Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBNHO:2026:1795 
 
Datum uitspraak:20-02-2026
Datum gepubliceerd:20-04-2026
Instantie:Rechtbank Noord-Holland
Zaaknummers:24-7367
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de staatssecretaris in oktober 2024 terecht weigerde om het belastingdossier te verstrekken aan eiser. Het toen geldende artikel 67 van de Algemene wet rijksbelastingen staat namelijk in de weg aan die verstrekking.
Trefwoorden:uitkering
zorgtoeslag
 
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 24/7367

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en

de Staatssecretaris van Financiën,
(gemachtigde: mr. I. Talhaoui).


Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de weigering van de staatssecretaris om aan eiser zijn volledige belastingdossier vanaf 2008 te verstrekken. Eiser is het niet eens met die weigering. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.


1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de staatssecretaris in oktober 2024 terecht weigerde om het belastingdossier te verstrekken aan eiser. Het toen geldende artikel 67 van de Algemene wet rijksbelastingen staat namelijk in de weg aan die verstrekking. Deze beroepsprocedure gaat over de weigering om het belastingdossier te verstrekken, niet over eventuele vernietiging van die documenten en ook niet over de schade die eiser stelt te lijden als gevolg van die vernietiging. De rechtbank kan daarom in deze uitspraak geen oordeel geven over die onderwerpen. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.





Procesverloop

2. Eiser heeft op 7 juni 2024 schriftelijk gevraagd om zijn belastingdossier. De staatssecretaris heeft dit verzoek met het besluit van 1 augustus 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 29 oktober 2024 op het bezwaar van eiser is de staatssecretaris bij de afwijzing van het verzoek gebleven.


2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De staatssecretaris heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 16 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de staatssecretaris.




Beoordeling door de rechtbank


Waar gaat deze zaak over?


3.1
Eiser heeft op 30 augustus 2023 zijn volledige belastingdossier opgevraagd,
vanaf 2008. Onder verwijzing naar die brief heeft hij op 7 juni 2024 (nogmaals) gevraagd om zijn volledige belastingdossier.



3.2
De staatssecretaris heeft het verzoek van eiser van 7 juni 2024 opgevat als een verzoek op grond van artikel 5.5 van de Wet open overheid (Woo). Bij besluit van 1 augustus 2024 heeft de staatssecretaris het verzoek afgewezen omdat artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) op dat moment een geheimhoudingsplicht voor belastingambtenaren bevatte.



3.3
Eiser heeft bezwaar gemaakt op 28 augustus 2024. De staatssecretaris heeft op 29 oktober 2024 het bezwaar ongegrond verklaard, bij besluit met kenmerk 2024-365-1.1. Dit besluit is onderwerp van deze uitspraak.


Wat voert eiser in beroep aan?

4. Eiser stelt dat zijn verzoek ten onrechte is afgewezen. Hij kan nu niet zijn recht halen, terwijl dat volgens een EU-wet wel altijd kan. De staatssecretaris zegt dat de staatssecretaris andere partijen zou schaden als het dossier aan eiser zou worden verstrekt. Volgens eiser wordt daarmee het UWV bedoeld. Het UWV heeft ten onrechte zijn WW-uitkering van 2008 tot en met 2012 omgezet in een WIA-uitkering. Daardoor is het inkomen van eiser gewijzigd. Eiser heeft dat aangegeven bij de Belastingdienst. Ook heeft hij over die jaren alles opnieuw ingevuld maar de Belastingdienst heeft er nooit naar gekeken. Eiser heeft zich ook aangemeld voor de hkz-regeling toeslagen, voor huur- en zorgtoeslag. Eiser kan het bewijs aanleveren als hij de stukken heeft.


Wat is het verweer?

5. Volgen de staatssecretaris bevat artikel 67 van de Awr een speciale openbaarheidsregeling die vóór de Woo gaat. De fiscale geheimhoudingsplicht is van toepassing op informatie die is verkregen bij de uitvoering van de Awr. De staatssecretaris verwijst naar een uitspraak van 4 december 2024 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarin is bevestigd dat artikel 67 Awr vóór de Woo gaat.


Wat is het oordeel van de rechtbank?

6. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het beroep uit van de wetgeving zoals die gold op het moment dat de staatssecretaris het bestreden besluit nam. Het bestreden besluit is gnomen op 29 oktober 2024. De rechtbank vindt het belangrijk om dit hier op te merken, omdat artikel 67 Awr is gewijzigd per 31 december 2025. Die gewijzigde wetgeving betrekt de rechtbank niet in haar beoordeling.



7.1
Uit artikel 5.5, eerste lid van de Woo volgt – samengevat – dat een bestuursorgaan op verzoek aan de verzoeker (in dit geval eiser) de informatie moet verstrekken die over eiser gaat en die in documenten is neergelegd. In het (oude) artikel 67, eerste lid van de Awr staat een geheimhoudingsplicht die in de weg staat aan bekendmaking van belastinginformatie.



7.2
De verhouding tussen artikel 5.5 van de Woo en artikel 67 van de Awr is enige tijd onduidelijk geweest. Met de uitspraak van 4 december 2024 waar de staatssecretaris naar verwijst, is een einde gekomen aan die onduidelijkheid. In die uitspraak oordeelde de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat de fiscale geheimhoudingsplicht van artikel 67 Awr een speciale en complete regeling is die vóór de Woo gaat. Dat betekent dat de staatssecretaris niet verplicht is om via de Woo informatie uit belastingdossiers te geven, ook niet als het om gegevens over eiser zelf gaat.



7.3
Op grond daarvan is de rechtbank van oordeel dat de staatssecretaris terecht heeft geweigerd om de documenten aan eiser te verstrekken. Eiser stelt dat Europese wetgeving hem het recht geeft op zijn dossier. De rechtbank gaat ervan uit dat eiser doelt op artikel 8 van het Europese Handvest. Dat artikel gaat erover dat iedereen het recht heeft om zijn persoonsgegevens te beschermen en ook het recht heeft op inzage in die gegevens. Het recht op inzage is iets anders dan het verkrijgen van de gegevens. Het beroep van eiser op dat artikel slaagt daarom niet.

8. Op de zitting heeft eiser verteld dat het hem er ook om gaat dat er documenten vanaf 2008 vernietigd zouden zijn. Hij maakt aanspraak op schadevergoeding vanwege fraude. De rechtbank overweegt dat het beroep dat eiser heeft ingesteld, gaat over het besluit van de staatssecretaris om het belastingdossier niet aan eiser te verstrekken. Dit betekent dat de rechtbank in deze procedure geen uitspraak kan doen over vernietiging van documenten of schadevergoeding.





Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de weigering om het belastingdossier te verstrekken, in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.




Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Kos, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Vermeij, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2026.













griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



ECLI:NL:2024:4984.
Link naar deze uitspraak