Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:GHAMS:2026:1004 
 
Datum uitspraak:07-04-2026
Datum gepubliceerd:16-04-2026
Instantie:Gerechtshof Amsterdam
Zaaknummers:200.365.831/01
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Het verzoek van schuldenaar tot toelating tot de schuldsaneringsregeling is ook in hoger beroep niet toewijsbaar. Schuldenaar is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat hij ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van een aantal schulden te goeder trouw is geweest. Ook is niet aannemelijk geworden dat schuldenaar de verplichtingen in de schuldsaneringsregeling naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen inkomsten te verwerven ten behoeve van de schuldeisers. Niet is gebleken van een saneringsgezinde houding. Volgt bekrachtiging vonnis.
Trefwoorden:belastingrecht
bijstandsuitkering
huurovereenkomst
levensonderhoud
omzetbelasting
uitkering
vrijstelling
 
Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team 1

zaaknummer : 200.365.831/01

rekestnummer rechtbank : C13/767092 / FT RK 25/314


arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 7 april 2026


in de zaak van



[appellant] ,

wonende te [plaats] ,
appellant,
advocaat: mr. P. van der Veld te Den Haag.





1Het geding in hoger beroep

Appellant wordt hierna [appellant] genoemd.


[appellant] is bij per e-mail op 6 maart 2026 ter griffie van het hof ingekomen beroepschrift in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 27 februari 2026, waarbij het verzoek van [appellant] tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling is afgewezen.

Het hoger beroep is behandeld ter zitting van 31 maart 2026. Bij die behandeling is [appellant] verschenen, bijgestaan door mr. Van der Veld voornoemd, die het beroepschrift heeft toegelicht.

Het hof heeft kennisgenomen van het beroepschrift met bijlagen, het dossier van de rechtbank en de brief van Libra International B.V. (hierna: de verhuurder) van 12 maart 2026, met bijlagen. [appellant] heeft verklaard eveneens te beschikken over de genoemde stukken.





2Beoordeling


2.1.

[appellant] heeft in het beroepschrift verzocht het bestreden vonnis te vernietigen en alsnog tot de wettelijke schuldsaneringsregeling te worden toegelaten. Daartoe heeft [appellant] – samengevat en voor zover van belang voor de beslissing – het volgende aangevoerd.

[appellant] kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden in de afgelopen drie jaar te goeder trouw is geweest. De belastingschulden zijn volgens hem grotendeels ontstaan doordat hij in 2012 geen aangifte omzetbelasting heeft gedaan, omdat er geen omzet was. De schuld aan de gemeente Breda betreft de terugvordering van een bijstandsuitkering. [appellant] stelt dat hij zich in die periode actief heeft ingespannen om werk te vinden en inkomsten te genereren en dat de gemeente zijn uitingen op social media onjuist heeft geïnterpreteerd, waarna de bijstand over 2018 is teruggevorderd. De huurschuld is ontstaan doordat een vermogende klant van [appellant] had toegezegd de huur te voldoen, maar dit gedurende langere tijd heeft nagelaten. [appellant] meent dat hem hiervan geen verwijt kan worden gemaakt. De overige schulden zijn het gevolg van een inkomensterugval die inmiddels met ondersteuning van de gemeente onder controle is.



2.2.
Ter zitting in hoger beroep heeft de advocaat van [appellant] in aanvulling op het beroepschrift naar voren gebracht dat [appellant] de aantijgingen in de brief van de verhuurder van 12 maart 2026 betwist. Voorts heeft hij aangevoerd dat [appellant] alle beschikbare informatie heeft verstrekt en dat zijn detentie inmiddels is beëindigd, zodat deze niet langer relevant is. Van het niet nakomen van de lopende huurbetalingsverplichtingen is geen sprake, behoudens één gemiste betaling. Dat de schuldhulpverlener buiten beeld is geraakt komt doordat diens werkzaamheden zijn geëindigd na het indienen van het onderhavige verzoek. De e-mail van [appellant] met daarin de ongepaste uitlating jegens de door de verhuurder ingeschakelde uitvoerder, dient te worden bezien tegen de achtergrond van de onderhoudsgebreken in de woning en staat los van het onderhavige verzoek. [appellant] ontvangt een uitkering en is door de gemeente vrijgesteld van de sollicitatieplicht.



