Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:GHDHA:2026:502 
 
Datum uitspraak:31-03-2026
Datum gepubliceerd:21-04-2026
Instantie:Gerechtshof Den Haag
Zaaknummers:200.347.986/01
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Verzekeringsrecht. Vraag of assurantietussenpersoon zijn zorgplicht heeft geschonden is door de rechtbank positief beantwoord en door het hof in hoger beroep negatief. Verzekerde heeft in hoger beroep niet gereageerd op de memorie van grieven.
Trefwoorden:huurovereenkomst
huurovereenkomsten
onderhoudsverplichtingen
wettelijke rente
 
Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.347.986

Zaaknummer rechtbank : C/10/665819 / HA ZA 23-819


arrest van 31 maart 2026


in de zaak van


Financieel Bureau 10 B.V.,

gevestigd te Rotterdam,
appellante,
hierna: Bureau 10,
advocaat: mr. M.C. Franken-Schoemaker te Houten,

tegen


Konfor Home Capelle B.V.

gevestigd te Capelle aan den IJssel,
geïntimeerde,
hierna te noemen: Konfor Home,
advocaat: mr. I. Atar te Naarden die zich als zodanig heeft onttrokken.




1Waar het in deze zaak over gaat

Door een defecte sprinklerinstallatie in een gehuurde loods heeft Konfor Home waterschade geleden aan door haar opgeslagen meubels. De verzekeraar heeft de schade niet vergoed omdat in de polisvoorwaarden is bepaald dat de sprinklerinstallatie moet zijn gecertificeerd. De betreffende sprinklerinstallatie was dat niet. De vraag in deze zaak is of de assurantietussenpersoon, Bureau 10, aansprakelijk is voor de schade omdat zij haar zorgplicht jegens Konfor Home heeft geschonden door haar onvoldoende te wijzen op de voor verzekerings-dekking cruciale verzekeringsvoorwaarde. De rechtbank heeft geoordeeld dat deze zorgplicht is geschonden en heeft Bureau 10 veroordeeld tot schadevergoeding. In hoger beroep heeft Konfor Home geen verweer gevoerd. Het hof acht de grieven inzake de schending van de zorgplicht en het causaal verband gegrond en wijst de vordering van Konfor Home alsnog af.




2Het procesverloop

Bij exploot van 17 september 2024 is Bureau 10 in hoger beroep gekomen van de door de rechtbank Rotterdam tussen partijen gewezen vonnissen van 24 april 2024 en 28 augustus 2024. Dit hof heeft bij arrest van 7 januari 2025 een mondelinge behandeling na aanbrengen gelast. Vervolgens heeft mr. Atar zich als procesvertegenwoordiger van Konfor Home onttrokken. De mondelinge behandeling heeft niet plaatsgevonden. Bij memorie van grieven heeft Bureau 10 elf grieven aangevoerd. Konfor Home heeft geen memorie van antwoord genomen, waarna Bureau 10 arrest heeft gevraagd.

3. De feiten


In rechtsoverweging 2 van het vonnis van 28 augustus 2024 heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. Met de eerste grief wordt deze vaststelling op een punt bestreden, wat (zie hierna onder 6.2) tot een kleine aanpassing leidt. Het hof gaat verder uit van dezelfde feiten als de rechtbank. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.


3.1.
Bureau 10 is een assurantietussenpersoon. Konfor Home exploiteert een keten van meubelwinkels.



3.2.
In 2019 heeft Konfor Home de verzekeringen voor haar winkels ondergebracht bij Bureau 10.



3.3.
Bureau 10 heeft ten behoeve van Konfor Home via een volmachtbedrijf een Bedrijven Totaalplan-pakket bij (een rechtsvoorganger van) Nationale Nederlanden (hierna: NN) afgesloten. Op de verzekering zijn de voorwaarden BB-MKB Brand bedrijven 01-2016
van toepassing verklaard (hierna: de voorwaarden). Artikel 2.13.1 onder de kop
“lnventaris/Goederen” van deze voorwaarden luidt, voor zover van
Belang, als volgt:

“2.13 Water en stoom


Ten aanzien van de sprinklerinstallatie bestaat uitsluitend dekking indien deze installatie op het moment van de schade is voorzien van een geldig certificaat van het Bureau voor Sprinklerbeveiliging.”




