Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:OGHACMB:2026:71 
 
Datum uitspraak:15-04-2026
Datum gepubliceerd:16-04-2026
Instantie:Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Zaaknummers:CUR2025H00205
Rechtsgebied:Vreemdelingenrecht
Indicatie:Intrekking verblijfsvergunning i.v.m. gevangenisstraf van tien jaren, beoordeling familie- en privéleven artikel 8 EVRM. Bevestiging uitspraak van het Gerecht.
Trefwoorden:levensonderhoud
 
Uitspraak
CUR2025H00205
Datum uitspraak: 15 april 2026

gemeenschappelijk hof van jusTitie


van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN


EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Uitspraak op het hoger beroep van:
[naam appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht) van 20 juni 2025 in zaak nr. CUR202403304, in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Justitie (hierna: de minister)

Procesverloop

Bij beschikking van 28 februari 2023 heeft de minister de vergunning tot verblijf voor onbepaalde tijd van appellant ingetrokken.
Bij beschikking van 18 juli 2024 heeft de minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard (hierna: de bestreden beschikking).
Bij uitspraak van 20 juni 2025 heeft het Gerecht het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft nadere stukken ingediend.
Het Hof heeft de zaak op een zitting behandeld op 25 maart 2026. Appellant en zijn advocaat, mr. S.N. Zahedi, waren aanwezig. Ook [naam jongste dochter] en [naam partner] waren aanwezig. De minister werd vertegenwoordigd door mr. M.F. Bonapart en mr. L.J.C. Frias, advocaten.

Overwegingen


Inleiding

1. Appellant heeft de Haïtiaanse nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum] in Haïti en hij verblijft sinds 17 februari 1999 rechtmatig in Curaçao. De minister heeft appellant in 2013 een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd verleend.
1.1. De strafrechter heeft appellant op 26 maart 2021 onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van tien jaren, voor het opdrachtgeven tot brandstichting in het kantoor van de Belastingdienst op 22 augustus 2019. Daarnaast is appellant in dit vonnis veroordeeld voor witwassen, diefstal van elektriciteit en het voorhanden hebben van een trilplaat die afkomstig was uit diefstal. De minister heeft in deze veroordeling aanleiding gezien om de verblijfsvergunning van appellant in te trekken.

Uitspraak van het Gerecht

2. Het Gerecht heeft samengevat weergegeven het volgende overwogen. De beroepsgronden van appellant over de actuele veiligheidssituatie in Haïti behoeven geen bespreking, omdat deze beoordeeld moeten worden in een procedure tegen een uitzettingsbevel. Verder is voldaan aan de toepassingsvoorwaarde voor intrekking uit artikel 14, eerste lid, aanhef en onder b, van de Landsverordening toelating en uitzetting (hierna: Ltu), omdat appellant onherroepelijk is veroordeeld voor een misdrijf tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van meer dan drie maanden. Intrekking van de verblijfsvergunning is evenwel een discretionaire bevoegdheid van de minister en hij maakt daarbij een belangenafweging. In dit geval heeft de minister in zijn afweging niet ten onrechte groot gewicht toegekend aan de veroordeling tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van tien jaar, een straf die de wettelijke ondergrens ruimschoots overstijgt. Ook heeft de minister deugdelijk gemotiveerd waarom het familieleven tussen appellant en zijn partner, dochters en kleinzoon niet kan worden aangemerkt als beschermenswaardig familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. De minister heeft gelet op het voorgaande niet ten onrechte meer gewicht toegekend aan het algemeen belang bij bescherming van de openbare orde dan aan het belang van appellant bij behoud van zijn privé- en familieleven, aldus het Gerecht.

