|
|
|
| ECLI:NL:RBNHO:2026:3389 | | | | | Datum uitspraak | : | 31-03-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 17-04-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Noord-Holland | | Zaaknummers | : | K/4101/12078407 | | Rechtsgebied | : | Arbeidsrecht | | Indicatie | : | Werknemer vordert wedertewerkstelling in de eigen functie. De kantonrechter wijst de vordering toe. Door het besluit van werkgever om werknemer te overplaatsen naar een andere locatie, ontneemt werkgever werknemer de mogelijkheid om de overeengekomen arbeid te verrichten. De kantonrechter is voorlopig van oordeel dat werkgever werknemer zonder voldoende zwaarwegende grond heeft overgeplaatst. | | Trefwoorden | : | burgerlijk wetboek | | | | Uitspraak | RECHTBANK
NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: 12078407 \ KG EXPL 26-12 (PA)
Vonnis in kort geding van 31 maart 2026
in de zaak van
[eiser]
,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. J.L. Aarts,
tegen
STICHTING TALLAND COLLEGE,
te Alkmaar,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Talland,
gemachtigden: mr. C.M. van der Velden-Rijnsburger en mr. N.A. van den Bosch.
De zaak in het kort
[eiser] vordert wedertewerkstelling in de eigen functie. De kantonrechter wijst de vordering toe. Door het besluit van Talland om [eiser] te overplaatsen naar een andere locatie, ontneemt Talland [eiser] de mogelijkheid om de overeengekomen arbeid te verrichten. De kantonrechter is voorlopig van oordeel dat Talland [eiser] zonder voldoende zwaarwegende grond heeft overgeplaatst.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de concept-dagvaarding- de vrijwillige verschijning van Talland- de brief van 13 maart 2026 met producties 1 tot en met 12 van Talland- de mondelinge behandeling van 17 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt- de pleitnota van [eiser]- de pleitnota van Talland.
2De feiten
2.1.
[eiser] is op 21 september 1993 in dienst getreden bij Talland als docent. Hij is werkzaam binnen het team Maatschappelijke Zorg, onderdeel van de sector Welzijn & Sport.
2.2.
Talland neemt deel aan het European Forum of Technical and Vocational Education and Training (hierna: Efvet). Efvet organiseert jaarlijks op een andere locatie/in een ander land een evenement.
2.3.
In oktober 2023 heeft in Rhodos een Efvet-evenement plaatsgevonden. [naam 1] (hierna: [naam 1] ), [naam 2] (hierna: [naam 2] ) en [eiser] hebben deelgenomen aan dit evenement.
2.4.
In 2024 heeft een Efvet-evenement plaatsgevonden in Amersfoort. [naam 1] heeft een aantal docenten van Talland laten weten dat de docenten niet zouden deelnemen aan dit evenement.
2.5.
Voor het Efvet-evenement in Rotterdam in 2025 heeft [naam 1] in een gesprek met [eiser] meegedeeld dat er meldingen zijn gedaan naar aanleiding van Efvet Rhodos en heeft [naam 1] [eiser] verzocht tijdens het evenement afstand te houden.
2.6.
Na afloop van Efvet Rotterdam zijn er gesprekken gevoerd tussen [eiser] en [leidinggevende] (hierna: [leidinggevende] ), leidinggevende van [eiser] .
2.7.
[eiser] is op 14 november 2025 geschorst.
2.8.
Talland heeft vervolgens International Security Partners (hierna: ISP) opdracht gegeven onderzoek te doen.
2.9.
ISP heeft op 9 januari 2026 een rapport uitgebracht. In het rapport staat, voor zover relevant, het volgende:
“Conclusies(…)1. Efvet AmersfoortEr zijn geen objectief vastgestelde incidenten van ongewenst gedrag door betrokkene tijdens het internationale congres in Amersfoort in 2024. (…)
2. Efvet Rhodos
Uit meerdere verklaringen blijkt dat de beklaagde tijdens het internationale EfVET-congres op Rhodos in 2023 amicaal en fysiek nabij gedrag heeft vertoond dat door diverse collega’s als ongewenst of ongemakkelijk is ervaren. Het gaat daarbij concreet om gedragingen zoals:
het fysiek om iemand heen slaan van een arm;
het arm-in-arm weglopen met een collega;
het staan of bewegen in opvallend dichte fysieke nabijheid tijdens gesprekken.
De beklaagde heeft verklaard dat hij zichzelf als “tactiel” en amicaal beschouwt, maar ontkent dat zijn gedrag door hem bedoeld of herkend was als ongewenst.
