Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBDHA:2026:8806 
 
Datum uitspraak:08-04-2026
Datum gepubliceerd:21-04-2026
Instantie:Rechtbank Den Haag
Zaaknummers:C/09/687586 / HA ZA 25-56 C/09/687586 / HA ZA 25-56
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Aansprakelijkheid curator. Onrechtmatige aangifte. Vorderingen afgewezen.
Trefwoorden:burgerlijk wetboek
levensonderhoud
vaststellingsovereenkomst
wettelijke rente
 
Uitspraak
RECHTBANK Den Haag

Team Handel

Zaaknummer: C/09/687586 / HA ZA 25-569


Vonnis van 8 april 2026


in de zaak van




1De vennootschap naar buitenlands recht OSTREA D.O.O.te Novi Sad, Servië,
2. [eiser] te [woonplaats 1] ,
eisers,
advocaat: mr. M.S.J. Supičić te Amsterdam,

tegen



[gedaagde]
te [woonplaats 2] ,
gedaagde,
advocaat: mr. O.B. Zwijnenberg te Rotterdam,

Eisers worden hierna ieder voor zich aangeduid als Ostrea en [eiser] en gezamenlijk als Ostrea c.s. (meervoud). Gedaagde wordt hierna aangeduid als [gedaagde] .




1De procedure


1.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 16 juni 2025, met producties 1 tot en met 13;
- de conclusie van antwoord van [gedaagde] , met producties 1 en 2.



1.2.
Op 15 januari 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Partijen en hun advocaten hebben vragen van de rechtbank beantwoord en hun standpunten nader toegelicht. De griffier heeft aantekeningen gemaakt. Vervolgens is de datum voor het wijzen van vonnis (nader) bepaald op vandaag.





2De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.


2.1.

[eiser] is bestuurder en aandeelhouder van Ostrea.



2.2.
In januari 2008 heeft de rechtsvoorgangster van Ostrea een overeenkomst (hierna: de samenwerkingsovereenkomst) gesloten met [bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf] ). De heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ) was destijds bestuurder van [bedrijf] .



2.3.
Op 17 februari 2014 heeft [bedrijf] haar eigen faillissement aangevraagd.
Het faillissement is uitgesproken op 11 maart 2014. [gedaagde] is benoemd als curator.



2.4.
Op 5 september 2014 heeft [gedaagde] aangifte gedaan van faillissementsfraude tegen [eiser] , Ostrea en [naam 1] . In deze aangifte (hierna: de aangifte) staat vermeld, voor zover relevant:



2. Aangifte



Hierbij doe ik aangifte van vermoedelijke overtreding van:



Artikel 343 aanhef en sub 1 en sub 4 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede artikel 344 van het Wetboek van Strafrecht alsmede art. 341 aanhef en onder a sub 1 en sub 4 jo. art 51 van het Wetboek van Strafrecht.






3Toelichting

(…)


De activiteiten van failliet bestonden uit het bemiddelen voor buitenlandse partners bij de advisering over en verkoop van vennootschapsstructuren, alsmede bij de administratieve instandhouding daarvan.

(…)


Naast het bemiddelen bij de verkoop van de structuren, behaalde failliet tevens omzet uit hoofde van de administratieve instandhouding van de structuren en verlening van administratieve diensten (zoals het aanvragen van uittreksels en doorvoeren van wisselingen in het bestuur van de ltd).


(…)


De fiscus is in 2009 een boekenonderzoek gestart, ziende op de jaren 2005 en 2006. De belastingdienst heeft geconcludeerd dat failliet een aanzienlijk deel van haar omzet, dat zij ontving in contanten, niet verwerkte in de administratie en hierover ook geen aangifte deed. In december 2010 heeft de belastingdienst derhalve diverse naheffings- en navorderingsaanslagen opgelegd van circa € 700.000. (…)


