Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:GHSHE:2026:809 
 
Datum uitspraak:25-03-2026
Datum gepubliceerd:21-04-2026
Instantie:Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Zaaknummers:23/1580 en 23/1854
Rechtsgebied:Belastingrecht
Indicatie:Informatiebeschikkingen. Belanghebbende is statutair gevestigd in [plaats 1]. Volgens een Mandatsvertrag is aan [naam 2] een volmacht gegeven om overeenkomsten te ondertekenen, bancaire aangelegenheden uit te voeren, opdrachten te geven, financieringen aan te gaan en aandelen e.d. te kopen en verkopen. [naam 2] was als enige gemachtigd tot een bepaalde bankrekening van belanghebbende. In 2011 en 2012 heeft [naam 2] ook gebruik gemaakt van die volmacht. [naam 2] woonde destijds in Nederland en bedrijven van hem waren gevestigd in Nederland. De inspecteur heeft belanghebbende diverse malen, via [naam 2], vragen gesteld. Deze zijn niet beantwoord. De informatiebeschikkingen zijn volgens het hof terecht afgegeven, omdat de inspecteur zich in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat de gevraagde gegevens van belang kunnen zijn om opheldering te krijgen over de vraag of belanghebbende in Nederland belastingplichtig is, met name door het handelen van [naam 2] namens belanghebbende waardoor de feitelijke leiding van belanghebbende mogelijk in Nederland was. Er is geen sprake van détournement de pouvoir of van een fishing expedition.
Trefwoorden:belastingrecht
buitenlandse belastingplicht
vennootschapsbelasting
wet op de vennootschapsbelasting
 
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummers: 23/1580 en 23/1854


Uitspraak op het hoger beroep van




[belanghebbende] A.G.,

gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 5 oktober 2023, nummers BRE 20/7289 en 21/1054, in het geding tussen belanghebbende en


de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur.




1Ontstaan en loop van het geding


1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende informatiebeschikkingen zoals bedoeld in artikel 52a, lid 1, Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) gegeven over het jaar 2016 respectievelijk 2017 en 2018.



1.2.
Belanghebbende heeft telkens bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren ongegrond verklaard.



1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.



1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft verweerschriften ingediend.



1.5.
De zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, alsmede [naam 2] (hierna: [naam 2] ) en [persoon] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] , [inspecteur 3] , [inspecteur 4] en [inspecteur 5] .
Op deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaken en de zaken met nummers 23/1579, 23/1593 tot en met 23/1598 en 23/1600.



1.6.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.



1.7.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak in Mijn Rechtspraak wordt geplaatst dan wel aan partijen wordt verzonden.





2Feiten


2.1.
Belanghebbende is op 7 januari 2011 naar het recht van [plaats 1] opgericht en statutair in [plaats 1] gevestigd.



2.2.
In het handelsregister van [plaats 1] (het Offenlichtkeitsregister) staan als bestuurder van belanghebbende ingeschreven [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ), welke is gevestigd in [plaats 1] , vanaf de oprichting, en [bestuurder] , woonachtig in Zwitserland, vanaf 10 februari 2017 tot en met 31 december 2018. Alle aandelen in belanghebbende worden gehouden door [naam 3] , woonachtig in Zwitserland.



2.3.
Tot de stukken van het dossier behoort het “Mandatsvertrag” tussen [naam 3] en [bedrijf 1] , voorzien van een handtekening en datum 7 januari 2011 bij de partij [naam 3] . In artikel 11 van het Mandatsvertrag is vastgelegd dat [naam 2] een volmacht zal krijgen om overeenkomsten te ondertekenen, bancaire aangelegenheden uit te voeren, opdrachten te geven, financieringen aan te gaan en aandelen en obligaties en andere waardepapieren te kopen en te verkopen. In 2011 en 2012 heeft [naam 2] van deze volmacht gebruik gemaakt.