3.4.
In oktober 2020 heeft Konfor Home een huurovereenkomst gesloten met betrekking tot een opslagloods aan het Roer 20 in Rotterdam (hierna: het magazijn). In dit pand was een sprinklerinstallatie aanwezig.



3.5.
In november 2020 heeft de bestuurder van Bureau 10, [bestuur] , het magazijn op verzoek van Konfor Home bezocht. Dit bezoek vond plaats in het kader van de wens van Konfor Home om (ook) dat gebouw onder de hiervoor bedoelde verzekering te brengen.



3.6.
Op diezelfde dag is het magazijn op verzoek van Bureau 10 onder de verzekeringsdekking gebracht.



3.7.
De sprinklerinstallatie in het magazijn is niet gecertificeerd.



3.8.
Op 11 mei 2021 is de hoofdleiding van de sprinklerinstallatie in het magazijn gesprongen. Daardoor is schade ontstaan aan de in het magazijn aanwezige voorraad van Konfor Home. De schade is door een onafhankelijke expert vastgesteld op € 52.498,50 inclusief btw.



3.9.
Nationale Nederlanden heeft dekking geweigerd wegens het ontbreken van een geldig certificaat voor de sprinklerinstallatie (artikel 2.13.1 van de voorwaarden).






4De procedure bij de rechtbank


4.1.
In eerste aanleg heeft Konfor Home gevorderd i) te verklaren voor recht dat Bureau 10 haar zorgplicht jegens Konfor Home heeft geschonden en aansprakelijk is voor de schade, ii) Bureau 10 te veroordelen tot betaling van € 52.498,50 te vermeerderen met de wettelijke rente, iii) Bureau 10 te veroordelen tot betaling van € 1.299,99 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met wettelijke rente, en iv) Bureau 10 te veroordelen in de proceskosten.



4.2.
Bij mondeling tussenvonnis van 24 april 2024 heeft de rechtbank Konfor Home in de gelegenheid gesteld bewijs te leveren van haar stelling dat zij door Bureau 10 niet is geïnformeerd over de noodzaak een gecertificeerde sprinklerinstallatie te hebben, een en ander om voor dekking onder de schadeverzekering in aanmerking te komen. Aansluitend aan deze mondelinge behandeling op 24 april 2024 heeft de rechtbank de al op de zitting aanwezige getuigen gehoord. Op een later moment is, in contra-enquête, nog een getuige gehoord. Bij eindvonnis van 28 augustus 2024 is Bureau 10 veroordeeld tot betaling van
€ 42.887,19 te vermeerderen met de wettelijke rente, tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten, door de rechtbank begroot op € 1.203,87 en tot betaling van de proceskosten.





5De vordering en het verweer in hoger beroep


5.1.
Bureau 10 vordert het eindvonnis van 28 augustus 2024 te vernietigen en Konfor Home te veroordelen tot betaling van al hetgeen naar aanleiding van dat vonnis door Bureau 10 reeds is betaald, zijnde ten minste € 53.881,94, althans een zodanig bedrag als het hof juist zal achten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 september 2024, althans vanaf 27 mei 2025 en Konfor Home te veroordelen in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.



5.2.
Konfor Home heeft geen memorie van antwoord genomen.





6De beoordeling in hoger beroep


Devolutieve werking



6.1.
Het hof stelt voorop dat, gelet op de devolutieve werking van het hoger beroep, de grieven moeten worden beoordeeld mede met inachtneming van hetgeen Konfor Home in eerste aanleg heeft aangevoerd.


De feiten (eerste grief)




6.2.
Met de eerste grief komt Bureau 10 op tegen de door de rechtbank in het eindvonnis onder 2.6 opgenomen datum van het bezoek van de bestuurder van Bureau 10 aan het magazijn. In het vonnis is vermeld dat dit bezoek op 17 november 2020 heeft plaatsgevonden. Volgens Bureau 10 was dat op 12 november 2020. Nu het bezoek ingevolge de stellingen van partijen hoe dan ook in november 2020 heeft plaatsgevonden, heeft het hof hiervoor onder 3.5 het feit in die zin aangepast, zodat de eerste grief geen verdere bespreking behoeft en niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden vonnis.