2.3.
Het hof overweegt als volgt. Ingevolge artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b Faillissementswet (Fw) wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. Hierbij gaat het om een gedragsmaatstaf die mede wordt gehanteerd om beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan, waarbij de rechter met alle omstandigheden van het geval rekening kan houden. Daarbij spelen (onder meer) een rol de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, en het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties om verhaal door schuldeisers juist te frustreren.



2.4.
Toepassing van deze maatstaf in het onderhavige geval leidt ertoe dat [appellant] er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat hij te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van een groot deel van zijn schulden. Hiertoe is het volgende redengevend. Uit de overgelegde crediteurenlijst ex artikel 284 Fw blijkt dat [appellant] onder meer schulden heeft aan het CJIB (€ 8.959,39), de gemeente Breda wegens terugvordering bijstand (€ 24.863,70) en de Belastingdienst in verband met omzetbelasting (€ 21.391,00). Deze schulden zijn volgens artikel 7.3.4 van de Landelijke uniforme beoordelingscriteria toelating schuldsanering (Bijlage III bij het Landelijk Procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken) naar hun aard niet te goeder trouw ontstaan en staan daarom aan het verzoek tot toelating tot schuldsaneringsregeling in de weg. Daarbij komt het volgende. Blijkens de specificatie van het CJIB en de verklaring van [appellant] ter zitting in hoger beroep betreft het bedrag van € 8.959,39 voornamelijk verkeersboetes. Een aantal daarvan is nog in 2025 opgelegd. Wat betreft de oudere boetes is van belang dat [appellant] desgevraagd heeft verklaard dat deze verkeersovertredingen voornamelijk zijn begaan gedurende zijn werkzaamheden als escort tussen 2018 en eind 2024. Daarmee genereerde hij - naar eigen zeggen - voldoende inkomsten, soms zelfs drie keer modaal, en kon hij in zijn eigen levensonderhoud voorzien. Desondanks heeft [appellant] de verkeersboetes onbetaald gelaten, terwijl mag worden aangenomen dat hij tot en met eind 2024 over middelen heeft beschikt om deze te betalen. Het ten onrechte onbetaald laten van de boetes is minder dan drie jaar geleden, zodat ook in dit opzicht het ontbreken van de goede trouw hem kan worden tegengeworpen. Dat geldt ook ten aanzien van bovengenoemde schuld van [appellant] aan de gemeente Breda inzake de terugvordering van genoten bijstand. [appellant] heeft weliswaar verklaard dat de gemeente Breda zijn uitingen op ‘social media’ onjuist heeft geïnterpreteerd en daarom ten onrechte bijstand heeft teruggevorderd, maar uit hetgeen ter zitting in hoger beroep is verhandeld, is gebleken dat [appellant] in een door hem aanhangig gemaakte bezwaar- en beroepsprocedure in het ongelijk is gesteld zodat het ervoor moet worden gehouden dat ten aanzien van het ontstaan van deze schuld [appellant] een verwijt kan worden gemaakt. Ook dit betreft weliswaar een oude schuld, maar ook hiervoor geldt dat het volledig onbetaald laten daarvan gedurende de drie jaren voorafgaand aan het verzoekschrift [appellant] kan worden tegengeworpen. Ten aanzien van de hiervoor genoemde schuld aan de Belastingdienst heeft [appellant] verklaard dat hij in 2012 een eenmanszaak had waarmee hij niet of nauwelijks omzet genereerde, dat hij niet wist dat hij desondanks aangifte moest doen voor de omzetbelasting en dat de Belastingdienst bij gebreke van een opgave van [appellant] de omzet zelf heeft geschat waarbij van een te hoog bedrag is uitgegaan. Wat hiervan ook zij, [appellant] heeft, gelet op zijn kennelijk ruime inkomsten in de jaren 2018 tot en met 2024 uit escortwerkzaamheden, onvoldoende aannemelijk gemaakt waarom hij de schuld aan de Belastingdienst onbetaald heeft gelaten. Verder is gebleken dat [appellant] een schuld heeft aan de verhuurder met betrekking tot zijn huidige woning en dat deze schuld thans € 11.408,11 bedraagt inclusief bijkomende kosten. Ter zake van deze schuld is uit de stukken gebleken dat bij arrest van dit hof van 11 februari 2025 (ECLI:NL:GHAMS:2025:398) onder meer de huurovereenkomst is ontbonden en dat [appellant] is veroordeeld het gehuurde te ontruimen. Het hof heeft aan die beslissingen ten grondslag gelegd dat [appellant] in een periode van tweeënhalf jaar vijfmaal een huurachterstand van meer dan drie maanden heeft laten ontstaan. Ook ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van deze schuld heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt te goeder trouw te zijn geweest in de drie jaar voorafgaand aan zijn verzoekschrift. [appellant] heeft geen goede verklaring gegeven voor het feit dat hij (telkens) een huurachterstand heeft laten ontstaan en dat hij deze huurachterstand heeft laten oplopen, met bijkomende kosten, tot het hiervoor genoemde bedrag. Zijn verklaring dat een klant had toegezegd de huurachterstand te betalen maar deze toezegging uiteindelijk niet is nagekomen, baat [appellant] niet. [appellant] is uit hoofde van de huurovereenkomst zelf verantwoordelijk voor de nakoming van de huurbetalingsverplichtingen en kan zich daarvoor niet verschuilen achter een toezegging van een derde, wat daarvan ook zij. De omstandigheid dat aan [appellant] bij vonnis van 15 mei 2025 een voorlopige voorziening ex artikel 287b Fw is toegekend waarbij de verhuurder is verboden tot ontruiming over te gaan en deze voorziening meermalen is verlengd en tot op heden van kracht is, leidt evenmin tot een ander oordeel.