2.4.
Bij brief van 20 februari 2017 heeft de inspecteur belanghebbende, ter attentie van [naam 2] , verzocht om informatie omdat volgens hem uit de door de FIOD inbeslaggenomen gegevens betreffende de jaren 2011 en 2012 blijkt dat de feitelijke leiding van belanghebbende door [naam 2] wordt uitgeoefend. In de brief heeft de inspecteur belanghebbende gevraagd de volgende gegevens te verstrekken:
1. Een schema van de vennootschappelijke structuur van belanghebbende, waarin haar (economische) aandeelhouder(s) is of zijn vermeld en ook de vennootschappen, waarvan belanghebbende - al dan niet middellijk - meer dan 1/3 van de geplaatste aandelen bezit, en waaruit tevens de aandeelhoudersrelatie tussen die (rechts)personen blijken;
2. Een overzicht van de lichamen, waarmee belanghebbende is verbonden als bedoeld in artikel 8b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en een opgave van de transacties tussen deze lichamen en de in Nederland gevestigde vennootschappen, die zijn vermeld in het onder punt 1 hiervoor genoemde schema;
3. De (uitgebreide) jaarrekening van belanghebbende van het meest recente boekjaar en van drie hieraan voorafgaande boekjaren;
4. De proef- en saldibalansen en de grootboekrekeningen over 2015 en 2016.



2.5.
Bij brieven van 14 april 2017 heeft de gemachtigde namens [naam 2] en belanghebbende geantwoord dat de informatie niet zal worden verstrekt omdat [naam 2] geen bestuurder van belanghebbende is en belanghebbende fiscaal gevestigd is in [plaats 1] .



2.6.
Bij brief van 21 juni 2017 heeft de inspecteur een opsomming van e-mailberichten gegeven waaruit volgens hem blijkt dat belanghebbende binnenlands belastingplichtig is voor de vennootschapsbelasting en heeft belanghebbende verzocht de volgende gegevens te verstrekken, die volgens de inspecteur van belang zouden kunnen zijn voor het vormen van een oordeel over de mogelijke belastingplicht van belanghebbende in Nederland:
1. Alle correspondentie (inclusief emailberichten) van en over belanghebbende tussen (medewerkers van) [bedrijf 1] , de [bank] , en de heer [naam 2] of de heer [naam 4] of medewerkers van de [naam 2] -groep, die namens deze heren corresponderen (zoals bijvoorbeeld de in het overzicht van de e-mails genoemde mevr. [naam 5] );
2. Het “Treuhandvertrag” dat is genoemd in het emailbericht van 4-11-2011 van [naam 6] (van kantoor [bedrijf 1] ) aan de heer [naam 4] (“In der Beilage senden wir Ihnen den Treuhandvertrag wie soeben telefonisch besprochen”). Indien dit “Treuhandvertrag” niet de overeenkomst is die ten grondslag ligt aan de dienstverlening door [bedrijf 1] in [plaats 2] met betrekking tot belanghebbende, dan is het verzoek ook die overeenkomst te verstrekken;
3. Alle facturen en betalingsbewijzen in verband met de dienstverlening door [bedrijf 1] in [plaats 2] met betrekking tot belanghebbende;
4. Alle bankafschriften van belanghebbende vanaf de oprichting tot heden;
5. De (uitgebreide) jaarrekening van belanghebbende over de boekjaren 2011 tot en met het meest recente boekjaar waarvan de jaarrekening is opgemaakt;
6. De proef- en saldibalansen en de grootboekrekeningen vanaf 2011 tot en met 2015.



2.7.
Op 12 november 2018 hebben de fiscale autoriteiten in [plaats 1] informatie verstrekt aan de inspecteur naar aanleiding van een informatieverzoek van 6 augustus 2015. De verstrekte informatie betreft de periode 2011 tot 2013.



2.8.
Op 20 respectievelijk 27 september 2019 heeft belanghebbende, na daartoe te zijn uitgenodigd, aangiftebiljetten vennootschapsbelasting 2016, 2017 en 2018 ingediend met (telkens) een belastbaar bedrag van nihil en een belastbare winst van nihil. Belanghebbende heeft in de aangiftebiljetten vermeld: “Geen v.i. in NL. Schriftelijke onderbouwing volgt”.