De zorgplicht (grieven twee tot en met vijf)




6.3.
De tweede tot en met de vijfde grief richten zich tegen het oordeel van de rechtbank dat Bureau 10 haar zorgplicht heeft geschonden.



6.4.
De zorgplicht van een assurantietussenpersoon houdt in dat hij tegenover zijn opdrachtgever de zorg dient te betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsgenoot mag worden verwacht. Het is zijn taak te waken voor de belangen van de verzekeringnemers bij de tot zijn portefeuille behorende verzekeringen. Tot deze taak behoort in beginsel ook dat – kort gezegd – de assurantietussenpersoon de verzekeringnemer tijdig opmerkzaam maakt op de gevolgen die hem bekend geworden feiten voor de dekking van de tot zijn portefeuille behorende verzekeringen kunnen hebben. Daarbij gaat het om feiten en omstandigheden die aan de assurantietussenpersoon bekend zijn of die hem redelijkerwijs bekend behoorden te zijn (HR 10 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0122). De reikwijdte van de op de assurantietussenpersoon rustende zorgplicht is afhankelijk van de aard en inhoud van de opdracht, de belangen van de cliënt voor zover die kenbaar zijn voor de tussenpersoon en de overige omstandigheden van het geval.



6.5.
De rechtbank heeft terecht tot uitgangspunt genomen dat (ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv) op Konfor Home de stelplicht en de bewijslast rusten van de omstandigheden die zij ten grondslag legt aan haar stelling dat Bureau 10 is tekortgeschoten in de nakoming van haar zorgplicht. Van Bureau 10 mag worden verwacht dat zij haar betwisting voldoende motiveert door aan te voeren wat zij ter voldoening aan haar zorgplicht heeft gedaan, maar bewijzen hoeft zij deze motivering niet.



6.6.
Konfor Home heeft gesteld dat zij tijdens het bezoek aan het magazijn in november 2020 aan Bureau 10 heeft gevraagd om een deugdelijke verzekering af te sluiten voor de door haar opgeslagen goederen in het magazijn. Vervolgens heeft Bureau 10 de verzekering afgesloten bij (de rechtsvoorganger van) NN. Konfor Home betoogt niet bekend te zijn met de polisvoorwaarde ten aanzien van de certificering van de sprinklerinstallatie waar NN een beroep op doet. Daardoor wist Konfor Home niet dat het ontbreken van een certificaat voor de sprinklerinstallatie reden tot afwijzing van de claim zou zijn. Bureau 10 heeft Konfor Home niet geïnformeerd over deze voorwaarde, aldus Konfor Home (in haar inleidende dagvaarding bij de rechtbank) en Bureau 10 was blijkens een e-mailbericht van een van haar medewerkers ( [medewerker] ) zelf ook niet op de hoogte van deze voorwaarde.



6.7.
De rechtbank heeft overwogen dat, anders dan voor wat betreft de op deze verzekering van toepassing zijnde clausules, voor wat betreft de toepasselijke voorwaarden (waaronder de hier in het geding zijnde voorwaarde dat de sprinklerinstallatie gecertificeerd moet zijn) uit de stukken niet kan worden afgeleid dat Bureau 10 Konfor Home over de inhoud daarvan heeft geïnformeerd. De toepasselijkheid van de voorwaarden is op zichzelf wel vermeld op het aanvraagformulier en op het polisblad, maar die stukken bieden geen informatie over de inhoud van de voorwaarden. Tijdens de zitting bij de rechtbank heeft Bureau 10 bovendien erkend dat zij alleen het polisblad en niet ook de toepasselijke voorwaarden aan Konfor Home heeft gemaild. Bureau 10 heeft ook niet gesteld dat zij tijdens het doornemen van het aanvraagformulier of op een ander moment, bijvoorbeeld toen later in 2020 ook het magazijn onder de verzekering werd gebracht, heeft gesproken over de toepasselijkheid en de inhoud van die voorwaarden (zie overweging 4.5 van het vonnis).