Failliet heeft met de belastingdienst in juli 2012 een vaststellingsovereenkomst gesloten. Hierbij is afgesproken dat een bedrag van in totaal € 475.000,-- in maandelijkse termijnen van € 20.000 -- zou worden betaald tegen finale kwijting. Voorwaarde daarvoor zou volgens [naam 1] zijn dat [naam 2] die door de fiscus wordt gezien als stroman voor [eiser] sr, zich uitschreef als bestuurder en [naam 1] bestuurder werd van failliet. Deze voorwaarde blijkt echter niet uit de vaststellingsovereenkomst en door de Belastingdienst is aangegeven dat deze voorwaarde niet is gesteld. Op een gegeven moment kon volgens [naam 1] failliet de betalingsafspraken niet meer nakomen. Volgens de Belastingdienst is failliet gestopt met het betalen van de maandelijkse termijnen omdat de omzet werd aangewend voor andere doeleinden. De Belastingdienst heeft daarop het in het kader van de vaststellingsovereenkomst verleende uitstel van betaling ingetrokken. Hierbij heeft de Belastingdienst essentieel geacht overdracht van omzet naar Ostrea met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2011 middels een overeenkomst uit oktober 2012, zo heeft de Belastingdienst aangegeven. In april 2013 is de belastingdienst overgegaan tot het leggen van beslag op alle inventaris en computers. Door failliet en verhuurder van het pand van failliet (zijnde de Stichting Haags Juristen College, een vennootschap van [eiser] sr) is bezwaar gemaakt tegen de verkoop van deze activa, maar deze procedure is verloren en eind februari 2014 is de fiscus overgegaan tot de verkoop. [naam 1] zou de fiscus hebben verzocht over te gaan tot de aanvraag van het faillissement, omdat [naam 2] , medeaandeelhouder, niet akkoord zou gaan met een faillissementsaanvraag. Toen de fiscus hier niet aan mee wilde werken, heeft [naam 1] uiteindelijk in januari 2014 namens failliet een faillissementsaanvraag ingediend. In verband met het ontbreken van stukken, is de faillissementsaanvraag in februari 2014 opnieuw ingediend waarna in maart 2014 het faillissement uiteindelijk is uitgesproken.



Op 12 maart 2014 hebben twee kantoorgenoten van de curator en een forensisch accountant een bezoek gebracht aan het zaakadres [adres] . Aldaar is aan bestuurder [naam 1] verzocht om uitlevering van de administratie. Dit is ook opgenomen in het verslag van dit gesprek, dat door [naam 1] voor akkoord is ondertekend. De administratie zou zich volgens hem bevinden bij fiscalist [naam 3] te [plaats] . [naam 1] heeft wat dozen fysieke administratie op mijn kantoor afgeleverd, maar de digitale administratie is niet bijgewerkt tot aan datum faillissement. Vervolgens hebben wij een volgend verzoek om leesbare digitale administratie per e-mail verzonden, hetgeen echter niet heeft geleid tot ontvangst van de volledige en bijgewerkte administratie per datum faillissement.



Hierdoor is er niet voldaan aan de administratieplicht. Zo heb ik geen recent klantenbestand tot aan datum faillissement ontvangen. Tevens is niet na te gaan welke relaties zijn aangeschreven met het verzoek om tot betaling over te gaan (de werkwijze van failliet was dat bestaande relaties werden aangeschreven met het verzoek om betaling waarna failliet na ontvangst van de betaling administratieve handelingen uitvoerde) en welke hierop zijn ingegaan, zodat er geen inzicht is in de openstaande vorderingen en verplichtingen van de failliet. Hierdoor is niet bekend welke debiteuren nog geïnd zouden kunnen worden door de failliete boedel.



Op datum faillissement waren alle activiteiten volgens [naam 1] zo’n 1,5 week gestaakt. Curator heeft echter het vermoeden dat de activiteiten van failliet reeds voor datum faillissement zijn overgenomen door de Servische vennootschap Ostrea. Dit wordt bevestigd door het onderzoek van de curator:

1. In de e-mailaccount van failliet is een brief aangetroffen aan één van de klanten, waarin wordt aangegeven dat failliet niet langer zorg zal dragen voor facturering van de “door haar buitenlandse partners Ostrea en [bedrijf] Corporate Services UK, via [bedrijf] aan u aangeboden producten en diensten.” De klant wordt verder direct doorverwezen naar Ostrea en [bedrijf] Corporate Services;
2. Er is e-mail aangetroffen van [naam 1] aan [naam 4] van 20 januari 2014 over conceptbrieven met het verzoek de jaarbijdrage te voldoen, waarin [naam 1] schrijft: “4e brief is niet aangepast naar Ostrea". Inderdaad staat bij één van de meegestuurde concepten nog het rekeningnummer van en tenaamstelling [bedrijf] Juristen;
3. De website van Ostrea, www.ostrea.rs, heeft dezelfde layout als de website van failliet. Daarnaast worden er uit de e-mailaccount van failliet e-mails verstuurd die zijn ondertekend door Ostrea Consult. Tevens worden de e-mails van Ostrea Consult die worden verzonden vanuit de e-mailaccount van failliet, ondertekend door [naam 4] (ex-werknemer van failliet). [naam 4] heeft echter ook een e-mailadres cs@ostrea.rs, dus het lijkt dat Ostrea zelf ook over een e-mailaccount beschikt;


Uit het bovenstaande maak ik op dat failliet haar activiteiten bewust heeft voortgezet in een andere entiteit en debiteuren heeft aangeschreven voortaan aan een andere entiteit te betalen, waarna geen inkomsten meer door failliet werden gegenereerd en de fiscus (en andere schuldeisers) onbetaald werd(en) gelaten.



