Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBZWB:2026:2847 
 
Datum uitspraak:11-03-2026
Datum gepubliceerd:17-04-2026
Instantie:Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zaaknummers:444572
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Verlenging ondertoezichtstelling voor twaalf maanden. Doelen nog niet bereikt.
Trefwoorden:burgerlijk wetboek
 
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Middelburg

Zaaknummer: C/02/444572 / JE RK 26-179

Datum uitspraak: 11 maart 2026


Beschikking verlenging ondertoezichtstelling


in de zaak van


STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg ,
hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI),

betreffende



[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedag 1] 2015 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,



[minderjarige 2]
, geboren op [geboortedag 2] 2018 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 2] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:



[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. R. Wouters te Middelburg,



[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende te [woonplaats 2] .

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de kinderrechter over het verzoek te adviseren.




1Het verloop van de procedure


1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift van de GI van 27 januari 2026 met bijlagen, ontvangen op 27 januari 2026.



1.2.
Het verzoek is mondeling behandeld op de zitting met gesloten deuren op 11 maart 2026, gelijktijdig met het verzoek van de moeder tot het vaststellen van eenhoofdig gezag (met zaaknummer C/02/439384 / FA RK 25-4477). Op dit verzoek van de moeder is bij separate beschikking beslist.



1.3.
Bij de zitting zijn verschenen:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordigster van de GI;
- een vertegenwoordiger van de Raad.

De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist en tijdig is opgeroepen.



1.4.
De kinderrechter heeft de minderjarige [minderjarige 1] gelet op zijn leeftijd naar zijn mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.





2De feiten


2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .



2.2.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de moeder.



2.3.
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 12 maart 2025 zijn de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming west Zeeland voor de duur van twaalf maanden, met ingang van 12 maart 2025 en tot 12 maart 2026.





3Het verzoek


3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.





4De standpunten


4.1.

[minderjarige 1] heeft in het gesprek met de kinderrechter verteld dat hij zich zorgen maakt en veel verdriet heeft nu hij zijn vader al zeker een jaar niet meer heeft gezien en zijn ouders er niet in slagen om met elkaar te praten. Hierdoor heeft [minderjarige 1] ook zijn halfzusje nog niet ontmoet. Dit vindt hij erg jammer en dat zou hij heel graag willen. [minderjarige 1] heeft het gevoel dat zijn vader geen tijd voor hem heeft. Hij zou zijn vader graag minstens een keer per maand willen zien.



4.2.
De GI handhaaft het verzoek en verwijst voor de onderbouwing naar de overgelegde stukken. Daaruit blijkt, kort samengevat, dat de minderjarigen nog steeds ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd en de doelen nog niet zijn bereikt. Er is sinds november 2025 een vaste jeugdbeschermer bij de ouders en de minderjarigen betrokken. Sindsdien zijn er wat stappen gezet, maar dit is nog beperkt. Ook is het de GI ondanks diverse pogingen niet gelukt om contact te krijgen met de vader. Voor de komende tijd dient er in ieder geval ondersteuning te worden ingezet voor de moeder. Daarnaast dient er, als de vader afwezig blijft, hulpverlening voor de minderjarigen te worden ingezet om hen krachtiger te maken in de huidige situatie.



4.3.
Door en namens de moeder wordt ingestemd met het verzoek van de GI. De ondertoezichtstelling is nog maar kort geleden daadwerkelijk van start gegaan, dus de moeder heeft er nog niet echt de vruchten van kunnen plukken, maar zij is tevreden over de hulpverlening die nu is aangevraagd. Verder benoemt de moeder dat er geen contact is tussen de ouders. Dit zou zij wel willen, voor de minderjarigen. De minderjarigen verblijven nog steeds regelmatig bij de grootouders vaderszijde. Ook daar hebben zij de vader de afgelopen anderhalf jaar niet meer gezien. De moeder vindt deze situatie erg schrijnend, zeker nu de minderjarigen veel behoefte hebben aan contact met en betrokkenheid van hun vader. Tot slot benoemt de moeder desgevraagd dat [minderjarige 1] therapie heeft gevolgd. Deze is inmiddels afgerond.





5De beoordeling


Het wettelijk kader



5.1.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.



5.2.
Op grond van artikel 1:260 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

De inhoudelijke beoordeling




5.3.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de genoemde voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. Daarom zal de kinderrechter het verzoek van de GI toewijzen en de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengen voor de verzochte duur van een jaar, met ingang van 12 maart 2026 en tot 12 maart 2027. De kinderrechter legt hieronder uit waarom hij deze beslissing neemt.



5.4.
Op basis van de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting is de kinderrechter van oordeel dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog steeds ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. De eerdere zorgen, zoals genoemd in de vorige beschikking van de kinderrechter van 12 maart 2025, zijn nog steeds aanwezig. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben al veel meegemaakt in hun jonge leven, waaronder verschillende verlieservaringen, en er bestaan zorgen over hun sociaal-emotionele ontwikkeling. Er is sprake van kind-eigenproblematiek bij beide minderjarigen en zij hebben veel last van de moeizame verstandhouding van en het gebrek aan communicatie tussen de ouders. Er zijn daarnaast veel zorgen over de inmiddels al langdurige afwezigheid van de vader in het leven van de minderjarigen en het grote verdriet dat deze afwezigheid de minderjarigen doet. De minderjarigen hebben de vader al ruim een jaar niet meer gezien, terwijl zij dat wel heel graag willen en daar veel behoefte aan lijken te hebben. Hierdoor hebben de minderjarigen ook hun halfzusje nog niet kunnen ontmoeten. De kinderrechter vindt deze gang van zaken en dan met name de houding en opstelling van de vader en het effect daarvan op de minderjarigen erg zorgelijk.



5.5.
Het is de kinderrechter verder gebleken dat er nog maar kort geleden een vaste jeugdbeschermer bij de ouders en minderjarigen betrokken is geraakt, waardoor de hulpverlening zich nog in de opstartfase bevindt. Daarbij komt dat er nog steeds sprake is van een moeizame verstandhouding van de ouders en een gebrek aan communicatie tussen hen. Hier zijn de afgelopen tijd geen stappen in gezet. Ook de GI heeft de afgelopen periode geen contact met de vader kunnen krijgen. Gelet daarop is de kinderrechter van oordeel dat het de ouders op dit moment onvoldoende lukt om de forse ontwikkelingsbedreiging van de minderjarigen op eigen kracht weg te nemen. Daarom vindt de kinderrechter het nog steeds in het belang van de minderjarigen noodzakelijk dat de hulp en regie in het gedwongen kader worden voortgezet.



5.6.
Gezien al het voorgaande zal de kinderrechter het (onweersproken) verzoek van de GI toewijzen en de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengen voor de duur van een jaar.


Uitvoerbaar bij voorraad




5.7.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.



5.8.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.





6De beslissing

De kinderrechter:


6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van twaalf maanden, met ingang van 12 maart 2026 en tot 12 maart 2027;


6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026 door mr. De Beer, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. De Haas als griffier, en op schrift gesteld op 20 maart 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:


degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;


andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Link naar deze uitspraak