6.8.
Bureau 10 heeft betoogd dat haar bestuurder tijdens het bezoek aan het magazijn in november 2020 uitdrukkelijk tegen de bestuurder van Konfor Home heeft gezegd dat certificering van de sprinklerinstallatie een voorwaarde is voor verzekeringsdekking. De rechtbank heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op 24 april 2024 Konfor Home in de gelegenheid gesteld bewijs te leveren van haar stelling dat zij niet door Bureau 10 is geïnformeerd over de noodzaak een gecertificeerde sprinklerinstallatie te hebben, een en ander om voor dekking onder de schadeverzekering in aanmerking te komen. Ter uitvoering van die bewijsopdracht zijn aansluitend aan de mondelinge behandeling als getuigen gehoord [magazijnbeheerder] (als magazijnbeheerder en hoofd logistiek in dienst van Konfor Home), [huurincassospecialist] (huurincassospecialist) en [bestuurder] (de bestuurder van Konfor Home). In contra-enquête is als getuige gehoord [bestuur] (de bestuurder van Bureau 10). Later, op 17 juni 2024, is ook als getuige gehoord [magazijnmedewerker] (magazijnmedewerker in dienst van Konfor Home).


De getuigenverklaringen




[magazijnbeheerder]




6.9.
heeft verklaard niet steeds bij het gesprek aanwezig te zijn geweest, maar voor zover hij er bij was, is het niet gegaan over een certificaat voor de sprinklerinstallatie. Daarover heeft hij ook achteraf niets gehoord.



[huurincassospecialist]




6.10.

[huurincassospecialist] heeft verklaard aanwezig te zijn geweest tijdens het hele bezoek door Bureau 10 in november 2020 aan het magazijn. Hij blijft bij hetgeen hij in zijn e-mail van 18 mei 2023 heeft geschreven. In die mail staat, voor zover relevant:

“Terwijl ik aankwam zag ik Dhr [bestuur] op de locatie, ik kan goed herinneren dat Dhr [bestuurder] ons opwachtte en we gingen een rondje maken door het bedrijfspand. Het eerste wat mij opviel was de grootte van het pand ten tweede wat mij opviel was het dringend advies direct door Dhr [bestuur] aan Dhr [bestuurder] op met hele hoge spoed vlonders aan te leggen door het pand heen waar de voorraad op kan staan ipv direct op de vloer van het pand. Dit ter voorkoming van schade ivm lekkage en waterschade en ook vereisten vanuit de verzekering.


Dhr [bestuur] heeft dit zeker 4 keer benadrukt aan Dhr [bestuurder] . Dusdanig dat ik zelfs als bezoeker het heb kunnen onthouden.


Dhr. [bestuur] heeft ook direct advies gegeven over het aanleggen van brandveiligheid instrumenten door het pand heen en ook advies gegeven omtrent alarmering.


Dus 3 aspecten:


De voorraad mag de directe vloer niet raken. Brandveiligheid instrumenten moeten aangelegd worden. En iets over klasse alarm bepaalde specifieke klasse die Mr [bestuurder] moest hebben.”

Op de vraag van de rechtbank aan [huurincassospecialist] of het ook is gegaan over certificering van de sprinklerinstallatie heeft hij als getuige verklaard:

“Mijn antwoord is ja, het ging vooral over de partij die bepaalde werkzaamheden zou gaan verrichten, het was belangrijk dat het niet zomaar een willekeurige partij zou zijn, want het ging om de certificering omwille van de verzekering. Het woord certificering is echt genoemd, dat weet ik heel zeker.”




[bestuurder]




6.11.
heeft verklaard [bestuur] te hebben gewezen op de sprinklerinstallatie en dat er geen certificering is. Volgens [bestuurder] heeft [bestuur] daarop gezegd: “Dat is geen probleem, we gaan dat oplossen”. Het gesprek is verder meer gegaan over pallets. Hij heeft verder niets gehoord over certificering.



[bestuur]



6.12.
heeft verklaard tijdens het bezoek aan het magazijn in november 2020 te hebben gesproken over de noodzaak om de sprinkler te laten certificeren. Hij heeft verklaard te hebben gesproken over brandveiligheid, alarm, calamiteitenplan en vlonders. Dat zijn vaste onderdelen als hij bij een klant op inspectie gaat. Het punt van de certificering van de sprinkler hoort bij het onderwerp brandveiligheid. Volgens [bestuur] heeft [bestuurder] tijdens dat bezoek niet gezegd dat de sprinklerinstallatie niet gecertifieerd was.