Ik ben van mening dat hierdoor in het zicht van het faillissement gelden zijn onttrokken aan de boedel dan wel niet zijn verantwoord in de administratie.



[naam 2] , in zijn hoedanigheid van voormalig bestuurder van failliet, en [eiser] sr in zijn hoedanigheid van feitelijk leidinggever van failliet, zijn vervolgd voor gewoontewitwassen, ondermeer doordat [eiser] sr contante gelden van failliet ophaalde en stortte op een rekening in Luxemburg. Ten behoeve van levensonderhoud zou verdachte geld hebben opgenomen van deze bankrekening en ook (een deel van) deze gelden hebben meegenomen (in tassen vervoerd per auto of motor) naar Servië en daar hebben verstopt in pakketjes van € 100.000,--. Vermoed wordt dat dit ook tijdens het bestuur van [naam 1] nog de gang van zaken was. [naam 1] heeft verklaard dat omzet zowel via overboeking als contant werd ontvangen.



Gelet op bovenstaande feiten en vermoedens ben ik op 1 april 2014 met tijdelijke aanstelling van 3 extra curatoren op 3 adressen binnengetreden (bij [naam 4] , [naam 5] en [naam 1] ) met een liquide middelen hond, een forensisch accountant en een IT specialist teneinde contante gelden op te sporen en digitale administratie veilig te stellen. Bij [naam 1] werden een briefje van € 500,-- en een mapje aangetroffen met een rekeningcourantoverzicht tussen vermoedelijk Ostrea en [bedrijf] Corporate Services UK en een overeenkomst tussen voormelde partijen waarbij wordt aangegeven dat failliet met haar hele vermogen jegens Ostrea voor de rekening-courant garant staat en aansprakelijk is. Bij de andere personen werd echter niets aangetroffen.


(…)


Door het niet uitleveren van een complete tot aan faillissementsdatum bijgewerkte administratie, zowel digitaal als op papier, kunnen de rechten en verplichtingen, in het bijzonder de openstaande debiteuren, van failliet op faillissementsdatum niet worden vastgesteld waardoor de crediteuren zijn benadeeld. Deze benadeling geldt evenzo voor het feit dat er zeer waarschijnlijk debiteuren van failliet vanaf ten minste begin 2014 door de Servische vennootschap Ostrea Consult worden geïnd.”



2.5.
De brief waarnaar wordt verwezen in het in 2.4 weergegeven citaat, in de zevende alinea onder 1 (hierna: de brief aan de debiteuren), luidt, voor zover relevant:

“Zoals u van [bedrijf] Juristen in Den Haag heeft vernomen, zullen wij de facturering van de door ons aan u geleverde producten en diensten voortaan niet meer door [bedrijf] Juristen laten verzorgen. In deze brief leest u wat deze wijziging voor u betekent.


Voortaan zult u alle nota’s voor jaarbijdragen, wijzigingen in bestaande structuren, nieuwe oprichtingen en het opvragen van documenten rechtstreeks van ons ontvangen. Ook het onderhoud van bestaande structuren en het verwerken van wijzigingen in deze structuren wordt voortaan rechtstreeks door Ostrea verzorgd.



Deze nieuwe werkwijze brengt ondermeer met zich mee dat over de door ons aangeboden diensten en producten geen BTW verschuldigd is en dat wij het tarief voor het opvragen van documenten en het doorvoeren van wijzigingen in bestaande structuren, van € 210,- inclusief 21% BTW naar € 145,- BTW vrij, hebben kunnen verlagen.



Zoals u in de brief van [bedrijf] Juristen heeft kunnen lezen, kunt u als gewaardeerde relatie in het vervolg alle producten en diensten van zowel de Ostrea groep als van [bedrijf] Corporate Services UK op rekening bestellen. Uw opdrachten kunt u, afhankelijk van het product, telefonisch, via e-mail of via onze website opgeven. Wij zullen uw opdrachten onmiddellijk uitvoeren, de nota ontvangt u achteraf.



Contactgegevens en de mogelijkheid om online vennootschappen op te richten c.q. te bestellen of daar wijzigingen in aan te brengen vindt u op onze website www.ostrea.rs. Voor al uw telefonische vragen over vennootschappen of structuren bent u voortaan rechtstreeks bij ons welkom. Voor veel van uw vragen of een persoonlijk gesprek betreffende de door Ostrea aangeboden producten en diensten blijft u als vanouds welkom op het kantoor aan de [adres] .



Voor het overige rest mij u van harte welkom te heten als cliënt bij de Ostrea groep.”



