Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:GHAMS:2026:970 
 
Datum uitspraak:07-04-2026
Datum gepubliceerd:16-04-2026
Instantie:Gerechtshof Amsterdam
Zaaknummers:200.360.360/01
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:incident ex artikel 351 Rv wordt afgewezen wegens onvoldoende belang
Trefwoorden:arbeidsovereenkomst
belastingrecht
wettelijke rente
 
Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

zaaknummer: 200.360.360/01

zaak-/rekestnummers rechtbank : C/13/758664/ HA RK 24-369 en C/13/763849 HA RK 25-37


beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 7 april 2026



gewezen in het incident ex artikel 351 Rv in de zaak van




[appellant]
,
wonende te [plaats 1] ,
appellante in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
advocaat: mr. C.A.B. Zeevenhooven te Amsterdam,

tegen



[geïntimeerde] STICHTING,

gevestigd te [plaats 2] ,
geïntimeerde in de hoofdzaak,
verweerder in het incident,
advocaat: mr. M.C.T. Burgers te Amsterdam.

Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.





1Het geding in hoger beroep


[appellant] is bij beroepschrift van 16 oktober 2025 in hoger beroep gekomen van de beschikking die de rechtbank Amsterdam op 17 juli 2025 (hierna: de bestreden beschikking) onder bovenvermelde zaak-/rekestnummers heeft gegeven.

[appellant] heeft in het beroepschrift tevens een incidentele vordering ingesteld, strekkend tot het schorsen van de tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking ex artikel 351 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en [geïntimeerde] te veroordelen in de kosten van het incident.


[geïntimeerde] heeft op 20 november 2025 een verweerschrift in het incident ex artikel 351 Rv met productie ingediend en daarbij geconcludeerd tot afwijzing van de incidentele vordering en veroordeling van [appellant] in de kosten van het incident.

Partijen hebben hun standpunten in het incident tijdens de mondelinge behandeling van 4 maart 2026 laten toelichten, [appellant] door mr. Zeevenhooven voornoemd en [geïntimeerde] door mr. Burgers voornoemd, mr. Zeevenhooven aan de hand van spreekaantekeningen die zij aan het hof heeft overgelegd.

Het hof heeft daarna een datum bepaald voor uitspraak in het incident.




2Beoordeling


De feiten in het incident



2.1.

[geïntimeerde] behandelt en begeleidt kinderen en volwassenen met een vorm van autisme, en hun naasten.



2.2.
Op 1 mei 2012 is [appellant] benoemd als statutair bestuurder van [geïntimeerde] . Op die datum hebben partijen een arbeidsovereenkomst gesloten voor onbepaalde tijd.



2.3.
Op 30 augustus 2024 heeft de RvT van [geïntimeerde] [appellant] als statutair bestuurder ontslagen en haar dienstverband met [geïntimeerde] beëindigd.


De procedure bij de rechtbank voor zover van belang in het incident




2.4.
In de bestreden beschikking heeft de rechtbank [appellant] onder meer veroordeeld om aan [geïntimeerde] te betalen:
- € 61.883,43 aan teveel ontvangen salaris en beloning te vermeerderen met de wettelijke rente;
- € 11.073,12 aan schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente en
- € 13.799,00 aan proceskosten, eventueel te vermeerderen met nakosten.
Deze veroordelingen zijn uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

De beoordeling in hoger beroep in het incident




2.5.

[appellant] heeft aan haar incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging ten grondslag gelegd dat er beslag ligt op haar woonhuis en dat, indien de executie wordt doorgezet, dit voor haar een absolute noodtoestand oplevert met onherstelbare gevolgen. Daarbij dient volgens [appellant] te worden meegewogen dat zij in hoger beroep de beloningsbesluiten over 2019, 2021 en 2022 heeft overgelegd die pas na de bestreden beschikking voor haar beschikbaar zijn gekomen. Daaruit blijkt volgens [appellant] dat de beloningen kenbaar waren voor de RvT en dat de RvT daarover (bewust) onjuist heeft verklaard in eerste aanleg.