[magazijnmedewerker]




6.13.
heeft als getuige verklaard tijdens het bezoek van Bureau 10 aan het magazijn in november 2020 aan het werk te zijn geweest. Op de vraag of hij heeft gezien dat [huurincassospecialist] tijdens dat bezoek ook aanwezig was heeft hij verklaard dat er niemand anders bij het gesprek aanwezig was. [bestuur] en [bestuurder] waren er met zijn tweeën.



6.14.
De rechtbank heeft in overweging 4.6 geconcludeerd dat de getuigenverklaringen lijnrecht tegenover elkaar staan. Vervolgens heeft de rechtbank in overweging 4.7 overwogen dat bij de verdere beoordeling van de schending van de zorgplicht in het midden kan worden gelaten of de bestuurder van Bureau 10 tijdens het bezoek aan het magazijn in november 2020 nu wel of niet heeft gewezen op de noodzaak van certificering van de sprinklerinstallatie. Zelfs indien dat het geval zou zijn, dan nog is de rechtbank van oordeel dat Bureau 10 haar zorgplicht heeft geschonden. In dat geval is het bezoek in november 2020 het enige moment geweest waarop Bureau 10 Konfor Home heeft gewezen op de in de voorwaarden opgenomen dekkingsvoorwaarde van een gecertificeerde sprinklerinstallatie, aldus de rechtbank.



6.15.
In hoger beroep is door Bureau 10 (zie randnummers 2.34 en 2.35 memorie van grieven) aangevoerd dat ook bij de totstandkoming van de verzekering Konfor Home door Bureau 10 niet alleen is geïnformeerd over de in het polisblad opgenomen clausules, maar ook uitgebreid is geïnformeerd over de pijlers Brand & Veiligheid, waarbij Konfor Home expliciet erop is gewezen dat alle installaties, waaronder de sprinklerinstallatie, gekeurd en gecertificeerd moeten zijn. Zij voegt daaraan toe dat Bureau 10 in totaal vier zakelijke verzekeringen voor de vier (aparte) vestigingen van Konfor Home heeft afgesloten, drie van deze vier vestigingen (ook) heeft bezocht en Konfor Home telkenmale heeft geïnformeerd over de door de verzekeraar gehanteerde clausules, daaronder valt in alle gevallen de eis van een gecertificeerde sprinklerinstallatie, en (algemene) voorwaarden. Deze laatste stelling is in eerste aanleg niet gevoerd en is in hoger beroep niet weersproken. Konfor Home heeft in eerste aanleg gesteld dat zij niet bekend was met de polisvoorwaarde ten aanzien van de certificering van de sprinklerinstallatie en dat zij door Bureau 10 hierover niet is geïnformeerd, maar zij is daarmee niet ingegaan op de mededelingen waarop Bureau 10 zich nu aanvullend beroept, in het bijzonder die in het kader van de andere verzekeringen die, zoals vaststaat, aan de overeenkomst met betrekking tot het magazijn Roer 20 voorafgingen. Ook de bewijslevering van Konfor Home had hierop geen betrekking. Zo deze stellingen al niet als onvoldoende weersproken vaststaan, is in elk geval sprake van een nadere motivering van het door Bureau 10 gevoerde verweer (betwisting) tegen de stelling van Konfor Home. Die motivering wordt ook niet ontkracht of ongeloofwaardig gemaakt door het enkele e-mailbericht van [medewerker] . Uit dat bericht kan niet worden afgeleid dat niemand bij Bureau 10, en dus ook niet ook degenen die de aanvraag hebben behandeld en die de bezoeken aan de locaties hebben afgelegd, van de certificeringseis op de hoogte was.