2.6.
Naar aanleiding van de aangifte is het Openbaar Ministerie (OM) een strafrechtelijk onderzoek gestart tegen onder meer [eiser] en Ostrea. Eén en ander heeft geleid tot dagvaarding van [eiser] voor de strafrechter, waarbij hem uiteindelijk, kort gezegd, ten laste is gelegd dat hij:


als (feitelijk) bestuurder van [bedrijf] niet heeft voldaan aan zijn verplichting tot het voeren van een deugdelijke administratie en het (geheel) overhandigen daarvan aan de curator, en;


in nauwe en bewuste samenwerking met [naam 1] en ter benadeling van de schuldeisers in het faillissement van [bedrijf] :




baten buiten de administratie heeft gehouden;


het klantenbestand heeft onttrokken aan de boedel;


geldbedragen heeft onttrokken aan de boedel;


zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen.





2.7.
In het kader van het strafrechtelijk onderzoek heeft het OM strafvorderlijk beslag gelegd op de bankrekening van Ostrea en op een aantal voertuigen van Ostrea c.s.



2.8.
Op 31 juli 2019 is vonnis gewezen in de strafzaak. In dit vonnis komt de meervoudige strafkamer van de rechtbank Rotterdam tot een bewezenverklaring voor wat betreft het onttrekken van het klantenbestand aan de boedel en – op basis hiervan – tot het oordeel dat [eiser] zich schuldig heeft gemaakt aan faillissementsfraude. Van het meer of anders ten laste gelegde heeft de rechtbank [eiser] vrijgesproken wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.



2.9.
Bij brief van 27 oktober 2020 heeft de advocaat van Ostrea c.s. [gedaagde] onder meer laten weten dat haar cliënt (“mijn cliënt”) [gedaagde] aansprakelijk houdt voor zijn schade als gevolg van de aangifte.



2.10.
Bij arrest van 6 december 2021 heeft het gerechtshof Den Haag het vonnis van 31 juli 2019 vernietigd en [eiser] alsnog volledig vrijgesproken in de strafzaak.



2.11.
Bij brief van hun advocaat van 26 april 2024 hebben Ostrea c.s. [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor hun schade als gevolg van de aangifte.



2.12.

[gedaagde] heeft iedere aansprakelijkheid van de hand gewezen.





3Het geschil


3.1.

[eiser] en Ostrea vorderen – zakelijk weergegeven – dat de rechtbank verklaart voor recht dat [gedaagde] ten opzichte van ieder van hen onrechtmatig heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de schade die zij hierdoor hebben geleden, met veroordeling van [gedaagde] in proceskosten (inclusief de nakosten), te vermeerderen met de wettelijke rente.



3.2.
Aan deze vorderingen leggen Ostrea c.s. – samengevat – ten grondslag dat [gedaagde] met het doen van de aangifte onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte van hen. Als gevolg van dit handelen hebben Ostrea c.s. schade geleden waarvoor [gedaagde] aansprakelijk is, aldus Ostrea c.s.



3.3.

[gedaagde] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Ostrea c.s. althans afwijzing van hun vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren proceskostenveroordeling van Ostrea c.s., te vermeerderen met de wettelijke rente.



3.4.
Volgens [gedaagde] zijn de vorderingen van Ostrea c.s. verjaard. Daarnaast weerspreekt hij dat hij onrechtmatig heeft gehandeld, voert hij verweer met betrekking tot de gestelde schade en betwist hij dat deze schade hem kan worden toegerekend in de zin van artikel 6:98 van het Burgerlijk Wetboek (BW), althans dat sprake is van een causaal verband tussen de gestelde schade en zijn handelen.



3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.





4De beoordeling


4.1.
Het meest verstrekkende verweer van [gedaagde] is het beroep op verjaring. De rechtbank zal dit verweer daarom eerst beoordelen.


Zijn de vorderingen verjaard?



Toetsingskader en bewijslastverdeling




4.2.
Artikel 3:310 lid 1 BW bepaalt, voor zover hier van belang, dat een rechtsvordering tot vergoeding van schade verjaart door verloop van vijf jaren na aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Artikel 3:317 lid 1 BW houdt in dat de verjaring van een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis wordt gestuit door een schriftelijke aanmaning of door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig het recht op nakoming voorbehoudt.



4.3.
Op grond van de hoofdregel van bewijslastverdeling van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is het aan [gedaagde] om de feiten en omstandigheden te stellen (en zo nodig te bewijzen) die nodig zijn om te concluderen dat sprake is van verjaring. De stelplicht en bewijslast van de feiten en omstandigheden waaruit volgt dat rechtsgeldige stuitingshandelingen zijn verricht rusten op Ostrea c.s.


