Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBGEL:2026:2791 
 
Datum uitspraak:13-04-2026
Datum gepubliceerd:17-04-2026
Instantie:Rechtbank Gelderland
Zaaknummers:ARN 24/701
Rechtsgebied:Bestuursprocesrecht
Indicatie:Het beroep van eiser tegen de besluitvorming van de staatssecretaris op zijn verzoek om alle over hem bekende gegevens als (psycho-)somatische gegevens, medische gegevens, ‘PO’-rapporten en overige (medische) gegevens te verwijderen, is niet-ontvankelijk. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM toe. Voor het overige wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding af.
Trefwoorden:burgerlijk wetboek
 
Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 24/701
uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats], eiser,

en


de staatsecretaris van Justitie en Veiligheid


(gemachtigde: mr. F. Boone).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid).


Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de besluitvorming van de staatssecretaris op het verzoek van eiser om alle over hem bekende gegevens als (psycho-)somatische gegevens, medische gegevens, ‘PO’-rapporten en overige (medische) gegevens te verwijderen. De rechtbank beoordeelt ook het verzoek van eiser om immateriële schadevergoeding.


1.1.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep van eiser niet-ontvankelijk is. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM toe en stelt de hoogte hiervan vast op
€ 1.000. Voor het overige wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding af. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop

2. Op 2 mei 2023 heeft eiser de staatssecretaris verzocht om alle over hem bekende gegevens te verwijderen. Met het besluit van 20 juli 2023 heeft het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP), een landelijke dienst van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI), op dit verzoek beslist en de in de bijlage bij dit besluit genoemde dossierstukken van eiser verwijderd.


2.1.
Met het bestreden besluit van 22 december 2023 op het bezwaar van eiser heeft de DJI, namens de staatssecretaris, het bezwaar ongegrond verklaard. In dit besluit staat dat het verzoek van eiser, voor zover dit betrekking heeft op verwijdering van rapportages die berusten bij de Justitiële Informatiedienst (Justid), zal worden doorgezonden naar Justid.



2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 30 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en mr. E.W.B. Wilting als gemachtigde van de staatssecretaris.



2.4.
De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting geschorst en bepaald dat de staatssecretaris de rechtbank binnen twee weken na de zitting laat weten of Justid al dan niet heeft beslist op het naar deze dienst doorgestuurde verzoek van eiser.



2.5.
De staatssecretaris heeft op 5 november 2025 een reactie ingediend en aanvullende stukken overgelegd. Eiser heeft vervolgens op 12 december 2025 gereageerd.



2.6.
Het onderzoek is voortgezet op de zitting van 19 maart 2026. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de staatssecretaris.



2.7.
In verband met de beoordeling van het verzoek om schadevergoeding heeft de rechtbank de Staat der Nederlanden als partij aangemerkt. De minister van Justitie en Veiligheid hoeft niet in de gelegenheid te worden gesteld hierop verweer te voeren.




Beoordeling door de rechtbank


Totstandkoming van de besluitvorming

3. Op 2 mei 2023 heeft eiser op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) en de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) de staatssecretaris verzocht om verwijdering van alle over hem bekende gegevens als (psycho-) somatische gegevens, medische gegevens, ‘PO’-rapporten en overige (medische) gegevens.


3.1.
Met het besluit van 20 juli 2023 heeft het NIFP op dit verzoek beslist en de in de bijlage bij het besluit genoemde dossierstukken van eiser verwijderd.



3.2.
Op 8 december 2023 heeft eiser (opnieuw) op grond van de AVG en de Wjsg de staatssecretaris verzocht om verwijdering van alle over hem bekende gegevens als consultatierapportages, PJ-rapportages, trajectconsulten, e-mails en verwerkingen.



3.3.
Met het bestreden besluit van 22 december 2023 heeft de DJI, namens de staatssecretaris, het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. De staatssecretaris legt hieraan ten grondslag dat uit een nadere zoekslag is gebleken dat er Pro Justitia rapportages (PJ-rapportages) en consultatierapportages over eiser zijn opgemaakt, maar dat deze niet onder de verwerkingsverantwoordelijkheid van het NIFP vallen. Deze rapporten vallen onder de verwerkingsverantwoordelijkheid van Justid. Het verzoek van eiser om deze rapportages te verwijderen zal daarom worden doorgezonden naar Justid.