3. Efvet Rotterdam
(…) Ondanks een voorafgaand verzoek van een collega om fysieke afstand te bewaren, tonen de foto’s aan dat beklaagde fysiek contact heeft gehad met collega’s de armen om hen heen te slaan bij het maken van een foto. Beklaagde heeft verklaard dat dit zonder kwade intenties is gebeurd. Er zijn geen aanwijzingen dat betrokken medewerkers dit gedrag op dat moment als ongewenst hebben ervaren.”
Verder is, samengevat, geconcludeerd dat er geen schriftelijke documentatie is waaruit blijkt dat [eiser] is medegedeeld dat hij niet meer welkom was op Efvet-bijeenkomsten. Uit het onderzoek zijn tot slot geen signalen naar voren gekomen die wijzen op ander ongewenst gedrag van [eiser] .
2.10.
Bij een brief van 7 januari 2026 deelt Talland mee dat de schorsing van [eiser] per 9 januari 2026 afloopt.
2.11.
Bij een brief van 28 januari 2026 deelt Talland haar voornemen tot overplaatsing van [eiser] aan [eiser] mee. Volgens Talland kan [eiser] niet kan terugkeren in zijn functie binnen de sector Welzijn & Sport. [eiser] kan zijn eigen functie wel uitoefenen bij de sector Techniek in Heerhugowaard.
2.12.
Bij besluit van 30 januari 2026 plaatst Talland [eiser] over naar de sectie Techniek in Heerhugowaard.
2.13.
[eiser] werkt met ingang van 17 februari 2026 – onder protest – als docent bij de sector Techniek in Heerhugowaard.
3Het geschil
3.1.
[eiser] vordert - samengevat - om hem toe te laten tot de met hem overeengekomen werkzaamheden op de locatie Alkmaar op straffe van een dwangsom.
3.2.
Talland voert verweer. Talland concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4De beoordeling
[eiser] is ontvankelijk in zijn vorderingen
4.1.
Het meest verstrekkende verweer van Talland is dat [eiser] niet ontvankelijk is in zijn vorderingen omdat de voorzieningenrechter niet bevoegd is kennis te nemen van het geschil. Volgens Talland had [eiser] de beroepsprocedure moeten volgen bij de Commissie van Beroep mbo ex artikel 12.2 van de toepasselijke cao MBO. De kantonrechter volgt dit standpunt niet en licht dat als volgt toe.
4.2.
Tussen partijen is geen sprake van een ondubbelzinnige overeenkomst om zich aan bindend advies te onderwerpen. Op grond van artikel 12.2 lid 5 cao MBO is de uitspraak alleen bindend voor de werkgever. Daarom kan niet worden gesproken van een bindend advies. Dat betekent dat tussen [eiser] en Talland niet de verplichting bestaat een arbeidsgeschil bij wege van bindend advies te laten beslissen door de Commissie van Beroep. Bij afwezigheid van die verplichting is er geen reden aan te wijzen op grond waarvan [eiser] gehouden zou zijn het geschil met Talland, alvorens zich tot de burgerlijke rechter te wenden, eerst aan de Commissie van Beroep voor te leggen. [eiser] is daarom ontvankelijk in zijn vorderingen.
Inhoudelijk
4.3.
Het gaat in deze zaak om de vraag of Talland in kort geding moet worden veroordeeld tot toelating van [eiser] in zijn functie binnen de sector Welzijn & Sport op de locatie Alkmaar.
Vereisten voor toewijzing van een vordering in kort geding, besliskader
4.4.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [eiser] daarbij een spoedeisend belang heeft.
4.5.
Daarnaast geldt dat de kantonrechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorzieningen gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze kort geding procedure geen plaats is voor bewijslevering.
Spoedeisend belang
4.6.
[eiser] heeft een spoedeisend belang bij zijn eis tot wedertewerkstelling. Op dit moment is [eiser] aan het werk op een andere locatie met andere werkzaamheden. [eiser] heeft er belang bij om zo snel mogelijk weer zijn werkzaamheden te hervatten.
Wedertewerkstelling
4.7.
Door het besluit van Talland om [eiser] te overplaatsen naar een andere locatie, ontneemt Talland [eiser] de mogelijkheid om de overeengekomen arbeid op de eigen locatie te verrichten. De kantonrechter is voorlopig van oordeel dat Talland [eiser] zonder voldoende zwaarwegende grond heeft overgeplaatst en licht dit als volgt toe.
Juridisch kader
4.8.
Talland heeft de beslissing om [eiser] over te plaatsen gebaseerd op artikel 2.8 van de cao MBO.
4.9.