Aanvang van de verjaringstermijn




4.4.
De eerste vraag die beantwoord moet worden, is wanneer de verjaringstermijn van de vorderingen van Ostrea c.s. is aangevangen. [gedaagde] heeft in dit verband erop gewezen dat de aangifte door hem is gedaan op 5 september 2014. Daaruit volgt echter nog niet dat Ostrea c.s. die dag bekend zijn geworden met de aangifte. Ostrea c.s. hebben dit, zoals tijdens de mondelinge behandeling door hen is toegelicht, uitdrukkelijk betwist. Zij hebben aangevoerd dat in augustus 2015 in Servië een huiszoeking is gedaan door de Servische autoriteiten en dat [eiser] vervolgens op 9 februari 2016 is uitgeleverd aan Nederland, waarna hij is aangehouden en voor het eerst is verhoord door de FIOD. Volgens Ostrea c.s. ontving [eiser] pas in de periode tussen dit eerste verhoor en het tweede verhoor (dat volgens hen één tot twee weken later plaatsvond) het strafdossier met daarin de aangifte. Eerder waren Ostrea c.s., naar hun zeggen, niet bekend met de aangifte en daarmee ook niet met de voor hun schade aansprakelijke persoon.



4.5.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [gedaagde] – in het licht van deze gemotiveerde betwisting van Ostrea c.s. – onvoldoende feitelijk onderbouwd dat Ostrea c.s. op 5 september 2014, dan wel op een ander moment in de periode tot vijf jaren vóór de brief van 27 oktober 2020 (zie 2.9), bekend is geworden met de aangifte. Dat de verjaringstermijn is gaan lopen binnen die periode kan daarom niet worden aangenomen.



4.6.

[gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling nog aangevoerd dat hij niet beschikt over het complete strafdossier, zodat het standpunt van Ostrea c.s., dat [eiser] pas na zijn uitlevering aan Nederland inzage kreeg in dit strafdossier, niet kan worden geverifieerd. Om die reden en mede gelet op het tijdsverloop sinds de huiszoeking weerspreekt [gedaagde] dat Ostrea c.s. pas na de uitlevering van [eiser] bekend raakten met de aangifte.



4.7.
Deze stellingen van [gedaagde] leiden niet tot een ander oordeel. Zoals hiervoor is overwogen, rusten de stelplicht en bewijslast van de feiten en omstandigheden waaruit volgt dat de vorderingen van Ostrea c.s. zijn verjaard, waaronder in dit geval het moment waarop Ostrea c.s. bekend zijn geworden met de aangifte, op [gedaagde] . Dat uit de overgelegde stukken niet (expliciet) blijkt wanneer Ostrea c.s. bekend zijn geworden met zijn aangifte, komt dus voor zijn risico.



4.8.
De rechtbank ziet – anders dan [gedaagde] – ook geen aanleiding om Ostrea c.s. op de voet van artikel 22 Rv te bevelen om aanvullende stukken uit het strafdossier over te leggen. In het kader van de beoordeling van het verjaringsverweer is met name relevant wanneer Ostrea c.s. voor het eerst bekend zijn geraakt met de aangifte. Uit de (wel) door Ostrea c.s. overgelegde gedeelten van het strafdossier volgt dat [eiser] op 9 februari 2016 door de Servische autoriteiten is uitgeleverd aan Nederland en vervolgens is aangehouden en voor het eerst is verhoord, waarbij kennelijk ook de inhoud van de aangifte is besproken. Eén en ander is in lijn met wat Ostrea c.s. hierover hebben gezegd. Van belang is verder dat, om te kunnen beoordelen of het strafdossier meer/andere voor de beoordeling van het verjaringsverweer van [gedaagde] relevante gegevens bevat (in die zin dat daaruit blijkt dat Ostrea c.s. eerder bekend is geraakt met de aangifte), het complete strafdossier zou moeten worden overgelegd. De rechtbank acht dit, mede gelet op de aard van de gegevens en de verdeling van de bewijslast op dit punt, disproportioneel.



4.9.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het ervoor moet worden gehouden dat Ostrea c.s. op 9 februari 2016 (de door hen in dit verband genoemde datum) bekend zijn geworden met de aangifte, zodat Ostrea c.s. op zijn vroegst op die dag bekend zijn geworden met de persoon die – in hun visie – aansprakelijk is voor hun (gestelde) schade.


Stuiting van de verjaring




4.10.
Uit het voorgaande volgt dat de verjaringstermijn van vijf jaren als bedoeld in artikel 3:310 lid 1 BW niet was voltooid op de dag dat [gedaagde] voor het eerst aansprakelijk werd gesteld bij de brief van 27 oktober 2020. Daarmee komt het erop aan of, zoals Ostrea c.s. stellen, de verjaring namens hen rechtsgeldig is gestuit met de brief van 27 oktober 2020, en vervolgens met de brief van 26 april 2024.



4.11.

