|
|
|
| ECLI:NL:GHARL:2026:2276 | | | | | Datum uitspraak | : | 07-04-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 21-04-2026 | | Instantie | : | Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden | | Zaaknummers | : | 200.334.161/01 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | waardering erfdeel nalatenschap, meer in het bijzonder woning en inboedel/sieraden. Boedelbeschrijving is niet opgemaakt. Hof sluit, ondanks lagere verkoopprijs, aan bij WOZ-waarde, omdat gestelde waardedaling door verontreiniging niet is gebleken. Waarde inboedel en sieraden worden geschat bij gebreke aan andere informatie. Bekrachtiging vonnis rechtbank. | | Trefwoorden | : | bodemonderzoek | | | erfgenamen | | | koopovereenkomst | | | wettelijke rente | | | woz waarde | | | woz-waarde | | | | Uitspraak | GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.334.161/01
zaaknummer rechtbank 200010
arrest van 7 april 2026
in de zaak van
[appellante] ( [appellante] ),
die woont in [woonplaats1] ,
die hoger beroep heeft ingesteld,
en bij de rechtbank is opgeroepen als betrokkene ingevolge artikel 118 Rv,
hierna: [appellante]
advocaat: mr. H.G.B. van der Wal.
tegen
[geïntimeerde] ( [geïntimeerde] ),
die woont in [woonplaats2] ,
en bij de rechtbank optrad als de eisende partij,
hierna: [geïntimeerde]
advocaat: mr. P.G.F.M. van Oss.
en
1 [belanghebbende1] ( [belanghebbende1] ), die woont in [woonplaats3] ,
2. [belanghebbende2] ( [belanghebbende2] ), die woont in [woonplaats2] ,
3. [belanghebbende3] ( [belanghebbende3] ), die woont in [woonplaats4] ,
4. [belanghebbende4] ( [belanghebbende4] ),
die woont in [woonplaats2] .
1Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep
1.1.
Het hof verwijst voor het verloop van de procedure tot en met 17 september 2024 naar zijn tussenarrest van die datum, waarbij het hof [appellante] in de gelegenheid heeft gesteld om [belanghebbende3] , [belanghebbende1] , [belanghebbende2] en [belanghebbende4] op de voet van artikel 118 Rv in het geding op te roepen tegen de rolzitting van 8 oktober 2024 met de bepaling dat: - bij die oproeping de afschriften van alle tot dusverre ingediende processtukken moeten worden betekend;- [appellante] op de rolzitting van 8 oktober 2024 kopieën van de oproepingen moet overleggen;- voor zover [belanghebbende3] , [belanghebbende1] , [belanghebbende2] en [belanghebbende4] verschijnen op de rolzitting van 8 oktober 2024, zij uiterlijk zes weken daarna een conclusie mogen nemen, waarin zij hun standpunten uiteen kunnen zetten
- iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
1.2.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
de exploiten van oproepingen namens [appellante] van 24 september 2024 en van 25 september 2024;
een H2-formulier namens [geïntimeerde] van 23 oktober 2024;
1.3.
De op 29 januari 2026 geplande mondelinge behandeling heeft niet plaatsgevonden. Partijen hebben zich akkoord verklaard met een schriftelijke afdoening van de zaak.
2De toelichting op de beslissing van het hof
Ontvankelijkheid
2.1.
Uit de door [appellante] overgelegde exploiten van 24 september 2024 en 25 september 2024 blijkt dat [belanghebbende3] , [belanghebbende1] , [belanghebbende2] en [belanghebbende4] zijn opgeroepen tegen de rolzitting van 8 oktober 2024. Hoewel geen van hen van de gelegenheid gebruik heeft gemaakt om via een conclusie zijn standpunt kenbaar te maken, is met de oproepingen voldaan aan het vereiste dat alle betrokkenen als partij in het geding moeten worden betrokken. Daarmee is [appellante] ontvankelijk in haar vorderingen. Dit arrest wordt gewezen tussen alle partijen.
Inhoudelijke beoordeling
2.2.