Volgens artikel 2.8 lid 2, onderdeel c, van de cao MBO kan de werkgever, onder opgave van redenen, overgaan tot overplaatsing als de werknemer zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. Onder plichtsverzuim wordt volgens artikel 2.8 lid 1 verstaan: “het overtreden van de voor de werknemer geldende voorschriften, het niet nakomen van geldende verplichtingen of het doen of nalaten van datgene dat de werknemer bij een goede functieuitoefening behoort na te laten of te doen.”
4.10.
De vraag of [eiser] weer in de gelegenheid moet worden gesteld om zijn eigen werkzaamheden te hervatten op de locatie Alkmaar, moet worden beantwoord aan de hand van artikel 7:611 van het Burgerlijk Wetboek (BW). In dat wetsartikel is de algemene maatstaf neergelegd van wat een goed werkgever behoort te doen en na te laten. Deze algemene maatstaf brengt mee dat de toewijsbaarheid van een vordering tot wedertewerkstelling met name afhangt van de aard van de dienstbetrekking, van de overeengekomen arbeid en van de bijzondere omstandigheden van het geval. Bij de waardering van deze gezichtspunten moet als uitgangspunt worden genomen dat, gelet op het in beginsel zwaarwegend te achten belang van de werknemer om de bedongen arbeid te verrichten, van een goed werkgever mag worden verwacht dat hij de werknemer tegen diens wil slechts de mogelijkheid mag onthouden om de overeengekomen arbeid te verrichten wanneer de werkgever daarvoor een redelijke grond heeft en dat die grond ten opzichte van het zwaarwegend belang van de werknemer voldoende zwaar weegt.
4.11.
De vraag die beantwoord moet worden, is of hetgeen Talland aanvoert in het kader van de overplaatsing, rechtvaardigt dat zij het besluit tot overplaatsing heeft genomen. Vast staat dat [eiser] , weliswaar onder protest en onder dreiging van een loonstop, inmiddels uitvoering heeft gegeven aan het besluit tot overplaatsing.
4.12.
Talland heeft het rapport van ISP van 9 januari 2026 hoofdzakelijk ten grondslag gelegd aan haar beslissing om [eiser] niet meer terug te laten keren in de eigen functie bij de sector Welzijn & Sport.
4.13.
Uit het rapport van ISP volgt dat uitgebreid onderzoek is gedaan naar het gedrag van [eiser] tijdens Efvet Amersfoort in 2025, Efvet Rotterdam 2025, Efvet Rhodos 2023 en het werkklimaat en de veiligheid op Talland. Talland heeft daartoe onder meer met vier medewerkers gesproken en interviews afgenomen. Daarnaast heeft zich één medewerker gemeld die informatie wilde delen en is één externe persoon gehoord die geen medewerker is van Talland.
4.14.
ISP concludeert in het rapport dat geen sprake is van ongewenst gedrag tijdens Efvet Amersfoort en Rotterdam en dat tijdens Rhodos 2023 signalen zijn van fysieke nabijheid en amicaal gedrag. Daarnaast concludeert het ISP-rapport dat niet kan worden vastgesteld dat [eiser] voorafgaand aan de Efvet-evenementen in Rotterdam en Amersfoort formeel of aantoonbaar op de hoogte is gebracht van uitsluiting. Signalen van ander ongewenst gedrag van [eiser] zijn niet naar voren gekomen.
Belangenafweging
4.15.
Naar het oordeel van de kantonrechter bieden de conclusies van het rapport van ISP onvoldoende basis voor Talland om [eiser] niet meer te laten terugkeren in de eigen functie bij de sector Welzijn & Sport in Alkmaar. Weliswaar wordt opgemerkt dat [eiser] tijdens Efvet-Rhodos 2023 amicaal en fysiek nabij gedrag heeft vertoond dat door diverse collega’s als ongewenst of ongemakkelijk is ervaren. Maar daarmee is onvoldoende voldaan aan de voorwaarde van artikel 2.8 lid 2, sub c, van de cao MBO voor overplaatsing, te weten dat sprake is van plichtsverzuim. Het niet meewerken door [eiser] aan de – zonder kenbare belangenafweging – eenzijdige wijziging van de functie biedt hiervoor evenmin voldoende basis. Aan deze wijziging liggen immers dezelfde bezwaren tegen [eiser] ten grondslag.
4.16.
Daarbij weegt mee dat [eiser] destijds niet is aangesproken op zijn gedragingen tijdens Efvet Rhodos 2023, terwijl die signalen al wel bekend waren bij Talland, zo volgt uit het betoog van Talland. Pas twee jaar later, omstreeks mei 2025, is [eiser] op diens eigen doorvragen op gestelde meldingen van de signalen op de hoogte geraakt. Kennelijk zag Talland in 2023 geen aanleiding om [eiser] op die signalen aan te spreken.