[gedaagde] weerspreekt niet dat de brieven van 27 oktober 2020 en 26 april 2024 een mededeling bevatten in de zin van artikel 3:317 lid 1 BW waarmee het recht op nakoming van de verbintenis tot vergoeding van schade als gevolg van de aangifte wordt voorbehouden. Volgens [eiser] is de brief van 27 oktober 2020 echter alleen verstuurd namens [eiser] , en niet (ook) namens Ostrea.



4.12.
De vraag hoe de brief van 27 oktober 2020 moet worden uitgelegd, moet worden beantwoord aan de hand van de wilsvertrouwensleer van de artikelen 3:33 en 3:35 BW. Daarbij moet niet alleen gekeken worden naar de tekst van de brief, maar ook naar de context waarin deze brief is verzonden en alle overige omstandigheden van het geval, waaronder bijvoorbeeld de inhoud van eerdere en latere correspondentie.


4.12.1.
De rechtbank is met [gedaagde] van oordeel dat op basis van de tekst van de brief van 27 oktober 2020 de indruk kan ontstaan dat deze alleen is verzonden namens [eiser] . In de eerste alinea staat vermeld: “De heer [eiser] , hierna “ [eiser] ”, (Fdit Ostrea d.o.o., hierna “Ostrea”) heeft mij verzocht zijn belangen te behartigen”. Deze bewoordingen kunnen worden begrepen zoals [gedaagde] doet, namelijk dat alleen [eiser] heeft verzocht om zijn belangen te behartigen. Dit geldt temeer omdat het in de brief telkens gaat over “mijn cliënt”, in enkelvoud.



4.12.2.
Van belang is verder dat in de tweede alinea van de brief van 27 oktober 2020 wordt verwezen naar het vonnis van de rechtbank van 31 juli 2019 in de strafzaak, waarbij onder meer staat vermeld: “mijn cliënt is schuldig bevonden aan het onttrekken van het klantenbestand aan de boedel.” In het restant van de brief wordt vervolgens, kort gezegd, uiteengezet waarom dit oordeel van de strafrechter onterecht zou zijn en wat [gedaagde] in dit verband wordt verweten. Vast staat dat het vonnis van 31 juli 2019 alleen ziet op [eiser] . Ook bezien vanuit die context kan de brief van 27 oktober 2020 dus de indruk hebben gewekt dat deze enkel is verzonden namens [eiser] .



4.12.3.
Van het bestaan van andere correspondentie tussen partijen, dan wel andere aanknopingspunten die erop wijzen dat de brief van 27 oktober 2020 mede namens Ostrea is verzonden, is de rechtbank niet gebleken.



4.12.4.
Aan Ostrea c.s. kan worden toegegeven dat in de onderwerpregel van de brief van 27 oktober 2020 staat vermeld: “Inzake: [eiser] , Fdit Ostrea d.o.o. / Curator – faillissementsfraude”. Mede gelet op de overige, hiervoor besproken omstandigheden, acht de rechtbank deze omstandigheid echter niet doorslaggevend. Daarbij is van belang dat de wet voorschrijft dat een stuitingshandeling een schriftelijke mededeling is waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig het recht op nakoming voorbehoudt (zie 4.2). De rechtbank leidt daaruit af dat de mededeling ook duidelijk moet zijn over (namens) wie de stuitingshandeling (wordt) verricht. Bij dit alles weegt ook mee dat de brief van 27 oktober 2020 is opgesteld door een professionele rechtsbijstandverlener.




4.13.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde] in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs ervan uit mocht gaan dat de brief van 27 oktober 2020 enkel namens [eiser] is verzonden en niet (mede) namens Ostrea. Met deze brief is dus alleen gestuit namens [eiser] .


Conclusie ten aanzien van de verjaring




4.14.
Uit het voorgaande volgt dat de door Ostrea gestelde schadevergoedingsvordering niet is gestuit met de brief van 27 januari 2020, zodat deze reeds was verjaard op het moment dat de brief van 26 april 2024 werd verstuurd. De vorderingen van [eiser] zijn niet verjaard en de rechtbank zal deze in het hiernavolgende inhoudelijk beoordelen.


Was de aangifte onrechtmatig?




4.15.
Vast staat dat [gedaagde] tijdens de uitvoering van zijn taak als curator in het faillissement van [bedrijf] is gestuit op omstandigheden die – in zijn visie – wezen op onregelmatigheden met benadeling van de crediteuren van de failliet tot gevolg. Hij heeft daarop besloten tot het doen van de aangifte.



