‘verminderingsaanslag zijn meerdere rechtsmiddelenverwijzingen opgenomen. Vermeld is onder andere:
‘Bezwaar
Als u het niet eens bent met deze aanslag kunt u bezwaar maken bij de Inspecteur. Doe dit binnen twee dagen na dagtekening van de aanslag.
(…)
Uitspraak op een bezwaarschrift
Als u het niet eens bent met deze uitspraak op uw bezwaarschrift, kunt u binnen twee maanden na dagtekening van de uitspraak beroep instellen bij:
Het Gerecht in Eerste Aanleg van Curaçao (belastingkamer)
(…)’
4.9
De informatie op genoemde p. 2 is verwarrend. Belanghebbende dient kennelijk zelf uit te zoeken of hij bezwaar of beroep dient in te stellen. In het onderhavige geval heeft belanghebbende gemeend beroep in te moeten stellen. Het Gerecht is van oordeel dat belanghebbende alle redenen daartoe had. Op de eerste plaats had hij namelijk al bezwaar gemaakt en is dit bezwaar ook als zodanig door de Inspecteur erkend. Immers in zijn reactie van 12 december 2024 heeft de Inspecteur de brief van belanghebbende van 21 november 2024 als een bezwaar geduid (onderdeel 6). Vervolgens geeft de Inspecteur in diens reactie van 12 december 2024 aan dat hij dat bezwaar op verschillende onderdelen niet volgt en geeft hij een opstelling waaruit volgt hoeveel belasting belanghebbende verschuldigd is en dat belanghebbende ter zake een afzonderlijke beschikking zal ontvangen. Die beschikking is de verminderingsaanslag en de gegevens daarop stemmen overeen met de reactie van 12 december 2024 van de Inspecteur op het door belanghebbende ingediende bezwaar van 21 november 2024. Met inachtneming van het vorenstaande is het alleszins begrijpelijk dat belanghebbende vervolgens uit de twee rechtsmiddelenverwijzingen gekozen heeft voor de mogelijkheid tot het indienen van beroep, niet in de laatste plaats omdat hij reeds bezwaar had ingesteld en twee keer bezwaar maken tegen dezelfde belastingaanslag niet mogelijk is.
Inhoudelijk
I: Heeft de Inspecteur terecht de afwaardering van de lening [Z] gecorrigeerd
4.10
Belanghebbende heeft een bedrag van € 38.018.615 ten laste van de winst gebracht als afwaardering van de aan [Y] verstrekte geldleningen en de daarop bijgeschreven rente (saldo van de verstrekte leningen plus de bijgeschreven rente van € 55.509.781, verminderd met het bedrag dat in 2022 is ontvangen ter zake van de verkoop van het Spaanse onroerend goed voor ruim € 17.200.000). Volgens belanghebbende kan genoemd bedrag in 2021 ten laste van de winst worden gebracht, omdat ten tijde van het opmaken van de jaarrekening 2021 reeds bekend was dat en tot welk bedrag op het Spaanse onroerende goed een verlies zou worden geleden.
4.11
Wat partijen verdeeld houdt is het antwoord op de vraag of de door belanghebbende verstrekte leningen zakelijk zijn of niet.
De inspecteur neemt het standpunt in dat de verstrekte leningen niet zakelijk zijn, omdat het in- en doorlenen niet zakelijk is. Volgens de Inspecteur zou in zakelijke verhoudingen nooit meer dan € 17.200.000 zijn geleend. Daarnaast meent de Inspecteur dat het enkele feit dat er alleen maar leningen ontvangen zijn van en verstrekt aan gelieerde ondernemingen erop wijst dat louter sprake is van aandeelhoudersmotieven. Volgens de Inspecteur moeten de leningen geheel of gedeeltelijk worden beschouwd als informeel kapitaal.