De nalatenschap van erflater is met de ouderlijke boedelverdeling verdeeld. Over de omvang van de vorderingen van de erfgenamen van erflater op de nalatenschap van de inmiddels overleden [naam1] bestaat geen overeenstemming.
2.3.
Niet in geschil is dat de hypothecaire schuld met betrekking tot de woning € 113.445,05 bedroeg. Verder is niet in geschil dat [geïntimeerde] recht heeft op 1/14e deel van de banksaldi per 8 januari 2019 op de gezamenlijke bankrekeningen van erflater en [naam1] (hier is geen grief tegen gericht). Het hof constateert dat er verder geen grief is gericht tegen de wijze waarop de rechtbank de waarde van de nalatenschap van erflater heeft berekend. Ook staan de door de rechtbank in aanmerking genomen uitvaartkosten van erflater ter hoogte van € 974,31 niet ter discussie. Er is verder geen grief opgeworpen tegen de wijze waarop de rechtbank rekening heeft gehouden met die uitvaartkosten. Dat leidt ertoe dat het hof de berekeningswijze van de rechtbank met betrekking tot de waarde van de nalatenschap van erflater als uitgangspunt zal nemen en ook de wijze waarop de rechtbank rekening heeft gehouden met de uitvaartvaartkosten van € 974,31.
2.4.
De grieven van [appellante] in hoger beroep spitsen zich toe op:- de waarde van de inmiddels verkochte woning (grief 1);- de waarde van de inboedel/sieraden (grief 2).
De waarde van de woning
2.5.
Volgens [appellante] heeft de rechtbank ten onrechte aansluiting gezocht bij de WOZ-waarde van € 160.000,- voor de waardebepaling van de woning en moet aansluiting worden gezocht bij de uiteindelijke verkoopprijs in juli 2019 van € 113.500,-. Volgens [appellante] was sprake van ernstige bodemverontreiniging met een saneringsplicht waardoor de woning niet meer waard was dan € 100.000,-. Zij stelt zich op het standpunt dat gezien de verkoopprijs de woning niet is verkocht onder de marktprijs en dat bij de bepaling van de WOZ-waarde van de woning over het jaar 2018 de bodemverontreiniging niet is meegenomen als een op de waarde van invloed zijnde factor. Verder voert zij aan dat de woning niet in de nalatenschap valt, omdat [naam1] als langstlevende echtgenote in haar recht stond om de woning te verkopen onder de voorwaarden die zij zelf goed achtte. De woning is verkocht en de verkoopopbrengst is niet meer aanwezig zodat beide niet in de nalatenschap vallen, aldus [appellante] .
2.6.
[geïntimeerde] betwist de stellingen van [appellante] . Zij voert aan dat [naam1] heeft nagelaten om de woning te laten taxeren en daarmee het risico heeft genomen dat de waarde van de woning niet meer kan worden vastgesteld. Daarom dient de WOZ-waarde als uitgangspunt voor de waarde van de onroerende zaak te worden genomen. De stelling van [appellante] met betrekking tot de waarde van de woning van € 100.000,- is niet met stukken onderbouwd. Volgens artikel 18 Wet Onroerende Zaakbelasting (WOZ), moet bij de bepaling van de WOZ-waarde rekening worden gehouden met de vervuiling. Als bij de verkoop van de woning al bekend was dat er sprake was van een ernstige bodemverontreiniging, dan zou bij de bepaling van de WOZ-waarde van de woning rekening gehouden zijn met de vervuiling. De eigenaar kan dit nagaan door het WOZ-verslag op te vragen bij de gemeente. Zo’n verslag heeft [appellante] niet overgelegd zodat ervan uitgegaan moet worden dat de toen bekende vervuiling is meegenomen bij de bepaling van de WOZ-waarde van € 160.000,-, aldus [geïntimeerde] .
2.7.