4.16.
Volgens Ostrea c.s. heeft [gedaagde] met het doen van de aangifte onrechtmatig gehandeld ten opzichte van hen. Zij verwijten [gedaagde] , samengevat, dat hij:


zijn onderzoek naar faillissementsfraude onzorgvuldig heeft verricht – in het bijzonder door het niet toepassen van hoor en wederhoor – en vervolgens te lichtvaardig tot het doen van de aangifte is overgegaan;


de strafrechtelijke procedure instrumenteel heeft gebruikt c.q. heeft misbruikt om vervolgens (eventueel) civielrechtelijk verhaal te kunnen nemen.





4.17.
De rechtbank volgt deze stellingen van Ostrea c.s. niet. Zij licht dat oordeel hieronder toe.


Toetsingskader en bewijslastverdeling




4.18.

[gedaagde] heeft de aangifte gedaan op 5 september 2014. De relevante wet- en regelgeving is sindsdien op punten gewijzigd, onder meer met de op 1 juli 2017 in werking getreden Wet versterking positie curator (Stb. 2017, 124). Tenzij anders vermeld, wordt hierna verwezen naar de wet- en regelgeving zoals die gold op 5 september 2014.



4.19.
Vooropgesteld wordt dat de faillissementscurator op grond van artikel 68 van de Faillissementswet (Fw) is belast met het beheer en de vereffening van de failliete boedel. Dit doet hij onder toezicht van de rechter-commissaris (artikel 64 Fw). Tot de taak van de curator behoort onder meer het veiligstellen en bewaren van activa en de administratie van de failliet, het opmaken van een boedelbeschrijving en een staat van baten en schulden, en het (zo nodig) vereffenen en te gelde maken van de aanwezige activa met het oog op een uitdeling aan de schuldeisers (artikel 92, 94, 96, 175 en 176 Fw). Als de curator bij de uitvoering van deze taken stuit op onregelmatigheden, kan dit onder omstandigheden met zich brengen dat hij besluit tot het doen van aangifte, bijvoorbeeld als hij dit in het belang acht van de boedel. Het doen van aangifte valt in dat geval – anders dan Ostrea c.s. hebben betoogd – in beginsel onder de uitvoering van zijn taak als curator.De beoordeling van de eventuele aansprakelijkheid van [gedaagde] moet dus worden getoetst aan de hand van de zogenoemde Maclou-norm. In dat verband is het volgende van belang.



4.20.
De faillissementscurator kan wegens een onzorgvuldige uitoefening van zijn wettelijke taak tot beheer en vereffening van de boedel persoonlijk aansprakelijk zijn jegens degenen in wier belang hij die taak uitoefent, te weten de (gezamenlijke) schuldeisers, en jegens derden met de belangen van wie hij bij de uitoefening van die taak rekening heeft te houden, zoals de gefailleerde. De rechtbank is van oordeel dat [eiser] in dit geval ook een dergelijke derde is. Voor zover de faillissementscurator bij de uitoefening van zijn taak niet is gebonden aan regels, komt hem in beginsel een ruime mate van vrijheid toe. De curator dient zich te richten naar het belang van de boedel, maar het is in beginsel aan zijn inzicht overgelaten op welke wijze en langs welke weg dat belang het beste kan worden gediend. Hetzelfde geldt voor de wijze waarop de curator rekening houdt met andere bij het beheer en de afwikkeling van de boedel betrokken belangen en voor de wijze waarop hij bij dat beheer of die afwikkeling uiteenlopende, soms tegenstrijdige belangen tegen elkaar afweegt. Bij toepassing van de norm van het Maclou-arrest over persoonlijke aansprakelijkheid van de curator wegens een onjuiste taakuitoefening heeft de rechter de vraag te beantwoorden of, uitgaande van de hiervoor bedoelde vrijheid, een over voldoende inzicht en ervaring beschikkende curator die zijn taak met nauwgezetheid en inzet verricht, in de gegeven omstandigheden in redelijkheid tot de desbetreffende gedragslijn zou hebben kunnen komen. Bij deze toetsing past terughoudendheid. Voor persoonlijke aansprakelijkheid is immers vereist dat de curator ook persoonlijk een verwijt kan worden gemaakt van zijn handelen. Daarvoor is vereist dat hij gehandeld heeft terwijl hij het onjuiste van zijn handelen inzag dan wel redelijkerwijze behoorde in te zien.



4.21.
In deze zaak wordt voormelde norm voor de aansprakelijkheid van een curator mede ingevuld door de wijze waarop het doen van een onrechtmatige aangifte (in het algemeen) wordt beoordeeld. Volgens vaste rechtspraak kan het dreigen met of doen van een strafrechtelijke aangifte in beginsel alleen dan onrechtmatig zijn ten opzichte van de betrokkene, indien:


degene die aangifte heeft gedaan, wist of redelijkerwijze behoorde te weten dat de beschuldiging ongegrond was;


de aangifte wordt gebruikt voor een doel waartoe dit middel niet behoort te strekken;


het door de wijze waarop of de omstandigheden waaronder de aangifte wordt gebruikt anderszins onbetamelijk of onzorgvuldig is ten opzichte van degene die het betreft.