6.16.
Bij die stand van zaken is het hof van oordeel dat de schending van de zorgplicht niet is komen vast te staan. Dat Bureau 10 tijdens het bezoek aan Roer 2020 niet heeft gewezen op de certificeringseis kan, gelet op de lijnrecht tegenover elkaar staande getuigenverklaringen en het ontbreken van ander bewijs, niet als afdoende bewezen worden aangenomen. Als Konfor Home, zoals Bureau 10 heeft aangevoerd, al veelvuldig, bij meerdere gelegenheden, mondeling was gewezen op de noodzaak van certificering voor een sprinklerinstallatie, was het niet nodig om dat (na het bezoek aan het magazijn) nog een keer in een e-mail of WhatsApp bericht te zetten. Een assurantietussenpersoon is ook niet zonder meer verplicht achteraf nog te controleren of de verzekerde zijn advies daadwerkelijk heeft opgevolgd (zoals Bureau 10 ook heeft betoogd). Periodieke controles volstaan doorgaans. Het hof ziet geen reden om hierover in dit geval anders te oordelen. Er zijn geen omstandigheden gesteld of gebleken waaruit Bureau 10 had moeten afleiden dat Konfor Home ondanks de gedane mededelingen nog niet van de hoed en de rand wist en nog onvoldoende van de noodzaak van certificering was doordrongen. Konfor Home heeft nog gesteld dat zij Bureau 10 bij het bezoek aan Roer 20 heeft gewezen op het ontbreken van een certificering en daarbij heeft verzocht om een passende verzekering, waarop Bureau 10 (volgens [bestuurder] als getuige) zou hebben gezegd dat zij dit zou oplossen. Bureau 10 heeft dit alles echter betwist en het bewijs van deze stelling is, ook door de in eerste aanleg gehoorde getuigen, niet geleverd. Omdat Konfor Home in hoger beroep geen nadere uitwerking aan deze stelling heeft gegeven en ook geen nader bewijs aanbiedt, gaat het hof aan deze stelling voorbij. Dat Bureau 10 na het bezoek in november 2020 aan het magazijn Konfor Home via WhatsApp wel heeft herinnerd aan het plaatsen van de meubels op pallets en het installeren van een alarm, maar de noodzaak van een gecertificeerde sprinklerinstallatie daarbij niet heeft genoemd, heeft Bureau 10 (onweersproken) verklaard door aan te voeren dat Bureau 10 had geconstateerd dat een alarm geheel ontbrak en dat dit punt van de pallets nieuw was; anders dan de noodzaak van certificering die al herhaaldelijk was besproken.



6.17.
Al met al heeft Bureau 10 in hoger beroep ter betwisting van de stelling van Konfor Home Bureau 10 voldoende aangevoerd om de conclusie te kunnen dragen dat geen sprake is van schending van haar zorgplicht. Zo al kan worden gezegd dat Konfor Home voldoende tegenover dit verweer heeft gesteld – het hof is van oordeel dat dat niet het geval is – moet in elk geval worden geconcludeerd dat Konfor Home haar stelling niet heeft bewezen en dat zij geen specifiek aanbod heeft gedaan om dit bewijs alsnog te leveren.



6.18.
De conclusie is dat de grieven twee tot en met vijf doel treffen.


Causaal verband tussen schending zorgplicht en de schade (grieven zes en zeven)




6.19.
Nu het hof van oordeel is dat de zorgplicht niet is geschonden, komt het in beginsel niet toe aan de vraag of er sprake is van causaal verband tussen de tekortkoming van Bureau 10 (de schending van de zorgplicht) en de schade. Niettemin ziet het hof aanleiding te overwegen dat ook wanneer zou moeten worden aangenomen dat de zorgplicht wel is geschonden, de vordering strandt, maar dan op het ontbreken van causaal verband. Daarvoor is het volgende redengevend.



6.20.
Om te komen tot een antwoord op de vraag of de schending van de zorgplicht door Bureau 10 tot schade heeft geleid, moeten twee situaties met elkaar worden vergeleken: 1) de feitelijke situatie met de schending van de zorgplicht (waarin dekking voor de schade van Konfor Home is geweigerd door NN) en 2) de hypothetische situatie zonder die schending. In de laatste situatie gaat het om het antwoord op de vraag wat Konfor Home feitelijk zou hebben gedaan zonder de schending van de zorgplicht door Bureau 10. De stelplicht en de bewijslast van het causaal verband rusten ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op Konfor Home. Omdat Bureau 10 door haar hier tot uitgangspunt te nemen zorgplichtschending Konfor Home de mogelijkheid heeft ontnomen om daadwerkelijk te ervaren wat zonder die normschending zou zijn gebeurd, kunnen in dit verband geen al te strenge eisen worden gesteld aan de stellingen van Konfor Home.