Het betoog in hoger beroep

3. Appellant betoogt ten eerste dat het Gerecht er in zijn oordeel ten onrechte aan voorbij is gegaan dat van hem niet mag worden verwacht dat hij terugkeert naar Haïti. Hij zal daar door de actuele veiligheidssituatie niet in zijn levensonderhoud kunnen voorzien, geen medische zorg of huisvesting kunnen krijgen en zijn gezinsleven niet kunnen uitoefenen. Omdat terugkeer naar Haïti niet mogelijk is zal hij in Curaçao moeten blijven en zal intrekking van zijn verblijfsvergunning tot veel praktische problemen leiden. Hij kan dan geen aanspraak meer maken op een verzekering bij de Sociale Verzekeringsbank, krijgt geen toegang tot sociale zekerheid, zal niet legaal kunnen werken en daarom zal hij ook niet in het levensonderhoud van hemzelf en zijn familie kunnen voorzien. Ten tweede betoogt appellant dat het gezinsleven tussen hem en zijn dochters, kleinzoon en partner weldegelijk wordt beschermd door artikel 8 van het EVRM. Hij verblijft inmiddels meer dan vijfentwintig jaar in Curaçao en zijn hele gezin verblijft hier. Hij wijst op later door hem overgelegde documenten waaruit kan worden afgeleid dat [naam jongste dochter] zijn biologische dochter is en dat hij een proces is gestart om haar te erkennen. Hij betoogt dat hij een centrale rol speelt in haar leven en dat van haar zoon [naam kleinzoon]. [naam jongste dochter] woont sinds 2012 op het adres van appellant, hij heeft haar verzorgd en hij betaalt voor de opvang van [naam kleinzoon]. Appellant betoogt dat hij ook voor zijn dochter [naam oudste dochter] en zijn partner [naam partner] zorgt. Sinds de komst van [naam oudste dochter] naar Curaçao in 2017 voorziet appellant volledig in haar levensonderhoud en zijn partner [naam partner] verklaart dat zij de gezinsverantwoordelijkheden niet alleen kan dragen. Deze elementen moeten gelet op artikel 8 van het EVRM bij de beoordeling betrokken worden en staan volgens appellant in de weg aan intrekking van zijn verblijfsvergunning.

Beoordeling


Situatie in Haïti
4. Het Hof gaat allereerst in op de vraag of het Gerecht terecht ervan is uitgegaan dat de (on-)mogelijkheid voor appellant om terug te keren naar Haïti, niet voorligt in deze procedure, maar pas een rol speelt bij het beoordelen van een uitzettings- of verwijderingsbevel.

4.1.
Het Hof beantwoordt deze vraag bevestigend. De minister is bevoegd om een verblijfsvergunning in te trekken, ongeacht of een vreemdeling mag worden uitgezet met toepassing van artikel 15 van de Ltu dan wel verwijderd met toepassing van artikel 19 van de Ltu. Voordat een vreemdeling mag worden uitgezet of verwijderd, moet er een uitzettings- of verwijderingsbevel worden uitgevaardigd dat aan de eisen van artikel 3 van het EVRM moet voldoen. Wanneer de minister een verblijfsvergunning van een vreemdeling intrekt, neemt hij daarmee nog geen standpunt in over de vraag of deze vreemdeling kan worden uitgezet of verwijderd naar zijn land van herkomst. Dit betekent in dit geval dat de gevolgen van uitzetting of verwijdering naar Haïti niet betrokken hoeven te worden bij de beslissing tot intrekking van de verblijfsvergunning. Dat moet wel wanneer er een uitzettings- of verwijderingsbevel wordt uitgevaardigd jegens appellant, maar zoals de minister op de zitting bij het Hof heeft toegelicht, doet die situatie zich op dit moment nog niet voor.


4.2.
Het betoog van appellant dat hij door de intrekking van zijn verblijfsvergunning geen toegang meer heeft tot de nodige voorzieningen, waaronder mogelijkheden om legaal inkomen te verwerven en toegang tot het stelstel van sociale zekerheid te krijgen, leidt niet tot een andere uitkomst. Het Hof betrekt daarbij dat er weliswaar nu nog geen zelfstandige vertrekplicht op appellant rust om (al dan niet gedwongen) terug te keren naar Haïti, maar de minister heeft op de zitting bij het Hof toegelicht dat het voornemen bestaat om na de strafrechtelijke vrijheidsontneming, die eindigt op 28 augustus 2026, een uitzettings- of verwijderingsbevel uit te vaardigen jegens appellant en om hem uit te zetten dan wel te verwijderen naar Haïti. Daarbij heeft de minister ook toegelicht dat het thans weer mogelijk is naar Haïti te reizen en dat er een Haïtiaanse consul is op Curaçao die indien nodig een nieuw paspoort of ander reisdocument kan afgeven. Het Hof volgt appellant daarom niet in het betoog dat hij na intrekking van zijn verblijfsvergunning aangewezen zal zijn op een illegaal bestaan in Curaçao.