Belanghebbende vindt het onbegrijpelijk waarom het in- en doorlenen niet zakelijk zou zijn. Voorts meent zij dat van (informele) kapitaalvertrekkingen geen sprake is, omdat de leningen civielrechtelijk kwalificeren als leningen en dat in het fiscale recht de civielrechtelijke kwalificatie dient te worden gevolgd. De geldverstrekkingen kunnen namelijk niet worden aangemerkt als zogeheten schijnleningen, deelnemerschapsleningen en bodemloze-put-leningen, waarbij belanghebbende zal bedoelen te verwijzen naar Hoge Raad 27 januari 1988, ECLI:NL:HR:1988:ZC3744.
4.12
Hetgeen de Inspecteur stelt, is veel te kort door de bocht. Het enkele feit dat alleen leningen in gelieerd verband zijn verstrekt betekent uiteraard nog niet dat er dan sprake is van kapitaalverstrekkingen of dat aandeelhoudersmotieven de overhand hebben. Evenmin is het, zonder een nadere motivering, juist dat in zakelijke verhoudingen slechts € 17.200.000 zou zijn geleend (het bedrag waarvoor het Spaanse onroerend goed is verkocht). Door aan te sluiten bij genoemd bedrag lijkt de Inspecteur niet vooraf de aard van de geldverstrekking te beoordelen, maar achteraf, als blijkt wat er resteert voor finale aflossing.
Nu de Inspecteur, op wie ter zake de bewijslast rust, niet aannemelijk heeft gemaakt dat, in afwijking van wat civielrechtelijk heeft te gelden, in fiscale zin geen sprake is van leningen zal het Gerecht ervan uitgaan dat de geldverstrekkingen aan belanghebbende (door [X]) en door belanghebbende (aan [Y]) kwalificeren als leningen (vreemd vermogen) en niet als kapitaalverstrekkingen.
4.13
Als eerste zal het Gerecht onderzoeken of sprake is van een onzakelijke lening.
4.13.1
In diens standaardarrest ECLI:HR:NL:2011:BN3442 heeft de Hoge Raad de onzakelijke lening als volgt gedefinieerd (r.o. 3.3.3):
‘Indien met inachtneming van het hiervoor in 3.3.2 overwogene geen rente kan worden bepaald waaronder een onafhankelijke derde bereid zou zijn geweest eenzelfde lening te verstrekken aan de met de vennootschap gelieerde partij, onder overigens dezelfde voorwaarden en omstandigheden, moet worden verondersteld dat bij die verstrekking door de vennootschap een debiteurenrisico wordt gelopen dat deze derde niet zou hebben genomen. Alsdan moet – behoudens bijzondere omstandigheden – ervan worden uitgegaan dat de betrokken vennootschap dit risico heeft aanvaard met de bedoeling het belang van de met haar gelieerde vennootschap in de hoedanigheid van aandeelhouder dan wel dochtervennootschap te dienen. Dit brengt mee dat een eventueel verlies op de geldlening niet op de winst van de vennootschap in mindering kan worden gebracht.’
4.13.2
Of sprake is van een onzakelijke lening is afhankelijk van alle relevante feiten en omstandigheden waarbij, voor wat betreft de beoordeling, de door partijen overeengekomen rente geen rol speelt (ECLI:NL:HR:2012:BV8175). Relevante elementen die een rol kunnen spelen bij de beoordeling van de (on)zakelijkheid van de lening zijn: of er zekerheden zijn gesteld, dan wel aan de vorderingen preferenties of juist achterstellingen zijn verbonden, of er een aflossingsschema is overeengekomen, of afspraken over looptijd, of opeisbaarheid zijn gemaakt, of de voorwaarden in de overeenkomst worden nageleefd en of de rente altijd netjes wordt betaald of dat deze wordt bijgeschreven bij de hoofdschuld.
De (on)zakelijkheid van de lening dient volgens de Hoge Raad in beginsel te worden beoordeeld op het moment van de verstrekking van de geldlening. Zie ECLI:HR:NL:2011:BN3442. Een aanvankelijk niet-onzakelijke lening kan echter eventueel later onzakelijk worden als gevolg van handelen of nalaten van de gelverstrekker. Zie ECLI:NL:HR:2013:BZ2735.
