|
|
|
| ECLI:NL:RBOVE:2026:1845 | | | | | Datum uitspraak | : | 07-04-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 15-04-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Overijssel | | Zaaknummers | : | C/08/344845 / KG ZA 26-31 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | BWT vordert op verbeurte van een dwangsom gedaagde te veroordelen om binnen 24 uur na het betekenen van dit vonnis een auto in goede staat en opgeruimd te parkeren op de oprit van een woning en de sleutels van de auto daar af te geven, of de auto op een andere in goede justitie te bepalen wijze af te geven. Gedaagde voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van BWT. De voorzieningsrechter wijst toe de vorderingen van BWT. | | Trefwoorden | : | burgerlijk wetboek | | | wettelijke rente | | | | Uitspraak | RECHTBANK Overijssel
Civiel recht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: C/08/344845 / KG ZA 26-31
Vonnis in kort geding van 7 april 2026
in de zaak van
BWT TEAM B.V.,
gevestigd te Oldenzaal,
eisende partij,
hierna te noemen: BWT,
advocaat: mr. E.J.M. Maatman,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats 1] , feitelijk verblijvende te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. R.N. Sahebdien.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 20 februari 2026 met (nadere) producties
- de mondelinge behandeling van 31 maart 2026 waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Door mr. Sahebdien zijn tijdens deze mondelinge behandeling spreekaantekeningen overgelegd.
1.2.
[gedaagde] heeft op 31 maart 2025 twee producties in het geding gebracht.
BWT heeft hiertegen bezwaar gemaakt. De voorzieningenrechter zal deze producties buiten beschouwing laten. Onder 3.16 van het Landelijk procesreglement kort gedingen rechtbanken staat dat processtukken die binnen 24 uur (één werkdag) vóór de mondelinge behandeling worden ingediend, in beginsel buiten beschouwing worden gelaten. De producties zijn te laat is ingediend en BWT heeft er niet eerder kennis van kunnen nemen.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
[naam] (hierna: [naam] ) is enig aandeelhouder en bestuurder van MUB Holding B.V. MUB Holding B.V. is enig aandeelhouder en bestuurder van BWT en Bigdata Brothers B.V. (hierna: Bigdata Brothers).
2.2.
Op 4 oktober 2022 is Bulldata Nederland B.V. (hierna: Bulldata) opgericht waarvan MUB Holding B.V. aandeelhouder en bestuurder was. [gedaagde] is enig aandeelhouder van MK Global Group Holding B.V. (hierna: MK Global Group Holding). Op 3 maart 2023 is MK Global Group Holding medebestuurder van Bulldata geworden. Bulldata is op 31 maart 2025 ontbonden. Er is geen vereffenaar benoemd. De verdeling heeft in onderling overleg plaatsgevonden.
2.3.
Bulldata heeft op 12 december 2022 een leaseovereenkomst gesloten met [bedrijf] B.V. voor een bedrijfsauto Mercedes CLA-Klasse 180 met kenteken [kenteken] (hierna: de leaseovereenkomst en de auto) voor een maantermijn van € 508,62. Nadat MK Global Group Holding op 3 maart 2023 medebestuurder is geworden van Bulldata is de auto aan [gedaagde] in gebruik gegeven. Op 30 december 2025 heeft BWT de leaseovereenkomst overgenomen. [gedaagde] heeft de auto nog steeds in gebruik.
3Het geschil
3.1.
BWT vordert op verbeurte van een dwangsom [gedaagde] te veroordelen om binnen 24 uur na het betekenen van dit vonnis de auto in goede staat en opgeruimd te parkeren op de oprit van de woning aan de [adres] en de sleutels van de auto daar af te geven, of de auto op een andere in goede justitie te bepalen wijze af te geven.
3.2.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van BWT.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat BWT daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
4.2.
BWT stelt dat [gedaagde] de auto op grond van artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek (BW) onrechtmatig onder zich houdt. Nadat Bulldata al op 12 december 2022 een leaseovereenkomst is aangegaan met [bedrijf], is de auto in maart 2023 aan [gedaagde] ter beschikking gesteld in zijn hoedanigheid van (indirect) bestuurder van Bulldata. BWT heeft de leaseoverenkomst in december 2025 voortgezet maar neemt al vanaf maart 2025 de kosten daarvan voor haar rekening omdat Bulldata niet solvabel was. [gedaagde] heeft na ontbinding van Bulldata het gebruik van de auto voortgezet omdat [gedaagde] en [naam] voornemens waren een nadere samenwerking aan te gaan. [gedaagde] heeft gedurende enige tijd werkzaamheden om niet verricht voor Bigdata Brothers. De intentie van [gedaagde] en [naam] was dat [gedaagde] aandelen zou verkrijgen in Bigdata Brothers. Deze aandelentransactie heeft geen doorgang gevonden omdat [gedaagde] hiervan af zag en hij op eigen initiatief gestopt is met zijn werkzaamheden voor Bigdata Brothers. Er is daarom geen grondslag voor [gedaagde] om de auto in gebruik te houden en daarom vordert BWT de afgifte ervan.
4.3.