4.3.
Het betoog slaagt niet.



Artikel 8 van het EVRM

4.4.
Het Hof stelt vast dat niet in geschil is dat is voldaan aan de toepassingsvoorwaarde voor intrekking van de verblijfsvergunning uit artikel 14, eerste lid, aanhef en onder b, van de Ltu, gezien de strafrechtelijke veroordeling van appellant. De minister was daarom in beginsel bevoegd om de verblijfsvergunning van appellant in te trekken. In geschil is of de minister gebruik mocht maken van die bevoegdheid, gelet op de relaties van appellant met zijn twee dochters, kleinzoon en partner.

Band met [naam jongste dochter] en [naam kleinzoon]



4.5.
De relatie tussen appellant en [naam jongste dochter] geniet geen bescherming op grond van artikel 8 van het EVRM. Er is namelijk geen sprake van een relatie tussen een ouder en een minderjarig kind, [naam jongste dochter] valt niet onder de bijzondere regels voor jongvolwassenen en niet is gebleken van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Daarvoor is het volgende redengevend.

4.5.1.
Nog daargelaten of [naam jongste dochter] beschouwd kan worden als de biologische en/of juridische dochter van appellant, is zij geboren op [datum] 2001 en was zij ten tijde van de besluitvorming niet zijn minderjarige kind.


4.5.2.
Daarnaast heeft appellant niet onderbouwd dat [naam jongste dochter] gezien moet worden als jongvolwassene die nog bij haar ouders woont en geen eigen gezin heeft gesticht, als bedoeld in de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM), waaronder de uitspraak van 2 juni 2020, nummer 3138/16, ECLI:CE:ECHR:2020:0602JUD000313816, Azerkane tegen Nederland, punt 64. Uit de omstandigheid dat zij zelf een kind heeft, volgt in beginsel juist het tegendeel.


4.5.3.
Appellant heeft evenmin onderbouwd dat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen hem en [naam jongste dochter]. Appellant heeft gesteld dat zij sinds 2012 bij hem heeft gewoond, maar de minister mocht in de bestreden beschikking uitgaan van de informatie uit het basisregister persoonsgegevens, waaruit blijkt dat [naam jongste dochter]zich op 30 september 2021 heeft ingeschreven op het adres van appellant. Het Hof wijst ter vergelijking op zijn uitspraak van 19 november 2025, ECLI:NL:OGHACMB:2025:279, onder 4.3, waarin is overwogen dat de informatie uit het basisregister in beginsel leidend is. De overgelegde verklaring van de tante, dat [naam jongste dochter] sinds 2012 bij appellant is gaan wonen in verband met ziekte van de partner van de tante, is onvoldoende om anders te oordelen. Op het moment dat [naam jongste dochter] zich inschreef op het adres van appellant zat hij zelf al in de gevangenis, waar hij nog steeds verblijft. Aldus heeft appellant niet onderbouwd dat hij op enig moment in gezinsverband heeft samengeleefd met [naam jongste dochter]. Appellant betoogt verder dat hij [naam jongste dochter] financieel ondersteunt, maar dat leidt niet tot de conclusie dat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid, alleen al omdat hij dat ook op afstand kan blijven doen. De minister heeft het voorgaande deugdelijk gemotiveerd in de bestreden beschikking.


4.5.4.
Voor de band tussen appellant en de zoon van [naam jongste dochter], [naam kleinzoon], geldt dat deze alleen onder de reikwijdte van artikel 8 van het EVRM valt als sprake is van hechte familiebanden, bijvoorbeeld door samenleving of door frequent contact (uitspraak van het EHRM van 25 november 2014, nummer 10140/13, ECLI:CE:ECHR:2014:1125DEC001014013, Kruškić tegen Kroatië, punt 108). [naam kleinzoon] is geboren op [datum] 2021 en heeft dus niet met appellant in gezinsverband samengeleefd, noch heeft appellant met stukken gestaafd dat hij frequent contact heeft met [naam kleinzoon]. Appellant stelt dat hij de kinderopvang van [naam kleinzoon] betaalt, maar alleen financiële steun is onvoldoende om te kunnen spreken van hechte familiebanden.