Voor de bepaling van de waarde van de vordering van de erfgenamen van de erflater gaat het om de omvang van de nalatenschap op de datum van overlijden van erflater. Bepalend is daarom de waarde van de woning op deze datum. Op zich is het juist dat [naam1] als eigenaar van de woning deze mocht verkopen onder de voorwaarden die zij goed achtte, maar dat is hier verder niet relevant. Waar het om gaat is wat de waarde was van de woning op de peildatum. Naar het oordeel van het hof ligt het op de weg van [appellante] , die zich in hoger beroep op het standpunt stelt dat de waarde van de woning lager is dan de WOZ-waarde van € 160.000,- waarvan de rechtbank is uitgegaan, om aan te tonen dat de woning minder waard was dan dat bedrag. Dit heeft zij niet gedaan. Hoewel het hof in de stukken leest dat er een vervuiling van de grond is geconstateerd bij een verkennend bodemonderzoek uit 2018, blijkt daaruit niet dat er een saneringsplicht gold en dat de kosten door de eigenaar moeten worden gedragen. Die conclusie kan ook niet worden getrokken uit de brief van de provincie Groningen van 21 september 2022 (productie 1 bij de memorie van grieven). Uit die brief blijkt enkel dat de GGD heeft vastgesteld dat bij het huidige gebruik (gras/gazon) geen sprake is van humane risico’s. Hieruit maakt het hof op dat bij gelijk gebruik er geen verdere beperkingen zijn in het gebruik. Er valt uit de brief niet af te leiden dat de woning met erf en ondergrond door de vervuiling minder waard was. [appellante] heeft geen taxatierapport overgelegd waaruit dat zou kunnen blijken. Dit blijkt ook niet uit de leveringsakte van 29 juli 2019 (overgelegd als productie 4 bij de akte houdende aanvulling van eis van [geïntimeerde] van 23 februari 2022), waarin niets is vermeld over vervuiling. Het hof constateert dat er geen koopovereenkomst is overgelegd waaruit een saneringsplicht (en de daaruit voortvloeiende kosten) voor de koper blijkt, of waaruit anderszins valt op te maken waarom de woning voor een bedrag dat lager was dan de WOZ-waarde, is verkocht. Op grond van het vorenstaande ziet het hof geen reden om uit te gaan van een andere waarde dan de € 160.000,- zoals de rechtbank heeft beslist. Daarom faalt grief 1.
De inboedel/sieraden
2.8.
Partijen verschillen van mening over de waarde van de inboedel/sieraden. Uit de stukken maakt het hof op dat [naam1] niet is overgegaan tot een boedelbeschrijving, waaruit de waarde van de inboedel/sieraden valt af te leiden. Er is ook geen lijst van inboedelgoederen of een overzicht van de sieraden overgelegd. Dat er inboedelgoederen en sieraden waren, is niet door [appellante] betwist. Zij heeft gesteld dat zij op de hoogte was van de aanwezigheid van een aantal oude en versleten meubels en van sieraden die geen enkele waarde hadden volgens haar. Daarmee staat vast dat er inboedelgoederen en sieraden waren, die moesten worden betrokken in de waardebepaling. [naam1] , en ook [appellante] in hoger beroep, hebben hun stelling dat de betreffende inboedelgoederen en sieraden helemaal niets waard waren niet onderbouwd. Daarom is het hof op dezelfde gronden als de rechtbank van oordeel dat de waarde ervan geschat moet worden. De schatting van de rechtbank komt het hof redelijk voor, zodat ook het hof zal uitgaan van een geschatte waarde van € 2.500,-. Hieruit volgt dat ook grief 2 faalt.
De conclusie
2.9.
Het hoger beroep slaagt niet. Omdat [appellante] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof haar tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.
2.10.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).
3De beslissing
Het hof:
3.1.
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen van 19 juli 2023;
3.2.
veroordeelt [appellante] tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerde] in hoger beroep:
- € 343,- aan griffierecht;
- € 912,- aan salaris van de advocaat van [geïntimeerde] (1 procespunten x appeltarief I);
3.3.
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag;
3.4.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
3.5.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. L. van Dijk, A.P. de Jong-de Goede en H. Mollema-de Jong, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 7 april 2026.
HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|