Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBNHO:2026:3678 
 
Datum uitspraak:08-04-2026
Datum gepubliceerd:17-04-2026
Instantie:Rechtbank Noord-Holland
Zaaknummers:11856840
Rechtsgebied:Arbeidsrecht
Indicatie:In deze zaak gaat vordert een werknemer aanvullende vergoeding van niet-genoten vakantie-uren na het einde van het dienstverband. De kantonrechter is van oordeel dat de vordering voor een deel moet worden toegewezen omdat de uitgekeerde bonussen wel in aanmerking komen voor de berekening van de waarde van een vakantie-uur, met dien verstande dat een referteperiode van drie jaar gehanteerd wordt. Het werkgeversdeel pensioenpremie dient niet in aanmerking te worden genomen bij de berekening van de waarde van een vakantie-uur.
Trefwoorden:arbeidsovereenkomst
gebruikelijk loon
uitkering
vaststellingsovereenkomst
wettelijke rente
 
Uitspraak
RECHTBANK
NOORD-HOLLAND


Civiel recht
Kantonrechter

Zittingsplaats Alkmaar

Zaaknummer: 11856840 \ CV EXPL 25-3066 (rvk)


Vonnis van 8 april 2026


in de zaak van



[eiser]
,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. R.K. Torn,

tegen

de besloten vennootschap Overdie Metals B.V.,
te Alkmaar,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Overdie,
gemachtigde: mr. W. Hovingh.



De zaak in het kort


In deze zaak gaat vordert een werknemer aanvullende vergoeding van niet-genoten vakantie-uren na het einde van het dienstverband. De kantonrechter is van oordeel dat de vordering voor een deel moet worden toegewezen omdat de uitgekeerde bonussen wel in aanmerking komen voor de berekening van de waarde van een vakantie-uur, met dien verstande dat een referteperiode van drie jaar gehanteerd wordt. Het werkgeversdeel pensioenpremie dient niet in aanmerking te worden genomen bij de berekening van de waarde van een vakantie-uur.





1De procedure


1.1.

[eiser] heeft bij dagvaarding van 6 augustus 2025 een vordering tegen Overdie. ingesteld. Overdie heeft schriftelijk geantwoord.


1.2.
Op 27 februari 2026 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen, ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Overdie heeft daarbij gebruik gemaakt van pleitaantekeningen, die zijn overgelegd. Op de zitting heeft [eiser] zijn eis verminderd.





2De feiten


2.1.

[eiser] is van 1 januari 2022 tot en met 31 december 2024 op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst geweest van Overdie als Algemeen Directeur. Het laatstverdiende salaris van [eiser] bedroeg € 10.500,- bruto per maand.



2.2.
De arbeidsovereenkomst is door middel van een vaststellingsovereenkomst (VSO) tussen [eiser] en Overdie met wederzijds goedvinden beëindigd. In de VSO is onder meer het volgende opgenomen:


‘Bij de eindafrekening zal derhalve worden betaald: (...) 367,25 openstaande vakantie-uren’


‘Werkgever zal conform haar verplichtingen de pensioenregeling ten behoeve van Werknemer afwikkelen.’


‘In de in artikel 3. 1 en 3.2 genoemde bedragen is de winst gerelateerde eindejaarsuitkering en de betaling van een eventuele bonus over 2024 inbegrepen.’



2.3.
Overdie heeft na het einde van het dienstverband in het kader van de eindafrekening een loonstrook opgesteld. [eiser] heeft op 27 februari 2025 in een e-mail aan Overdie laten weten dat hij geconstateerd heeft dat de waarde van de vakantie-uren niet goed berekend is en dat hij van mening is dat hij nog recht heeft op een nabetaling van €14.186,29 bruto. Tussen [eiser] en Overdie is vervolgens gecorrespondeerd, maar tot een overeenstemming heeft dit niet geleid.





3Het geschil


3.1.

[eiser] vordert betaling van een bedrag van € 14.186,87 bruto, te vermeerderen met wettelijke rente. [eiser] vordert daarnaast betaling van de wettelijke verhoging van € 7.093,44 bruto.



3.2.