4.13.3
De bewijslast voor wat betreft het antwoord op de vraag of een lening onzakelijk is of in de loop van de tijd onzakelijk wordt, rust op de Inspecteur. In de onderhavige casus heeft de Inspecteur weinig ingebracht, anders dan dat hij de lening onzakelijk acht, omdat de leningen zouden zijn ingegeven door aandeelhoudersmotieven. Desalniettemin is het Gerecht van oordeel dat de conclusie in deze zaak niet anders kan zijn dan dat de aan [Y] verstrekte leningen evident als onzakelijk dienen te worden aangemerkt (zie hierna).
4.13.4
Ter zake van de leningen zijn niet of nauwelijks zekerheden bedongen. Zulks blijkt uit de overeenkomsten van geldleningen, alsook uit de verklaringen van belanghebbende ter zitting. Evenmin zijn er geen of nauwelijks waarborgen getroffen voor aflossingen. Veelal is bepaald dat de lening na afloop van de looptijd, indien deze niet is afgelost, zal worden voortgezet. In gevallen dat wel een aflossingstermijn is overeengekomen, blijft de lening na overschrijding van die termijn in stand en worden er geen invorderingsmaatregelen genomen. De betaling van rente is veelal vrijblijvend. Indien de rente over een jaar niet wordt betaald, wordt de over dat jaar verschuldigde rente bijgeschreven. Het voortdurend bijschrijven van de rente bij de hoofdsom heeft tot gevolg gehad dat de kredietwaardigheid van [Y] ernstig is aangetast. Tegenover een investering in onroerend goed van € 29.000.000 stond ultimo 2021 een schuld van [Y] aan belanghebbende van ruim € 55.000.000. Daarbij dient voorts bedacht te worden dat het hier om een (bijzonder) risicovolle investering ging, zoals wel is gebleken uit het feit dat het onroerend goed uiteindelijk verkocht moest worden voor € 17.200.000.
Alles bijeengenomen komt het Gerecht tot het oordeel dat de door belanghebbende verstrekte leningen van begin af aan en zeker na verloop van tijd, gegeven de vrijblijvendheid waarmee de overeenkomsten zijn geformuleerd, het hoge risicoprofiel van de (uiteindelijk) te financieren activiteit, de hoge en snel oplopende mate van financiering met vreemd vermogen, de afwezigheid van zekerheden, het in het geheel niet aflossen, de afwezigheid van positieve toekomstverwachtingen en het verzuim om invorderingsmaatregelen te nemen door belanghebbende, moeten worden aangemerkt als onzakelijke leningen. Dit heeft tot gevolg dat het verlies op de verstrekte geldleningen van € 38.018.615 niet in mindering van de winst van belanghebbende kan worden gebracht.
4.14
Aan het vorenstaande wenst het Gerecht nog het volgende toe te voegen. Ook vanuit een ander (transferpricing) perspectief kan niet anders worden geoordeeld dan dat het afwaarderingsverlies van € 38.018.615 niet behoort te leiden tot genoemd afwaarderingsverlies bij belanghebbende.
4.15
Zowel in de van haar afkomstige stukken als middels verklaringen ter zitting heeft belanghebbende verdedigd dat zij moet worden beschouwd als een doorstroomlichaam of doorgeefluik. Zo schrijft belanghebbende in reactie op een vragenbrief van de Inspecteur op 1 december 2023:
‘Er is sprake van een back-to-back-lening. Het risico van non-betaling wordt uiteindelijk door de moedermaatschappij gedragen [Gerecht: lees [X]]. De tussenliggende vennootschappen zijn niet meer dan doorgeefluiken. Het lopen van reële risico’s is voornamelijk van belang bij de verrekening van bronheffingen en interest. De verrekening van eventuele bronbelasting speelt niet nu er op in- en doorleen activiteit geen bronbelasting wordt geheven.’
In overeenstemming met het vorenstaande is op de doorstroomactiviteit (het inlenen van [X] en het doorlenen aan [Y]) door belanghebbende een ‘spread’ (renteopslag) gehanteerd van 0,5%.