3.3.1.
Op 19 februari 2024 heeft het NIFP het verzoek van 8 december 2023, voor zover dit betrekking heeft op rapportages die berusten bij Justid, doorgestuurd naar Justid.



3.4.
Bij besluit van 21 februari 2024 heeft Justid dit verzoek afgewezen. Volgens Justid is niet voldaan aan de in artikel 46, tweede lid, van de Wjsg opgenomen criteria op grond waarvan tot verwijdering van de in eisers persoonsdossier opgenomen rapportages moet worden overgegaan.


De omvang van het geschil

4. Op de zitting van 30 oktober 2025 heeft eiser zijn betoog dat de staatssecretaris over de periode van 29 december 2023 tot en met 2 januari 2024 een dwangsom heeft verbeurd, niet gehandhaafd. Deze grond behoeft daarom geen verdere bespreking.



4.1.
Op de zitting van 19 maart 2026 betoogt eiser dat hij op 2 mei 2023 ook een inzageverzoek heeft gedaan en dat de staatssecretaris ten onrechte niet heeft beslist op dit verzoek. De rechtbank stelt vast dat eiser deze beroepsgrond niet eerder – niet in de gronden van beroep van 1 maart 2024 en 1 augustus 2024, niet op de zitting van 30 oktober 2025 en ook niet in de aanvullende reactie van 12 december 2025 – heeft aangevoerd. De rechtbank heeft zich hier niet op kunnen voorbereiden en de staatssecretaris heeft er niet op kunnen reageren. Niet gebleken is dat eiser deze beroepsgrond, die een uitbreiding van het geschil inhoudt, niet eerder heeft kunnen aanvoeren. De door eiser hiervoor gegeven verklaring – namelijk dat hij als burger onvoldoende juridische kennis heeft – is, gelet op de grote hoeveelheid procedures die eiser voert en waarin hij heeft laten zien een uitgebreide juridische kennis te hebben, onvoldoende. De rechtbank acht het in dit stadium van de procedure aanvoeren van een nieuwe beroepsgrond en daarmee uitbreiden van het geschil in strijd met de goede procesorde en laat deze daarom buiten beschouwing.



4.2.
Op de zitting van 19 maart 2026 heeft de rechtbank met partijen vastgesteld dat het besluit van 21 februari 2024 in rechte vaststaat, omdat eiser tegen dit besluit geen bezwaar heeft gemaakt. De inhoud van dit besluit ligt in deze procedure dus niet ter beoordeling voor.


Heeft eiser nog belang bij een beoordeling van het beroep?

5. Tussen partijen is niet in geschil dat, omdat Justid pas op 21 februari 2024 op het verzoek van eiser heeft beslist, het besluit van 22 december 2023 niet volledig, en dus onrechtmatig is. Eiser heeft geen inhoudelijke gronden aangevoerd tegen dit besluit. Verder heeft eiser op de zitting desgevraagd bevestigd dat de staatssecretaris met het besluit van
21 februari 2024 volledig heeft beslist op het verwijderingsverzoek van eiser. Dat eiser ook een verzoek om schadevergoeding heeft gedaan, leidt in dit geval niet tot een procesbelang. Het is daarvoor in dit geval namelijk niet noodzakelijk dat de rechtbank een oordeel geeft over de onrechtmatigheid van het besluit van 22 december 2023, omdat de staatssecretaris de onrechtmatigheid van dat besluit heeft erkend. Dit betekent dat eiser geen belang meer heeft bij een inhoudelijk oordeel van de rechtbank over het besluit van 22 december 2023. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.


Heeft eiser recht op schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen door de staatssecretaris?

6. Eiser betoogt dat hij immateriële schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van de staatssecretaris.



6.1.
Op grond van artikel 8:88, eerste lid, onder a, van de Algemene wet bestuursrecht is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit.