[gedaagde] voert hiertegen verweer. Hij beroept zich op een retentierecht op grond van artikel 3:290 BW en hij stelt daartoe het volgende. De toetreding van [gedaagde] als medebestuurder in Bigdata Brothers is niet van de grond gekomen. Om die reden meent [gedaagde] dat hij een loonvordering heeft op Bigdata Brothers. Hij heeft wekenlang meer dan 40 uur per week arbeid verricht die heeft geleid tot omzet voor de onderneming van [naam] en [gedaagde] wenst hiervoor een eerlijk en redelijk salaris te ontvangen. De auto is in het kader van die samenwerking en door dezelfde feitelijke wederpartij aan [gedaagde] ter beschikking gesteld. [gedaagde] wenst de auto onder zich te houden als pressiemiddel totdat zijn loonvordering is voldaan. Op 18 december 2025 heeft [gedaagde] Bigdata Brothers geïnformeerd over zijn loonvordering. Op 30 december 2025 heeft [naam] , zonder [gedaagde] hierin te kennen, het leasecontract op naam van BWT laten stellen. Daarmee heeft [naam] willens en wetens een voor [gedaagde] belangrijke verhaalsmogelijkheid geblokkeerd. [gedaagde] heeft een verzoek ex artikel 2:23c BW tot (her)opening van de vereffening ingediend en daarin dient de vraag te worden beantwoord of [naam] zich (voorzieningenrechter: in verband met de overschrijving van de auto) rechtmatig heeft voorgedaan als vereffenaar van Bulldata. Gelet op de complexiteit van de feitelijke en juridische situatie - er lopen meerdere juridische geschillen naast elkaar - en het feit dat een bevel tot afgifte zou neerkomen op een definitieve beslissing vooruitlopend op een bodemprocedure is er geen plaats voor toewijzing van de vordering in kort geding, aldus [gedaagde] .
4.4.
BWT betwist dat sprake is van een opeisbare vordering voor het loon dat [gedaagde] wenst te ontvangen voor zijn werkzaamheden. Bovendien staat BWT daar buiten omdat tussen partijen niet in geschil is dat [gedaagde] nimmer werkzaamheden voor BWT heeft verricht en de leaseovereenkomst van de auto is overgenomen door BWT.
4.5.
Hierover wordt als volgt geoordeeld. Volgens artikel 3:290 BW is een retentierecht de bevoegdheid die in de bij de wet aangegeven gevallen aan een schuldeiser toekomt, om de nakoming van een verplichting tot afgifte van een zaak aan zijn schuldenaar op te schorten totdat de vordering wordt voldaan. Uit de artikelen 3:290, 6:52 en 6:57 BW vloeit voort dat de vordering van de schuldeiser opeisbaar moet zijn en dat er tussen de vordering van de schuldenaar en zijn verplichting tot afgifte voldoende samenhang moet bestaan om de opschorting te rechtvaardigen. Tussen partijen is niet in geschil dat van een opeisbare vordering geen sprake is. [gedaagde] heeft een procedure in het vooruitzicht gesteld waarin hij onder meer zijn loonvordering op Bigdata Brothers aan de kantonrechter zal voorleggen. Of dat in dit geval werkelijk leidt tot een toewijsbare vordering van [gedaagde] op Bigdata Brothers en zo ja, in welke omvang, staat op dit moment niet vast. Daarom gaat de uitoefening van een retentierecht reeds daarom te ver.
4.6.
Ook om de volgende reden zou het verweer van [gedaagde] niet slagen. Anders dan [gedaagde] stelt acht de voorzieningenrechter het op voorhand niet aannemelijk dat het leasecontract in het kader van de samenwerking tussen partijen in Bigdata Brothers is gesloten. De leaseovereenkomst is immers al in 2022 gesloten en partijen zijn in maart 2023 gaan samenwerken. De stelling van [gedaagde] dat de leaseovereenkomst alleen ziet op de samenwerking binnen Bigdata Brothers, waar de loonvordering voor in het vooruitzicht wordt gesteld is dan ook niet juist. Dat de auto door dezelfde feitelijke wederpartij ( [naam] ) aan [gedaagde] ter beschikking is gesteld is evenmin relevant: BWT en Bigdata Brothers zijn twee verschillende rechtspersonen (waarvan [naam] bestuurder is) en [gedaagde] heeft erkend dat hij met BWT niets van doen heeft. De leaseovereenkomst is overgenomen door BWT en BWT heeft onbetwist gesteld dat de kosten daarvan al in maart 2025 door BWT worden gedragen. [gedaagde] heeft ook niet aannemelijk gemaakt op grond waarvan hij er van mocht uitgaan dat de leasovereenkomst op naam van Bigdata Brothers was gesteld. Gelet hierop kan [gedaagde] het retentierecht niet als pressiemiddel tegen BWT inroepen.
De vordering van BWT tot afgifte van de auto wordt daarom toegewezen.
4.7.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van BWT worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
126,46
- griffierecht
€
735,00
- salaris advocaat
€
1.117,00
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.167,46
4.8.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis de auto, zijnde een Mercedes-Benz CLA met kenteken [kenteken] , in goede staat en opgeruimd te parkeren op de oprit voor de woning aan de [adres] en de sleutels van de auto aldaar af te geven,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan BWT een dwangsom te betalen van € 1.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan de veroordeling onder 5.1. voldoet, tot een maximum van € 35.000,00 is bereikt,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.167,46, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Smedes en in het openbaar uitgesproken op 7 april 2026. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|