4.16
Een beloning als genoten door belanghebbende van 0,5% duidt erop dat het risico dat belanghebbende loopt zeer laag behoort te zijn. Dit lage risico correspondeert met hetgeen belanghebbende zelf heeft opgemerkt in haar reactie op de vragenbrief van de Inspecteur: het risico ligt niet bij belanghebbende, maar bij de moedermaatschappij, [X]. Om in transferpricingtermen te spreken, de ‘in-control’ functie berust bij [X]. De genoemde (vrijwel) ‘risk-free’-beloning van belanghebbende laat zich niet verenigen met het aan belanghebbende toegerekende afwaarderingsverlies van € 38.018.615. In zakelijke, niet-gelieerde, verhoudingen is het ondenkbaar dat een vennootschap die een ‘risk-free’ beloning voor financieringsfuncties geniet, bereid zou zijn om het extreem hoge risico te aanvaarden, zoals belanghebbende dat heeft gelopen.
II. Mag belanghebbende alsnog rente imputeren?
4.17
Door [X] zijn aan belanghebbende gelden verstrekt ten titel van geldleningen, welke belanghebbende vervolgens heeft doorgeleend aan [Y]. De leningen verstrekt door [X] bettreffen renteloze leningen. Met een beroep op het Zweedse grootmoederarrest verdedigt belanghebbende dat zij alsnog voor wat betreft het jaar 2021 een bedrag van € 1.410.563 ten laste van haar winst kan brengen. Daarbij is belanghebbende uitgegaan van een rente van 7,625%, zijnde de rente die belanghebbende berekent aan [Y], verminderd met een spread van 0,25% en een gemiddelde van de lening(en) aan [X] van € 18.499.181 over het jaar 2021.
Volgens de Inspecteur heeft belanghebbende niet alsnog recht op rente aftrek, omdat juist bij een informele kapitaalstorting er geen sprake is van aftrekbare rentekosten.
4.18
Anders dan de Inspecteur stelt is een informele kapitaalstorting in de kostensfeer wel degelijk mogelijk, zoals volgt uit onder andere het Zweedse grootmoederarrest, ECLI:NL:HR:1978:AX2866. Uit dit arrest volgt dat een besparing op lopende uitgaven (in casu: het door belanghebbende niet hoeven betalen van rente) als informeel kapitaal heeft te gelden, mits het aan belanghebbende toekomende voordeel uitsluitend op grond van de aandeelhoudersrelatie is verleend. Aan de aftrek van rente staat niet in de weg dat de (niet ontvangen) vast te stellen zakelijke rente niet is onderworpen aan de heffing in het land van de ontvanger, [X] (Bermuda). Zie ECLI:NL:HR:2004:AP6552.
Naar het oordeel van het Gerecht wordt aftrek evenmin verhinderd door artikel 6, lid 2, onderdeel c van de Lv WB, omdat geen sprake is van een betalend lichaam (belanghebbende) en de genieter van inkomen ([X]) die voorwaarden zijn overeengekomen die afwijken van die welke zouden zijn overeengekomen tussen onafhankelijke personen. Genoemde bepaling ziet volgens het Gerecht op onzakelijk te hoge betalingen door een lichaam/persoon die in Curaçao belastingplichtig is, waardoor de grondslag van Curaçao wordt geërodeerd. Hiervan is geen sprake. Als gevolg van de toepassing van het Zweedse grootmoederarrest wordt, vanuit belanghebbende bezien, de onzakelijke verhouding tussen haar en [X] juist verzakelijkt.
4.19
Voor wat betreft de beantwoording van vraag II is het gelijk aan belanghebbende. Daarbij heeft belanghebbende gesteld dat als zakelijke rente een percentage van 7,625 dient te worden gehanteerd, welk percentage door de Inspecteur niet is betwist. Het Gerecht zal zich dan ook bij het door belanghebbende gestelde percentage van 7,625 aansluiten.