2.6.

[geïntimeerde] heeft in het verweerschrift toegezegd de executoriale verkoop van [appellant] woning niet te hervatten tot het moment waarop het hof einduitspraak heeft gedaan in deze zaak.



2.7.

[appellant] heeft op de zitting in hoger beroep toegelicht ook zekerheid te willen hebben omtrent de beslagen op haar bankrekening. Desgevraagd heeft zij toegelicht dat er op dit moment geen beslag rust op haar bankrekening omdat een eerdere poging om daarop beslag te leggen geen doel trof, maar dat ze vreest voor een toekomstige nieuwe beslaglegging. [geïntimeerde] heeft daarop bij monde van haar advocaat toegelicht dat dit belang niet is genoemd in het incidenteel verzoekschrift en toegezegd dat er geen executie zal plaatsvinden tot het eindoordeel van het hof.



2.8.
Het hof stelt het volgende voorop. Bij de beoordeling van een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging, indien tegen de ten uitvoer te leggen uitspraak een rechtsmiddel is ingesteld, heeft op grond van HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026 het volgende te gelden.

a. Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar is en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, of diens belang bij zekerheidstelling, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan of bij deze uitvoerbaarheid zonder dat daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden.

b. Bij de toepassing van de onder (a) genoemde maatstaf moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(en) berust(en) op een kennelijke misslag.

c. Als de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad in de ten uitvoer te leggen uitspraak is gemotiveerd, moet de eiser of verzoeker, afgezien van het geval dat deze beslissing berust op een kennelijke misslag, aan zijn vordering of verzoek feiten en omstandigheden ten grondslag leggen die bij het nemen van deze beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst na de betrokken uitspraak hebben voorgedaan en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken.



2.9.
De rechtbank heeft de beslissing om de bestreden beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren niet gemotiveerd. Het hof zal de incidentele vordering daarom beoordelen aan de hand van de hiervoor onder (a) en (b) weergegeven maatstaven.



2.10.
Aan het belang van [appellant] dat zij haar woning niet verliest, is [geïntimeerde] op 20 november 2025 tegemoet gekomen met de toezegging de executoriale verkoop van de woning niet te hervatten totdat het hof einduitspraak heeft gedaan in deze zaak. Aan het op de zitting in hoger beroep aangevoerde belang dat geen toekomstige bankbeslagen worden gelegd, is [geïntimeerde] eveneens tegemoet gekomen met de toezegging niet te zullen executeren totdat het hof einduitspraak heeft gedaan in deze zaak. Daarmee heeft [appellant] op dit moment onvoldoende belang bij haar incidentele vordering.
Dat na de bestreden beschikking beloningsbesluiten boven water zijn gekomen waaruit blijkt dat [geïntimeerde] in eerste aanleg in strijd met de waarheid heeft verklaard en dat [appellant] niet teveel salaris en beloning heeft ontvangen zoals [appellant] heeft gesteld, heeft [geïntimeerde] betwist. Een oordeel daarover zal aan de orde kunnen komen in de hoofdzaak. In elk geval maakt dat niet dat het oordeel omtrent de belangenafweging anders uitvalt.



2.11.
Een beslissing omtrent de proceskostenveroordeling in het incident houdt het hof aan tot de einduitspraak in de hoofdzaak.













3Beslissing

Het hof:


in het incident:


wijst het verzoek van [appellant] af;

houdt de beslissing over de proceskosten aan tot de einduitspraak in de hoofdzaak;


in de hoofdzaak:


verwijst de zaak naar 19 mei 2026 voor indiening van een verweerschrift door [geïntimeerde] ;

houdt iedere verdere beslissing aan.


Deze beschikking is gegeven door mrs. I.A. van der Burg, R.A. Boon en A.L. Bervoets en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 7 april 2026.
Link naar deze uitspraak