[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat Overdie op grond van de vaststellingsovereenkomst is gehouden 367,25 openstaande vakantie-uren bij de eindafrekening uit te betalen. De waarde van een vakantie-uur moet bepaald worden door bij elkaar op te tellen het bruto uurloon van € 64,82, de vakantietoeslag van € 5,19, de eindejaarsuitkering van € 6,48, de bonus € 20,43 en het werkgeversdeel pensioenpremie van € 6,53. Dit resulteert in een waarde per vakantie-uur van € 103,45. Overdie had dus een vergoeding voor de openstaande vakantie-uren moeten betalen van € 37.992,01 (367,25 × 103,45). Overdie heeft echter slechts uitgekeerd een bedrag van € 23.805,14, overeenkomende met het basissalaris van € 64,82 per uur over 367,25 uur, derhalve een bedrag van € 14.186,87 te weinig.



3.3.
Overdie voert verweer en is van mening dat de vordering moet worden afgewezen. Overdie stelt daartoe dat zij de openstaande vakantie-uren correct heeft afgerekend, namelijk door de waarde van een vakantie-uur op het bruto-uurloon, het vakantiegeld en de eindejaarsuitkering, te stellen. Overdie verwijst naar Richtlijn 2003/88/EG en jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU en de Hoge Raad waaruit volgt dat alleen vaste loonbestanddelen moeten worden meegenomen in de berekening van de uitbetaling van vakantie-uren. Incidentele beloningen zoals variabele bonussen moeten niet worden meegenomen. [eiser] heeft weliswaar een bonus over 2022 en 2023 ontvangen, maar de toekenning daarvan was volledig discretionair en het betreft daarom een variabele bonus die niet moet worden meegenomen. Ook de werkgeversbijdrage aan het pensioen moet niet worden meegenomen omdat dit een indirecte beloning is en geen loonbestanddeel.





4De beoordeling


4.1.
Partijen zijn het er over eens dat [eiser] in het kader van het beëindigen van de arbeidsovereenkomst nog recht heeft op uitbetaling van 367,25 vakantie-uren. Partijen verschillen echter van mening welk bedrag daarmee gemoeid is. Volgens [eiser] heeft hij recht op een bedrag van € 103,45 per vakantie-uur. Overdie stelt zich in de conclusie van antwoord op het standpunt dat [eiser] recht heeft op een bedrag van € 64,82 per uur per vakantie-uur; ter zitting heeft Overdie erkend dat de vakantietoeslag (8%) en de eindejaarsuitkering (10%) ook meegenomen moeten worden, opgeteld € 76,49.



4.2.
Beoordeeld moet dus worden wat de waarde van een vakantie-uur is en met name of daarin de bonus en het werkgeversdeel pensioenpremie meegenomen moeten worden. Op dit punt spitst het geschil zich toe. De kantonrechter is van oordeel dat alleen de bonus moet worden betrokken. Daardoor komt de waarde van een vakantie-uur op € € 90,11 bruto. Dit oordeel wordt hierna toegelicht.


Juridisch kader



4.3.
Een werknemer behoudt gedurende zijn vakantie recht op loon. Dit is bepaald in de Nederlandse wetgeving in artikel 7:639 BW, maar volgt ook uit artikel 7 van Richtlijn 2003/88 EG. Dit laatste artikel luidt als volgt:


‘Jaarlijkse vakantie


1. De lidstaten treffen de nodige maatregelen opdat aan alle werknemers jaarlijks een vakantie met behoud van loon van ten minste vier weken wordt toegekend, overeenkomstig de in de nationale wetten en/of gebruiken geldende voorwaarden voor het recht op en de toekenning van een dergelijke vakantie.


2. De minimumperiode van de jaarlijkse vakantie met behoud van loon kan niet door een financiële vergoeding worden vervangen, behalve in geval van beëindiging van het dienstverband.’




4.4.
Het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof van Justitie) heeft in een aantal uitspraken uitgelegd wat onder dat loon moet worden verstaan. Volgens het Hof van Justitie behoort tot het gebruikelijk loon het vaste salaris en alle looncomponenten die intrinsiek samenvallen met de taken en vergoedingen die de werknemer ontvangt uit hoofde van zijn professionele en persoonlijke status. Alleen zuivere onkostenvergoedingen vallen niet onder het vakantieloon. Achtergrond hiervan is dat voorkomen moet worden dat een werknemer afziet van het opnemen van zijn jaarlijkse vakantie omdat hij daarvan financieel nadeel ondervindt.