4.17.
De twee aanvullende anonieme verklaringen die Talland heeft overgelegd, leggen onvoldoende gewicht in de schaal om tot een ander oordeel te komen. De verklaringen geven aanleiding aan te nemen dat deze twee personen zorgen hebben over het bewustzijn van [eiser] over hoe zijn gedrag kan overkomen. Zij beschrijven wat zij hebben gehoord, maar niet wat zij zelf hebben waargenomen, waarbij ook onduidelijk is hoe hun verklaringen in de tijd moeten worden geplaatst. Over het incident dat één van de twee zelf heeft ervaren (wat als ongemakkelijk kan worden aangemerkt) heeft [eiser] op zitting verklaard dat dit jaren geleden zou zijn gebeurd. Volgens de betreffende verklaring heeft [eiser] na dat incident zich onthouden van dergelijk gedrag.
4.18.
Concrete aanwijzingen dat recent sprake is van signalen van ongewenst gedrag van [eiser] zoals benoemd in het rapport van ISP zijn niet aangevoerd, noch gebleken. De eerdere incidenten waarnaar Talland verwijst zijn onvoldoende duidelijk verwijtbaar aan [eiser] te koppelen (2005 en 2013) en te lang geleden (2017) om te kunnen spreken van “een patroon van gedrag”.
4.19.
Talland stelt dat [eiser] onvoldoende inzicht toont in zijn gedrag en dat dit in het kader van haar bijzondere zorgplicht jegens haar werknemers als haar studenten Talland zorgen baart. Op basis van hetgeen is besproken op de zitting kan de kantonrechter volgen dat dit een aandachtspunt is in het functioneren van [eiser] . Dit gegeven is echter onvoldoende, ook in onderling verband en samenhang bezien met de overige bevindingen, om de disciplinaire maatregel te kunnen dragen. De kantonrechter is wel van oordeel dat een waarschuwing op zijn plaats is, in die zin dat [eiser] zich (nog) bewuster moet zijn dat zijn handelen/gedrag bij anderen een onveilig of ongemakkelijk gevoel kan oproepen.
4.20.
In het kader van de belangenafweging overweegt de kantonrechter tot slot nog het volgende. [eiser] verricht sinds 14 november 2025 niet meer de overeengekomen werkzaamheden. Evident is dat [eiser] vanwege het beschadigend effect van de overplaatsing zwaarwegend belang heeft bij terugkeer in zijn oude functie. Het team waarin [eiser] werkzaam is, heeft gemotiveerd zijn steun uitgesproken voor zijn terugkeer. Over de feitelijke situatie heeft [eiser] onbetwist op zitting verklaard dat er op de locatie in Heerhugowaard niet of nauwelijks werk voor hem is en dat het geven van les er nog niet van is gekomen.
Conclusie
4.21.
Alles afwegende komt de kantonrechter komt tot de conclusie dat Talland onvoldoende grond had voor haar beslissing om [eiser] op grond van artikel 2.8 van de cao MBO over te plaatsen en niet meer terug te laten keren in zijn eigen functie bij de sector Welzijn & Sport. Het is daarom ook waarschijnlijk dat de vordering van [eiser] tot tewerkstelling in zijn eigen functie in een bodemprocedure zal worden toegewezen.
De dwangsommen wijst de kantonrechter af
4.22.
De voorzieningenrechter wijst de gevorderde dwangsommen af. Er is niet gesteld dat te verwachten is dat Talland niet aan de veroordeling zal voldoen. Bovendien heeft Talland op de zitting toegezegd aan een eventuele veroordeling te zullen voldoen. Een dwangsom is daarom niet nodig.
Talland moet de proceskosten betalen
4.23.
Talland is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- griffierecht
€
93,00
- salaris gemachtigde
€
1.154,00
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.391,00
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt Talland om [eiser] toe te laten tot de met hem overeengekomen werkzaamheden op de locatie Kruseman Van Eltenweg 4 te (1817 BC) Alkmaar,
5.2.
veroordeelt Talland in de proceskosten van € 1.391,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Talland niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. F.J. Lourens en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026.
Hoge Raad 9 november 2001 (NJ 2001/692).
Hoge Raad 26 maart 1965, NJ 1965,163 en Hoge Raad 12 mei 1989, NJ 1989, 801.
Gerechtshof Amsterdam 21 februari 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:441, r.o. 3.6. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|