2.5.
Het voorgaande leidt ertoe dat het bepaalde in artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b Fw aan toelating van [appellant] tot de schuldsaneringsregeling in de weg staat. [appellant] heeft evenwel een beroep gedaan op de in artikel 288, derde lid, Fw neergelegde hardheidsclausule. Dit beroep baat hem niet. Allereerst heeft [appellant] geen, althans onvoldoende, omstandigheden aangedragen waaruit zou blijken dat sprake is van een gedragsverandering of een zekere (persoonlijke) ontwikkeling die zich uitbetaalt in het feit dat hij de situatie die hem in financiële problemen heeft gebracht voldoende onder controle heeft. Daarbij komt dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven (artikel 288, eerste lid, aanhef en onder c, Fw), hetgeen een zelfstandige grond vormt voor afwijzing van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ongeacht een beroep op de hardheidsclausule. Niet is gebleken dat [appellant] thans arbeid in loondienst verricht en evenmin is gebleken dat hij zich inspant om een betaalde baan te zoeken. [appellant] heeft ter zitting in hoger beroep weliswaar verklaard dat hij door de gemeente [plaats] is vrijgesteld van de sollicitatieplicht, maar gesteld noch gebleken is dat die vrijstelling is geschied op medische gronden, zodat [appellant] in staat moet worden geacht arbeid in loondienst te verrichten en daarmee baten voor de schuldeisers kan verwerven. [appellant] heeft geen goede verklaring gegeven waarom hij daartoe niet is overgegaan. Evenals de omstandigheid dat [appellant] er zelf voor heeft gekozen om bepaalde verplichtingen niet na te komen zoals hiervoor onder 2.3 is overwogen met betrekking tot het onbetaald laten van schulden, duidt dit niet op een saneringsgezinde houding. Daarnaast heeft [appellant] ter zitting in hoger beroep verklaard dat hem nog een strafzaak - naar eigen zeggen ter zake van belaging - boven het hoofd hangt en dat de inhoudelijke behandeling daarvan medio mei 2026 gepland staat. Hoewel is gebleken dat de voorlopige hechtenis van [appellant] is geschorst en hij de behandeling van de strafzaak in vrijheid mag afwachten, is ongewis wat de uitkomst zal zijn van deze strafzaak. Niet is uit te sluiten dat deze strafzaak voor [appellant] zal eindigen met oplegging van een vrijheidsbenemende straf waardoor het nakomen van verplichtingen als bedoeld in artikel 288, eerste lid, aanhef en onder c, Fw wordt bemoeilijkt of onmogelijk wordt gemaakt. De stelling van [appellant] dat hij een mediationtraject heeft doorlopen met het slachtoffer, leidt niet tot een ander oordeel.



2.6.
De slotsom is dat het verzoek van [appellant] tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ook in hoger beroep niet toewijsbaar is. Het vonnis van de rechtbank zal worden bekrachtigd.





3Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.


Dit arrest is gewezen door mrs. M.L.D. Akkaya, D.J. Oranje en M.A.M. Vaessen en in het openbaar uitgesproken op 7 april 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.












Van dit arrest kan gedurende acht dagen na de dag van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld door middel van een verzoekschrift in te dienen ter griffie van de Hoge Raad.
Link naar deze uitspraak