Bonus



4.5.

[eiser] stelt dat hij gedurende zijn dienstverband ieder jaar een bonus heeft ontvangen en dat deze bonus daarmee structureel is en onder het loonbegrip valt. Overdie heeft daartegen ingebracht dat het toekennen van de bonus een discretionaire bevoegdheid is van de directeur van Overdie en daarom geen vast onderdeel van het loon vormt. Overdie wijst er daarbij op dat [eiser] over 2022 en 2023 wel een bonus heeft ontvangen, maar over 2024 niet. Op de zitting heeft Overdie daaraan toegevoegd dat het toekennen van de bonus volledig afhankelijk is van de prestaties of de inzet van de werknemer dan wel de bedrijfsresultaten en dat niemand binnen Overdie ieder jaar een bonus krijgt.



4.6.
De kantonrechter is van oordeel dat de bonus wel gezien moet worden als een onderdeel van het loon. Daarvoor is het volgende redengevend. Volgens de verklaring van Overdie op de zitting is de toekenning van de bonusafhankelijk van de inzet van de werknemer en de bedrijfsresultaten. Gezien de functie van [eiser] als Algemeen Directeur kan het bedrijfsresultaat niet geheel los worden gezien van de inspanningen van [eiser] . Dit betekent dat niet alleen de individuele prestaties maar ook de bedrijfsresultaten -indirect-bepalend zijn geweest voor toekenning van de bonus. Daarmee kan de bonus worden aangemerkt als een looncomponent die intrinsiek samenvalt met de taken en vergoedingen die de werknemer ontvangt uit hoofde van zijn professionele en persoonlijke status. Het verweer dat de toekenning louter een discretionaire bevoegdheid is doet daaraan onvoldoende af. Daarbij is verder van belang dat de bonus over twee van de drie jaren dat het dienstverband heeft geduurd, is toegekend. Hieruit leidt de kantonrechter af dat het om een structureel loonbestanddeel gaat. Ook de passage in de VSO waarin staat dat ‘de betaling van een eventuele bonus over 2024 moet worden geacht te zijn inbegrepen in de betaling van de transitievergoeding en de beëindigingsvergoeding’, wijst daarop.



4.6.
Vervolgens moet worden beoordeeld aan de hand van welke representatieve periode de hoogte van de in aanmerking te nemen bonus wordt berekend. Anders dan [eiser] is de kantonrechter van oordeel dat de uitgekeerde bonusbedragen over 2022 en 2023 (€ 35.000,- en € 50.000,-) niet over twee jaar berekend moeten worden maar over drie jaar omdat de hoogte van de bonus over 2024 niet valt vast te stellen en [eiser] vanaf eind juni 2024 was vrijgesteld van werk. Met inachtneming van het voorgaande berekent de kantonrechter de waarde van de component ‘bonus’ op een bedrag van € 13,62 per vakantie-uur.


Werkgeversdeel pensioenpremie



4.7.
Anders dan [eiser] is de kantonrechter van oordeel dat het werkgeversdeel van de pensioenpremie niet tot het vakantieloon behoort. Dit werkgeversdeel wordt rechtstreeks aan de pensioenverzekeraar overgemaakt en wordt niet ingehouden op het loon. Als [eiser] vakantie had opgenomen had hij geen recht gehad op betaling van deze vergoeding. Overdie heeft het werkgeversdeel afgedragen over het tijdvak dat [eiser] werkte in plaats van dat hij vakantie genoot. Door het niet uitbetalen van het werkgeversdeel over niet-genoten vakantiedagen, komt [eiser] dus niet in een slechtere positie te verkeren. Hieruit vloeit voort dat het werkgeversdeel pensioenpremie niet als waarde bij de uitkering van niet-genoten vakantiedagen behoeft te worden betrokken. Dit deel van de vordering is daarom niet toewijsbaar.


Vakantietoeslag en eindejaarsuitkering



4.8.
Overdie erkent dat de vakantietoeslag en de eindejaarsuitkering tot het vakantieloon behoren. Overdie heeft de door [eiser] ter zake berekende waarden niet afzonderlijk betwist zodat de kantonrechter uitgaat van de juistheid daarvan. Welk effect dit heeft op de vordering komt hieronder aan de orde.