2.9.
Naar aanleiding van de ontvangst van deze aangiftebiljetten heeft de inspecteur belanghebbende bij brief van 10 oktober 2019 verzocht de volgende gegevens te verstrekken:
1. Alle correspondentie (inclusief emailberichten) van en over belanghebbende tussen enerzijds (medewerkers van) [bedrijf 1] of de [bank] en anderzijds de heer [naam 2] of de heer [naam 4] of andere medewerkers van de [naam 2] -groep, die namens deze heren corresponderen (zoals bijvoorbeeld de in het overzicht van de e-mails genoemde mevr. [naam 5] ) in de periode vanaf 1 januari 2013 tot en met 31 december 2016;
2. A: Het “Treuhandvertrag” dat is genoemd in het emailbericht van 4-11-2011 van [naam 6] (van kantoor [bedrijf 1] ) aan de heer [naam 4] (“In der Beilage senden wir Ihnen den Treuhandvertrag wie soeben telefonisch besprochen”). Indien dit “Treuhandvertrag” niet de overeenkomst is die ten grondslag ligt aan de dienstverlening door [bedrijf 1] in [plaats 2] met betrekking tot belanghebbende, dan is het verzoek ook die overeenkomst te verstrekken;
B: Voor zover de onder A) bedoelde overeenkomst vóór 31 december 2016 is beëindigd: alle volgende overeenkomsten, die ten grondslag liggen aan de dienstverlening door [bedrijf 1] in [plaats 2] met betrekking tot belanghebbende;
3. Alle facturen en betalingsbewijzen in verband met de dienstverlening door [bedrijf 1] in [plaats 2] met betrekking tot belanghebbende over de periode vanaf 1 januari 2013 tot en met 31 december 2016;
4. Alle bankafschriften van belanghebbende over 2016;
5. De (uitgebreide) jaarrekening van belanghebbende over de boekjaren 2013 tot en met 2016;
6. De proef- en saldibalansen en de grootboekrekeningen vanaf 2013 tot en met 2016.



2.10.
Nadat belanghebbende bij brief van 16 oktober 2019 heeft aangegeven de gevraagde informatie niet te verstrekken heeft de inspecteur de informatiebeschikking 2016 gegeven. In de informatiebeschikking heeft de inspecteur verzocht de in zijn brief van 10 oktober 2019 genoemde documenten te verstrekken.



2.11.
Bij brief van 17 september 2020 heeft de inspecteur belanghebbende verzocht mutatis mutandis met betrekking tot de jaren 2017 en 2018 de documenten te verstrekken die hij in zijn brief van 10 oktober 2019 met betrekking tot het jaar 2016 heeft opgevraagd. Het betreft de volgende documenten:
1. Alle correspondentie (inclusief e-mailberichten) in de periode vanaf 1 januari 2016 tot en met 31 december 2018 van en over belanghebbende tussen enerzijds (medewerkers van) [bedrijf 1] en anderzijds degene van wie de heer [bedrijf 1] of medewerkers van zijn kantoor instructies ontvangen in verband met de dienstverlening van dit kantoor met betrekking tot belanghebbende (zoals belanghebbende heeft aangegeven in de brief van 16 oktober 2019);
2. A: Het “Treuhandvertrag” dat is genoemd in het e-mailbericht van 4-11-2011 van [naam 6] (van kantoor [bedrijf 1] ) aan de heer [naam 4] (“In der Beilage senden wir Ihden den Treuhandvertrag wie soeben telefonisch besprochen”). Het e-mailbericht is opgenomen op bladzijde 32 van de bijlage bij de brief van 20 februari 2017. Indien dit “Treuhandvertrag” niet de overeenkomst is die ten grondslag ligt aan de dienstverlening door [bedrijf 1] in [plaats 2] met betrekking tot belanghebbende, dan is het verzoek ook die overeenkomst te verstrekken;
B: Voor zover de onder A) bedoelde overeenkomst voor 31 december 2018 is beëindigd: alle volgende overeenkomsten, die ten grondslag liggen aan de dienstverlening door [bedrijf 1] in [plaats 2] met betrekking tot belanghebbende;
3. Alle facturen en betalingsbewijzen in verband met de dienstverlening door [bedrijf 1] te [plaats 2] met betrekking tot belanghebbende over de periode vanaf 1 januari 2016 tot en met 31 december 2018;
4. Alle bankafschriften van belanghebbende over 2017 en 2018;
5. De (uitgebreide) jaarrekening van belanghebbende over de boekjaren 2016 tot en met 2018;
6. De proef- en saldibalansen en de grootboekrekeningen vanaf 2016 tot en met 2018.