4.20
Met inachtneming van het overwogene in 4.10 tot en met 4.19 kan de naheffingsaanslag WB 2021, exclusief de boete, voor het jaar 2021 als volgt worden bepaald:
Belastbare winst volgens de aangifte € 34.822.671 -/-
Bij: afschrijving lening [Z] € 38.018.615
Af: te imputeren rente € 1.410.563
Totaal gecorrigeerd resultaat in euro’s € 1.785.381
Koers volgens aangifte euro naar NAf 2,106 NAf 3.760.012
Verschuldigde winstbelasting (22%) NAf 827.202 (naheffingsaanslag WB)
Boete
4.21
Aan belanghebbende is een boete opgelegd van NAf 10.000. De boete is opgelegd op grond van artikel 19, lid 1 ALL juncto artikel 4.7 van de Ministeriële regeling formeel belastingrecht. Ingevolge deze bepalingen kan de Inspecteur een boete opleggen indien belanghebbende de verschuldigde belasting niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de gestelde termijn heeft betaald, omdat in de aangifte winstbelasting de winst niet volledig is aangegeven.
4.22
Het Gerecht acht de opgelegde boete in overeenstemming met de onder 4.21 genoemde artikelen opgelegd en bovendien passend en geboden.
Slotsom
4.23
De slotsom is dat het beroep gegrond is. Het Gerecht zal de verschuldigde winstbelasting bepalen op NAf 827.202 (zie 4.20) en de boete handhaven.
5PROCESKOSTEN EN GRIFFIERECHT
Kosten bezwaarfase
5.1
Het Gerecht ziet geen aanleiding voor een vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar. Voorafgaand aan de uitspraak op bezwaar heeft belanghebbende niet, zoals is vereist in artikel 32a, lid 2 ALL, verzocht om een kostenvergoeding voor de bezwaarfase.
Kosten beroepsfase
5.2
Het Gerecht vindt aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken.
5.3
Ingevolge artikel 15, lid 1 van de Landsverordening op het beroep in belastingzaken (LBB) worden de kosten vergoed die de belastingplichtige in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.
5.4
In artikel 15, lid 2, LBB is bepaald dat de regels over de (hoogte van de) proceskostenvergoeding bij of krachtens landsbesluit worden vastgesteld. Dat is nog niet gebeurd. Het Gerecht zal daarom aansluiten bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, PB 2001, no. 127 (vgl. GHvJ 21 juni 2017, ECLI:NL:OGHACMB:2017:54).
5.5
In artikel 1 van dit Besluit zijn de kosten vermeld die voor vergoeding in aanmerking komen, waaronder de kosten van door een derde verleende beroepsmatige bijstand. Deze kosten kunnen worden berekend op Cg. 1.400 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt NAf 700, wegingsfactor 1).
5.6
Verder dient de Inspecteur op grond van artikel 18, lid 5 LBB het betaalde griffierecht van Cg. 150 aan belanghebbende te vergoeden.
6DE BESLISSING
Het Gerecht:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de uitspraak op bezwaar;
vermindert de naheffingsaanslag WB 2021 naar een bedrag van NAf 827.202;
handhaaft de boete;
veroordeelt de Inspecteur in de kosten van beroep van belanghebbende ten bedrage van Cg. 1.400;
draagt de Inspecteur op het door belanghebbende betaalde griffierecht van Cg. 150 te vergoeden.
Deze uitspraak is gegeven door mr. drs. P.A.M. Pijnenburg, rechter, en uitgesproken op 13 april 2026 in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.M. de Leeuw van Weenen.
De griffier, De rechter,
Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………… aan partijen verzonden.
HOGER BEROEP
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen twee maanden na de verzenddatum hoger beroep instellen bij:
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (belastingkamer)
Emancipatie Boulevard Dominico “Don” Martina 18
Willemstad
Curaçao
U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:
1. Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;
2. Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener,
b. de dagtekening,
c. waartegen u in beroep komt,
d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
Partijen hebben ook de mogelijkheid het ondertekende beroepschrift per e-mail in te dienen bij de griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie:
belastinggriffie@caribjustitia.org.
Voor het instellen van hoger beroep is het volgende bedrag aan griffierecht verschuldigd:
- natuurlijke personen: Cg 200
- personenvennootschappen en rechtspersonen: Cg 500
De lening [Z] is de optelsom van verschillende leningen en de bijgeschreven renten op die leningen.
Zie vorige voetnoot. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|