6.21.
Konfor Home heeft (in eerste aanleg) gesteld dat als zij tijdig van de noodzaak van een geldig certificaat op de hoogte was geweest, zij alsnog alles in het werk zou hebben gesteld om van de verhuurder van het magazijn een certificaat te verkrijgen. Ook zou zij er in dat geval voor hebben kunnen kiezen haar meubels in een ander pand op te slaan.



6.22.
Bureau 10 heeft betwist (zowel in eerste aanleg als bij memorie van grieven in hoger beroep) dat Konfor Home (tijdig) certificering van de sprinklerinstallatie had kunnen verkrijgen. Bureau 10 verwijst daarvoor naar de e-mail van de verhuurder van het magazijn, Spee Vastgoedbeheer B.V., van 29 oktober 2021 (productie 15 conclusie van antwoord) waarin staat:

“Zoals u weet hebben wij i.o.m. de huurders en installateurs afgesproken dat de installatie in stand word gehouden totdat het object definitief wordt gesloopt. Dit is ook de reden dat de looptijd van de huurovereenkomsten zeer kort zijn. Certificering is op korte termijn ook helemaal niet haalbaar, want tegen de tijd dat de installatie gecertificeerd is zal het object zijn gesloopt. Overigens kunnen wij u melden dat in september 2021 het onderhoud nog is uitgevoerd.”




6.23.
Naar deze mail (die dateert van een jaar na het afsluiten van de verzekering) is ook in eerste aanleg door Bureau 10 verwezen, waarop Konfor Home ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op 24 april 2024 heeft betoogd dat uit een gesprek met KIWA is gebleken dat certificering op korte termijn wel mogelijk was, hetgeen ter zitting in eerste aanleg door Bureau 10 is betwist. Enig bewijs van de stelling – bijvoorbeeld een verklaring van KIWA – heeft Konfor Home niet geleverd of aangeboden. Er kan daarom niet van worden uitgegaan dat in november 2020, toen de verzekering werd afgesloten en Bureau 10 het magazijn had bezocht, nog een geldige certificering had kunnen worden verkregen. Het standpunt van de verhuurder – van wie Konfor Home in dit opzicht afhankelijk was – wijst er overigens ook niet direct op dat hij van plan was zich – voor dit te slopen pand – nog in te zetten voor het verkrijgen van een certificering.



6.24.
Dat Konfor Home, bij deugdelijke voorlichting over de certificeringseis, ervoor zou hebben gekozen haar meubels in een ander pand op te slaan of bij de keuze voor een opslagruimte met deze eis rekening zou hebben gehouden, wordt betwist door Bureau 10. Daartoe wijst Bureau 10 onder meer naar de omstandigheid (zie randnummer 2.47 memorie van grieven) dat Konfor Home herhaaldelijk gebruik maakt van tijdelijke huurovereenkomsten ter voorkoming van kraak, waarbij niet (zonder meer) geldt dat de verhuurder onderhoudsverplichtingen heeft en waarbij de huurprijs aanzienlijk lager is dan bij reguliere huur van een bedrijfspand. Daaruit blijkt volgens Bureau 10 dat Konfor Home bij de selectie van een opslagruimte andere factoren, zoals de lagere kosten aan huurpenningen, zwaarder laat meewegen dan de cruciale voorwaarden die betrekking hebben op dekking onder een verzekering.