6.2.
Volgens vaste rechtspraak sluit de bestuursrechter voor de beoordeling van een verzoek om vergoeding van immateriële schade aan bij het civiele schadevergoedingsrecht.
Voor nadeel dat niet uit vermogensschade bestaat, heeft een benadeelde overeenkomstig artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding als de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is aangetast of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Van aantasting in de persoon op andere wijze dan schending van eer of goede naam is in ieder geval sprake als de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Daarnaast kunnen de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat van de in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het BW bedoelde aantasting in zijn persoon op andere wijze sprake is. In beginsel moet degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens onderbouwen. In voorkomend geval kunnen de aard en ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.



6.3.
De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen door de staatssecretaris af. In dit geval brengen de aard en de ernst van de normschending niet met zich dat de nadelige gevolgen voor eiser van het niet direct volledig beslissen op het verwijderingsverzoek, zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon zonder meer kan worden aangenomen. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat Justid in het besluit van 21 februari 2024 niet tot verwijdering van gegevens is overgegaan en van het niet op tijd verwijderen van gegevens dus geen sprake is. Verder heeft eiser op geen enkele wijze met concrete gegevens onderbouwd waarom hij in zijn persoon is aangetast.


Heeft eiser recht op schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn?

7. Eiser verzoekt om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.



7.1.
De vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door de staatssecretaris en de rechtbank is behandeld, het processuele gedrag van eiser tijdens de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van eiser.



7.2.
De redelijke termijn voor de behandeling van het beroep inclusief de bezwaarschriftprocedure bedraagt in beginsel maximaal twee jaren, te rekenen vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar duren en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar. Per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden bestaat recht op een schadevergoeding van € 500, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. In deze zaak betekent dit het volgende.


7.3.
Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door de staatssecretaris op 23 augustus 2023 tot de datum waarop de rechtbank deze einduitspraak doet, zijn twee jaren en ongeveer acht maanden verstreken. De rechtbank ziet geen aanleiding de redelijke termijn voor deze procedure op meer of minder dan twee jaren te stellen. De redelijke termijn is dan ook met ongeveer acht maanden overschreden. De rechtbank stelt de schadevergoeding vast op een bedrag van € 1.000. De termijnoverschrijding is geheel toe te wijzen aan de rechtbank. Dit heeft tot gevolg dat de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) de vergoeding van € 1.000 aan eiser moet betalen.




Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toe, en veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot het betalen van een immateriële schadevergoeding aan eiser van € 1.000. Voor het overige wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding af.


8.1.
Omdat de staatssecretaris pas met het besluit van 21 februari 2024 volledig heeft beslist op het verwijderingsverzoek van eiser en dit besluit is genomen nadat eiser beroep heeft ingesteld, heeft eiser niet ten onrechte bezwaar gemaakt en beroep ingesteld. De rechtbank ziet daarom aanleiding om de staatssecretaris te veroordelen in de proceskosten die eiser in bezwaar en beroep heeft gemaakt. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.266 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting in bezwaar en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 666 in bezwaar en € 934 in beroep en een wegingsfactor 1). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken. De staatssecretaris moet ook het door eiser betaalde griffierecht vergoeden.





Beslissing

De rechtbank:

 verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
 veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.266;
 bepaalt dat de staatssecretaris het griffierecht van € 187 aan eiser moet vergoeden;
 wijst het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toe;
 wijst het verzoek om schadevergoeding voor het overige af;
 veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot het betalen van een schadevergoeding van € 1.000 aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, rechter, in aanwezigheid van
mr. I.H. Verzijl-Stoop, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op













griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Voorheen de minister voor Rechtsbescherming, beiden in deze uitspraak aangeduid als de staatssecretaris.


Zie de beleidsregel van 8 juli 2014 (Staatscourant 2014, nr. 20210).


Zie onder meer ABRvS 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2421, en ABRvS 18 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1537.
Link naar deze uitspraak