2.12.
Omdat belanghebbende de gevraagde informatie niet heeft verstrekt heeft de inspecteur de informatiebeschikking 2017 en 2018 gegeven. In de informatiebeschikking heeft de inspecteur verzocht de in zijn brief van 17 september 2020 genoemde documenten te verstrekken.





3Geschil en conclusies van partijen


3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:
1) zijn de informatiebeschikkingen terecht afgegeven, omdat belanghebbende niet heeft voldaan aan de verplichtingen uit hoofde van artikel 47 AWR?
2) is sprake van schending van het verbod op détournement de pouvoir als bedoeld in artikel 3:3 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb)?
3) is er sprake van een fishing expedition door de inspecteur?



3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en vernietiging van de informatiebeschikkingen. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.




4Gronden


Vooraf en ambtshalve



4.1.
Het hof beoordeelt in de eerste plaats de ontvankelijkheid van het hoger beroep in de zaak over de informatiebeschikking 2017-2018. Het hof beschikt namelijk uitsluitend over een pro forma hoger beroep inzake de informatiebeschikking 2016.
Gemachtigde heeft op verzoek van het hof informatie verstrekt met track & trace codes van zes stukken die op 9 november 2023 bij het hof zijn ingediend en een email van Business Post Limburg BV van 9 november 2023 met een bevestiging daarvan en eveneens bevestigingen van PostNL over de bezorging. Het hof heeft nader intern onderzoek gedaan naar de op 9 november 2023 ingekomen stukken met track & trace codes. Daaruit volgt dat de betreffende 6 enveloppen bij het hof zijn ingekomen. Het hof acht daarom aannemelijk dat deze 6 enveloppen, vier pro forma hoger beroepschriften van [naam 2] en twee pro forma hoger beroepschriften van belanghebbende bevatten en dat een deel daarvan, waaronder het pro forma hoger beroep inzake de informatiebeschikking 2017-2018 bij het hof zijn zoekgeraakt.
Het hof is daarom van oordeel dat het hoger beroep in beide zaken ontvankelijk is.


1) Zijn de informatiebeschikkingen terecht afgegeven?




4.2.
Voor de vraag of de inspecteur de informatiebeschikkingen terecht heeft afgegeven is van belang of de inspecteur zich, gelet op de hem ter beschikking staande gegevens, in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat de door hem gevraagde gegevens, inlichtingen, boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers van belang kunnen zijn om opheldering te krijgen over de vraag of belanghebbende in Nederland belastingplichtig is.