6.25.
In randnummer 2.51 van de memorie van grieven voert Bureau 10 aan dat Konfor Home eveneens heeft nagelaten een alarminstallatie aan te leggen, wat volgens Bureau 10 de conclusie rechtvaardigt dat Konfor Home ook het advies van Bureau 10 (in de hypothetische situatie zonder schending van de zorgplicht) om de sprinklerinstallatie te certificeren niet zou hebben opgevolgd. In eerste aanleg heeft Konfor Home betoogd wel achter de sprinklerinstallatie aan te zijn gegaan in het geval zij zou hebben geweten dat dit een vereiste is voor verzekeringsdekking en heeft zij, zoals de rechtbank in 4.15 heeft overwogen, toegelicht dat het aan de verhuurder was te wijten dat een eerdere verzekering wegens het niet naleven van voorschriften, is geroyeerd. Dat alles neemt echter niet weg dat nu in hoger beroep onweersproken gesteld wordt (en daarmee vaststaat) dat Konfor Home geen actie heeft ondernomen ten aanzien van de alarminstallatie (waarop Bureau 10 haar wel heeft gewezen).



6.26.
Gelet op het voorstaande is het hof van oordeel dat, hoewel aan de stellingen van Konfor Home over het causaal verband geen al te hoge eisen mogen worden gesteld, de stellingen van Konfor Home door Bureau 10 zodanig zijn weersproken dat een nadere toelichting of onderbouwing van haar gevergd kon worden. Omdat deze ontbreken, net als een voldoende gespecifieerd bewijsaanbod, is het vereiste causaal verband niet komen vast te staan.



6.27.
De conclusie is dat ook de grieven zes en zeven gegrond zijn.


Overige grieven




6.28.
Het slagen van de grieven twee tot en met zeven brengt mee dat de vordering van Konfor Home alsnog - als ongegrond - moet worden afgewezen. De overige grieven inzake eigen schuld (grief acht), voordeelstoerekening (grief negen), de buitengerechtelijke incassokosten, alsmede de veeggrief 11 behoeven geen bespreking meer.


Niet-ontvankelijkheid




6.29.
Voor zover het hoger beroep ook is gericht tegen de mondelinge uitspraak van
24 april 2024 geldt dat tegen die uitspraak geen grieven zijn gericht, zodat het hoger beroep daartegen niet-ontvankelijk is.


Conclusie, proceskosten en terugbetaling




6.30.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen om de vordering alsnog geheel af te wijzen. Het hof zal Konfor Home, als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van het geding in beide instanties.



6.31.
Die kosten zullen voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van Bureau 10 zullen worden vastgesteld op:


Griffierecht € 2.837,00


Salaris advocaat € 3.642,00 (3 punten x tarief IV € 1.214,00)


Totaal € 6.479,00


6.32.
De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van Bureau 10 zullen vastgesteld worden op:


Explootkosten € 115,22


Griffierechten € 2.175,00


Salaris advocaat € 2.353,00 (1 punt x tarief IV € 2.352,00 )


- Nasalaris € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 4.832,22



6.33.
Het hof zal de vordering van Bureau 10 tot veroordeling van Konfor Home om terug te betalen wat zij heeft voldaan uit hoofde van het vonnis waarvan beroep toewijzen. De gevorderde wettelijke rente over het terug te betalen bedrag zal worden toegewezen vanaf veertien dagen na de datum van dit arrest omdat daarvoor geen sprake is van verzuim.





7De beslissing

Het hof:


7.1.
verklaart Bureau 10 niet-ontvankelijk in haar hoger beroep tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Rotterdam zoals vastgelegd in het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 24 april 2024;



7.2.
vernietigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 augustus 2024;



7.3.
wijst de vordering van Konfor Home alsnog af;



7.4.
veroordeelt Konfor Home tot terugbetaling aan Bureau 10 van hetgeen zij uit hoofde van het vonnis van 28 augustus 2024 heeft voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na het wijzen van dit arrest tot aan de voldoening;



7.5.
veroordeelt Konfor Home in de kosten van het hoger beroep van € 4.832,22 en in die van de eerste aanleg van € 6.479,00, te betalen binnen veertien dagen na heden. Als Konfor Home niet tijdig aan de proceskostenveroordeling voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet Konfor Home € 98,00 extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;



7.6.
veroordeelt Konfor Home in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na heden zijn voldaan;



7.7.
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;



7.8.
wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. F.W.J. Meijer, P.M. Verbeek en J.N. de Blécourt en ondertekend en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026 door de rolraadsheer in aanwezigheid van de griffier.
Link naar deze uitspraak