Tussenconclusie waarde vakantie-uur



4.9.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de waarde van een vakantie-uur bepaald moet worden door op te tellen de volgende componenten: het bruto salaris van € 64,82, de vakantietoeslag van € 5,19, de bonus van € 13,62 en de eindejaarsuitkering van € 6,48, in totaal: € 90,11 per vakantie-uur.


Toe te wijzen aanvullende vergoeding voor niet-genoten vakantiedagen



4.10.
De kantonrechter concludeert tot toewijzing van een aanvullende vergoeding voor niet-genoten vakantiedagen van € 7.383,34 bruto. Dit wordt cijfermatig als volgt toegelicht:



4.11.
Het aantal van 367,25 vakantie-uren met een waarde van € 90,11 correspondeert met een bedrag van € 33.092,90. Vaststaat dat Overdie het bruto basissalaris over dat aantal uren reeds heeft uitgekeerd, zijnde een bedrag van € 23.805,15 (367,25 x € 64,82), zodat dit bedrag daarop in mindering strekt.



4.12.
Overdie heeft op de zitting toegelicht dat zij naast het bruto salaris ook reeds de component vakantietoeslag heeft uitgekeerd en daartoe verwezen naar de eindafrekening waarop een ‘reservering vakantiegeld’ staat van € 1.904,41. [eiser] heeft op de zitting het standpunt van Overdie dat het vakantiegeld is betaald erkend en zijn vordering met dat bedrag verminderd. Dit bedrag moet dus eveneens van het bedrag van € 33.092,90 worden afgetrokken.



4.13.
Per saldo resteert dus een aanspraak van € 7.383,34 bruto. Dit bedrag zal de kantonrechter toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 1 februari 2025, de dag na de in de VSO overeengekomen uiterste betaaldatum.



4.14.
De kantonrechter is zich ervan bewust dat de erkend betaalde component vakantiegeld van € 1.904,41 niet overeenkomt met de uitkomst van de vermenigvuldiging van het aantal vakantie-uren met het vakantiegeld per uur van € 5,19 (367,25 × 5,19 = 1.906,03) maar zij gaat er vanuit dat dit een afrondingsverschil betreft.



4.15.
Omdat in redelijkheid verschil van mening mogelijk was over de hoogte van de waarde van de niet-opgenomen vakantiedagen zal de kantonrechter de wettelijke verhoging over de toegewezen component ‘bonus’ van € 5.001,95 matigen tot 10%. De wettelijke verhoging over de toegewezen component ‘eindejaarsuitkering’ van € 2.379,78 zal worden gematigd tot 30%.



4.16.
Hoewel beide partijen op onderdelen in het ongelijk worden gesteld is de kantonrechter van oordeel dat het redelijk is om Overdie in de proceskosten (inclusief nakosten) veroordelen. [eiser] was immers genoodzaakt een procedure aanhangig te maken om tot betaling van loon over niet-genoten vakantiedagen te komen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:









- kosten van de dagvaarding





144,47







- griffierecht





732,00







- salaris gemachtigde





720,00


(2 punten × € 360,00)




- nakosten





144,00


(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)




Totaal





1.740,47














5De beslissing

De kantonrechter


5.1.
veroordeelt Overdie tot betaling aan [eiser] van een bedrag van 7.383,34 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 februari 2025 tot aan de dag der voldoening,



5.2.
veroordeelt Overdie tot betaling aan [eiser] van de wettelijke verhoging van 10% over het bedrag van € 5.001,95 bruto,



5.3.
veroordeelt Overdie tot betaling aan [eiser] van de wettelijke verhoging van 30% over het bedrag van € 2.379,78 bruto,



5.4.
veroordeelt Overdie in de proceskosten van € 1.740,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Overdie niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,



5.6.
wijst de vordering voor het overige af.


Dit vonnis is gewezen door mr. F.J. Lourens en door mr. P.J. Jansen in het openbaar uitgesproken en ondertekend op 8 april 2026.



€ 85.000,- : 36 maanden = € 2.361,- per maand. Bij een urenaantal van 173,33 per maand komt dit op € 13,62 per uur.


Vgl. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 9 december 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:7820
Link naar deze uitspraak