4.3.
Op grond van het Mandatsvertrag tussen [naam 3] en [bedrijf 1] , is aan [naam 2] een volmacht verleend. Tevens was [naam 2] als enige gemachtigd tot de bankrekening van belanghebbende. In november 2011 is de heer [naam 4] benoemd als lid van de raad van bestuur van belanghebbende, maar uit diverse e-mails (uit 2012 en 2013) (bijlage 7 bij het verweerschrift in eerste aanleg) leidt het hof af dat de heer [naam 4] alle vragen die door [bedrijf 1] worden gesteld, doorspeelt naar [naam 2] die vervolgens beslist wat er moet worden geantwoord of welke acties moeten worden ondernomen. Op grond van deze informatie kon de inspecteur voor die jaren in ieder geval een redelijk vermoeden hebben van mogelijke belastingplicht voor de vennootschapsbelasting in Nederland, omdat de feitelijke leiding van belanghebbende mogelijk in Nederland was gelegen. Overigens wordt door gemachtigde in zijn brief van 7 oktober 2019 aangegeven dat het vermoeden van een vennootschapsbelastingplicht in Nederland door middel van een vaste inrichting gerechtvaardigd lijkt, hetgeen impliceert dat gemachtigde van mening was dat er mogelijk sprake was van buitenlandse belastingplicht.
De volmacht die aan [naam 2] is verstrekt in het Mandatsvertrag is nimmer ingetrokken. Belanghebbende stelt dat [naam 2] van deze volmacht in de jaren 2016 en verder geen gebruik heeft gemaakt. De inspecteur heeft dit gemotiveerd weersproken en gesteld dat in 2018 nog gebruik is gemaakt van de volmacht. Ter zitting heeft gemachtigde niet kunnen verklaren wie in de latere jaren heeft zorggedragen voor betalingen. Aangezien [naam 2] als enige gemachtigd was tot de bankrekening bij [bank] , is het vermoeden gerechtvaardigd dat [naam 2] dit heeft gedaan. Het hof is dan ook van oordeel dat de inspecteur zich in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat ook in de jaren 2016 tot en met 2018 het vermoeden bestaat dat de feitelijke leiding van belanghebbende nog steeds bij [naam 2] lag en dat die feitelijke leiding in Nederland werd uitgeoefend. Het feit dat [naam 2] op enig moment (30 januari 2017) naar het buitenland is verhuisd doet daar niet aan af, aangezien vaststaat dat [naam 2] nog zeer regelmatig (iedere maand) in Nederland was om leiding te geven aan zijn bedrijven in Nederland.


2) Is er sprake van détournement de pouvoir?




4.4.
Belanghebbende stelt dat de inspecteur misbruik maakt van zijn bevoegdheden, omdat de inspecteur zoekt naar informatie die belanghebbende linkt aan [naam 2] , een en ander met het oog op de lopende fiscale en strafrechtelijke procedures.
Het hof verwerpt deze stelling. Er zijn voldoende aanknopingspunten voor een vermoeden van belastingplicht in Nederland. Dat in dat kader ook de positie van [naam 2] in beeld komt, doet daar niet aan af.


3) Is er sprake van een fishing-expedition?




4.5.
Het hof is van oordeel dat er geen sprake van een zogenoemde ‘fishing expedition’ omdat de inspecteur voldoende concrete aanknopingspunten heeft verschaft ten grondslag liggende aan zijn stelling dat er redelijkerwijs heffingsbelang kan zijn. De inspecteur heeft er namelijk terecht op gewezen dat uit de jaarrekening 2016 weliswaar volgt dat een commerciële verlies van 2016 van € 55.193 is geleden, maar dat dit niet hoeft te betekenen dat het fiscale verlies even groot is.


Tussenconclusie




4.6.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.


Ten aanzien van het griffierecht




4.7.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.


Ten aanzien van de proceskosten




4.8.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.





5Beslissing

Het hof:


verklaart het hoger beroep ongegrond;


bevestigt de uitspraak van de rechtbank;


bepaalt dat belanghebbende de in de informatiebeschikkingen gevraagde informatie alsnog aan de inspecteur kan verstrekken binnen een termijn vier weken vanaf de dag waarop deze uitspraak is gedaan;



De uitspraak is gedaan door T.A. Gladpootjes, voorzitter, A.J. Kromhout en J. Wessels, in tegenwoordigheid van E. Royakkers, als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.
De griffier, De voorzitter,

E. Royakkers T.A. Gladpootjes


Het aanwenden van een rechtsmiddel


Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:


Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.


(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;


Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:




de naam en het adres van de indiener;


de dagtekening;


een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;


e gronden van het beroep in cassatie.


Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.



Hoge Raad 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3603
Link naar deze uitspraak