Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBMNE:2026:1216 
 
Datum uitspraak:30-03-2026
Datum gepubliceerd:20-04-2026
Instantie:Rechtbank Midden-Nederland
Zaaknummers:UTR 25/5332
Rechtsgebied:Socialezekerheidsrecht
Indicatie:Afwijzing aanvraag algemene bijstand. Recht niet vast te stellen.
Trefwoorden:belastingrecht
burgerlijk wetboek
huurovereenkomst
 
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 25/5332

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. P.A.J. van Putten),

en


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort, het college
(gemachtigde: J.H. de Vos).


Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van een aanvraag om algemene bijstand. Het college heeft de aanvraag afgewezen, omdat niet kan worden vastgesteld waar eiser in de relevante periode zijn hoofdverblijf had. Eiser is het hiermee niet eens en stelt dat hij in Nederland woonde en dat het college onvoldoende onderzoek heeft verricht. De rechtbank oordeelt dat het college de aanvraag terecht heeft afgewezen. Het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en wat de gevolgen daarvan zijn.



Procesverloop

2. Eiser heeft op 8 november 2024 een aanvraag om algemene bijstand ingediend op grond van de Participatiewet (PW). Bij besluit van 13 december 2024 heeft het college deze aanvraag afgewezen.

3. Bij het bestreden besluit van 21 maart 2025 heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard. Het college heeft de afwijzing van de aanvraag gehandhaafd, maar met een gewijzigde motivering. Volgens het college kan niet worden vastgesteld waar eiser in de relevante periode feitelijk verbleef. Daarbij heeft het college betrokken dat eiser een woning in Frankrijk huurt en daar verblijft en dat hij op verschillende momenten verschillend heeft verklaard over zijn verblijfssituatie. Omdat eiser geen objectieve en verifieerbare gegevens heeft overgelegd over zijn feitelijke verblijf, kan het recht op bijstand volgens het college niet worden vastgesteld.

4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft een verweerschrift ingediend.

5. De rechtbank heeft het beroep op 6 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de rechtbank


Omvang van het geding


6. De rechtbank beoordeelt of het college de aanvraag om bijstand terecht heeft afgewezen. Op zitting is toegelicht dat eiser op 21 maart 2025 een nieuwe aanvraag om bijstand heeft ingediend. Het geschil in deze procedure is daarom in tijd beperkt tot de periode van 8 november 2024 tot 21 maart 2025.


Gronden van eiser


7. Eiser stelt dat het recht op bijstand kan worden vastgesteld en dat zijn woonplaats in de te beoordelen periode in Nederland lag. Hij wijst op zijn inschrijving in de basisregistratie personen en op het feit dat het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven zich in Nederland bevond, waar ook zijn kinderen, sociale contacten en schuldhulpverleningstraject zijn. Dat hij in die periode een woning in Frankrijk huurde en daar verbleef, doet daar volgens hem niet aan af. Volgens eiser kan bij de beoordeling worden aangesloten bij de zogenoemde 183-dagenregel uit het belastingrecht. Verder betwist eiser dat sprake is van tegenstrijdige verklaringen. Voor zover zijn verklaringen als tegenstrijdig worden aangemerkt, stelt eiser dat uitsluitend de eerste verklaring moet worden gevolgd, omdat de tweede verklaring niet is vastgelegd in een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal. Tot slot voert eiser aan dat het college onvoldoende onderzoek heeft verricht, onder meer omdat geen huisbezoek heeft plaatsgevonden.


Toetsingskader


8. Op grond van artikel 40, eerste lid, van de PW bestaat recht op bijstand jegens het college van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft zoals bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. De woonplaats is de plaats waar de woonstede van de betrokkene is. Met woonstede wordt hier bedoeld: woning. De woning is het adres waar de betrokkene zijn hoofdverblijf heeft. Dat is de plaats waar het zwaartepunt van zijn persoonlijke leven ligt. Dit wordt bepaald aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

9. Bij een aanvraag om bijstand moet de aanvrager aannemelijk maken dat hij aan de voorwaarden voor bijstand voldoet. Als door onvoldoende, onvolledige of tegenstrijdige gegevens onduidelijk blijft hoe de relevante feiten liggen, komt dat voor zijn rekening en kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.