Band met [naam oudste dochter]




4.6.
Over de band tussen appellant en [naam oudste dochter] heeft de minister terecht opgemerkt dat zij geboren is op [geboortedatum] en dus ten tijde van de bestreden beschikking 27 jaar oud was. Appellant heeft niet onderbouwd dat zij ondanks deze leeftijd nog beschouwd moet worden als jongvolwassene wiens gezinsleven met haar vader door artikel 8 van het EVRM beschermd wordt. Van bijkomende elementen van afhankelijkheid is verder niet gebleken, zoals de minister terecht uiteen heeft gezet. Na het vertrek van appellant uit Haïti hebben ze achttien jaren gescheiden van elkaar geleefd, tot het vertrek van [naam oudste dochter] naar Curaçao in maart 2017. Appellant heeft gesteld dat [naam oudste dochter] ziek is, maar dat heeft hij niet nader onderbouwd. Verder heeft hij gesteld dat hij [naam oudste dochter] financieel onderhoudt, maar dat is onvoldoende om te oordelen dat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen hem en zijn meerderjarige dochter. Nu geen sprake is van een relatie tussen een ouder en een minderjarig kind, [naam oudste dochter] niet onder de bijzondere regels voor jongvolwassenen valt en niet is gebleken van bijkomende elementen van afhankelijkheid, geniet de relatie tussen appellant en [naam oudste dochter] geen bescherming op grond van artikel 8 van het EVRM.

Band met [naam partner]



4.7.
Over de band met zijn gestelde partner [naam partner] betoogt appellant tevergeefs dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat deze band niet onder de reikwijdte van artikel 8 van het EVRM valt. De minister heeft over hun gestelde relatie ten eerste terecht opgemerkt dat appellant niet heeft onderbouwd dat ze in gezinsverband hebben samengeleefd. Daarbij heeft de minister mogen betrekken dat [naam partner] niet op hetzelfde adres is ingeschreven in het basisregister persoonsgegevens. Verder heeft de minister terecht meegewogen dat het (afgewezen) verzoek tot ondertrouw pas na intrekking van de verblijfsvergunning is ingediend. Hij heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat aan het voornemen om te trouwen daarom maar beperkt gewicht toekomt. Van andere omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat sprake is van een duurzame relatie, is niet gebleken. Appellant voert in hoger beroep aan dat [naam partner] de gezinsverantwoordelijkheden niet zonder hem kan dragen, maar het Hof merkt daarover op dat zij de gestelde verantwoordelijkheden thans ook zelfstandig draagt gezien de relatief lange gevangenisstraf van appellant.

Tussenconclusie



4.8.
Het betoog van appellant dat het Gerecht niet heeft onderkend dat het gezinsleven tussen hem en zijn dochters, kleinzoon en partner onder de reikwijdte van artikel 8 van het EVRM valt, slaagt niet.

Beschermenswaardig privéleven door langdurig verblijf?



4.9.
Appellant brengt tot slot naar voren dat hij al meer dan 25 jaar onafgebroken in Curaçao verblijft, maar de minister hoefde niet alleen al daarom anders te beslissen. Uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat artikel 8 van het EVRM geen absolute bescherming biedt tegen de intrekking van een verblijfsvergunning van iemand die al heel lang in het gastland woont. Dat geldt ook voor vreemdelingen die geboren zijn in het gastland of daar al sinds hun vroege jeugd verblijven (uitspraak van 23 juni 2008, nummer 1638/03, ECLI:CE:ECHR:2008:0623JUD000163803, Maslov tegen Oostenrijk, punten 74 en 75). In dit kader wijst het Hof ter vergelijking nog op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2093, over de intrekking van het Nederlanderschap van iemand die in Nederland is geboren. De minister heeft appellant in dit kader kunnen tegenwerpen dat hij al 27 jaar oud was toen hij vertrok uit Haïti en naar Curaçao kwam. Het langdurig verblijf van appellant in Curaçao maakt wel dat er zeer serieuze redenen moeten zijn om de intrekking van zijn verblijfsvergunning te rechtvaardigen. De minister heeft deugdelijk gemotiveerd dat die redenen er zijn, gezien zijn uitvoerige en onbestreden uiteenzetting dat de brandstichting waarvoor appellant is veroordeeld heeft geleid tot veel materiële schade en maatschappelijke onrust en dat het functioneren van de belastingdienst hierdoor ernstig en voor langere duur is bedreigd.

Conclusie

5. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van het Gerecht wordt bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:


bevestigt de uitspraak van het Gerecht.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter, en mr. E.J. Daalder en mr. G.T.J.M. Jurgens, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Buntjer, griffier.












w.g. Van Ettekoven
voorzitter


w.g. Buntjer
griffier







Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2026.
Link naar deze uitspraak