Bespreking van de gronden


10. De te beoordelen periode loopt van de van 8 november 2024 (de datum van de aanvraag) tot en met 21 maart 2025 (de datum van het besluit op bezwaar).

11. De rechtbank is van oordeel dat het college zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat het recht op bijstand van eiser in de te beoordelen periode niet kan worden vastgesteld, omdat onvoldoende duidelijkheid bestaat over waar eiser in die periode zijn feitelijke hoofdverblijf had.

12. Het college heeft zijn standpunt gebaseerd op de verklaringen die eiser op 25 november 2024 en 9 december 2024 heeft afgelegd, in samenhang met de huurovereenkomst waaruit blijkt dat eiser per 9 oktober 2024 een woning huurde in [plaats] (Frankrijk). Eiser heeft op 25 november 2024 verklaard dat hij zowel in Nederland als in Frankrijk verbleef. In een latere verklaring van 9 december 2024 heeft eiser dit gewijzigd en verklaard dat hij uitsluitend in Nederland woonde en dat de woning in Frankrijk een opslagfunctie had. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat aan de tweede verklaring geen betekenis kan worden toegekend omdat deze niet is vastgelegd in een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal. Een dergelijke vorm is geen vereiste voor het kunnen betrekken van een verklaring bij de beoordeling. Het college heeft beide verklaringen bij zijn beoordeling mogen betrekken en de verschillen daartussen van betekenis mogen achten voor de beoordeling van de verblijfssituatie van eiser. Eiser heeft geen objectieve en verifieerbare gegevens overgelegd waaruit zijn feitelijke verblijf in de te beoordelen periode blijkt, zodat de bestaande onduidelijkheid niet is weggenomen. Het college heeft daarmee voldoende inzichtelijk gemaakt dat en waarom het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

13. Voor zover eiser betoogt dat bij de beoordeling moet worden aangesloten bij de zogenoemde 183-dagenregel uit het belastingrecht, volgt de rechtbank hem daarin niet. Zoals onder 8 is overwogen, is voor de beantwoording van de vraag waar iemand woont in de zin van de PW bepalend waar zich het zwaartepunt van het persoonlijk leven bevindt, beoordeeld aan de hand van alle concrete feiten en omstandigheden.

14. De beroepsgrond dat het college onvoldoende onderzoek heeft verricht slaagt evenmin. Het college heeft eiser gehoord en de beschikbare gegevens bij de beoordeling betrokken. Daarmee heeft het college de voor de beoordeling relevante feiten voldoende onderzocht en inzichtelijk gemaakt dat onduidelijkheid is blijven bestaan over waar eiser in de te beoordelen periode feitelijk verbleef. Anders dan eiser betoogt, was het college in deze situatie niet gehouden om nader onderzoek te verrichten, zoals het afleggen van een huisbezoek. Daarbij is van belang dat het op de weg van eiser ligt om duidelijkheid te verschaffen over zijn feitelijke verblijfssituatie. Nu eiser geen objectieve en verifieerbare gegevens heeft overgelegd, mocht het college volstaan met het verrichte onderzoek. Dat geen huisbezoek heeft plaatsgevonden, maakt het onderzoek daarom niet onzorgvuldig.



Conclusie en gevolgen

15. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.







Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.




Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. van Niejenhuis, rechter, in aanwezigheid van mr.P. Molenaar, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2026.






de griffier is verhinderd


de uitspraak te ondertekenen








griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Zie de uitspraken van 30 november 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:3038 en van 7 december 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:3110.
Link naar deze uitspraak