4.22.
Als de curator aangifte heeft gedaan en daarbij sprake is van een geval als hiervoor omschreven in 4.21 onder a tot en met c, handelt hij niet zoals in redelijkheid mag worden verlangd van een over voldoende inzicht en ervaring beschikkende curator die zijn taak met nauwgezetheid en inzet verricht, en kan hij persoonlijk aansprakelijk zijn voor de schade die de betrokkene als gevolg van de aangifte lijdt. De stelplicht en bewijslast ter zake rusten in dit geval op Ostrea c.s. (artikel 150 Rv).


Beoordeling van de verwijten




4.23.
Zoals overwogen in 4.16 verwijten Ostrea c.s. [gedaagde] onder meer dat hij zijn onderzoek naar faillissementsfraude onzorgvuldig heeft verricht en vervolgens te lichtvaardig tot het doen van de aangifte is overgegaan. Zij voeren daartoe aan dat uit de aangifte blijkt dat [gedaagde] op basis de in 2.5 geciteerde brief aan de debiteuren heeft besloten tot het doen van de aangifte. Volgens hen heeft [gedaagde] die brief echter niet goed geïnterpreteerd. [bedrijf] had geen eigen klanten. Ostrea heeft met deze brief niets anders gedaan dan een verzoek aan haar eigen klanten om voortaan rechtstreeks aan haar te betalen, met de mededeling dat de facturering voor de door haar geleverde producten en diensten voortaan niet meer door [bedrijf] zou worden verzorgd. Als [gedaagde] ten minste [eiser] (of [naam 1] ) had gehoord in het kader van zijn onderzoek, zoals hij had moeten doen, dan was hem dit direct verteld. [gedaagde] had dan nader onderzoek moeten doen, waaruit zou zijn gebleken dat het klantenbestand (door partijen ook aangeduid als “het DCO-systeem”) toebehoorde aan Ostrea, zodat meteen duidelijk was geweest dat het vermoeden van faillissementsfraude onterecht was.



4.24.

[gedaagde] heeft deze verwijten van Ostrea c.s. gemotiveerd betwist. Hij heeft aangevoerd dat hij, ondanks meerdere verzoeken daartoe aan [naam 1] , niet de volledige administratie van [bedrijf] ontving en dat hij vervolgens – mede om die reden en met toestemming van de rechter-commissaris – op meerdere locaties is binnengetreden; ook daarbij werd het DCO-systeem niet aangetroffen. Uit de wel aan hem verstrekte gegevens bleek echter, nog steeds volgens [gedaagde] , dat er betalingen plaatsvonden op basis van door [bedrijf] verzonden facturen, waarbij door [bedrijf] ook btw in rekening werd gebracht. Ook stelde hij vast dat kort voor het faillissement brieven waren verstuurd aan relaties van [bedrijf] met de mededeling dat facturering voortaan niet langer via [bedrijf] , maar via Ostrea zou verlopen.



4.25.
Ostrea c.s. hebben deze stellingen van [gedaagde] onvoldoende weersproken, zodat zij tussen partijen vaststaan. Daarvan uitgaande mocht [gedaagde] naar het oordeel van de rechtbank overgaan tot het doen van aangifte vanwege het niet voldoen aan de administratieplicht. [gedaagde] beschikte, ondanks meerdere verzoeken daartoe en de inzet van de voor hem als curator beschikbare wettelijke bevoegdheden, namelijk nog altijd niet over de volledige administratie van [bedrijf] . Daarbij komt dat [gedaagde] beschikte over informatie op grond waarvan hij mocht vermoeden dat met name het ontbrekende DCO-systeem voor hem van belang zou kunnen zijn bij de verdere afwikkeling van het faillissement (zie daarover nader in 4.28).



4.26.
Verder kon [gedaagde] naar het oordeel van de rechtbank de in 2.5 geciteerde brief aan de debiteuren redelijkerwijs zo interpreteren als hij dat heeft gedaan. In deze brief wordt namelijk, kort gezegd, medegedeeld dat de facturering – en dus betaling – voor geleverde producten en diensten voortaan niet meer via [bedrijf] zal lopen, maar via Ostrea. Verder staat vermeld dat “het onderhoud van bestaande structuren voortaan rechtstreeks door Ostrea [wordt] verzorgd” en dat “deze nieuwe werkwijze” gevolgen heeft voor de in rekening te brengen btw. Een redelijke uitleg hiervan zou een aanwijzing kunnen zijn voor het overhevelen van activiteiten en/of geldstromen naar een andere entiteit, zoals [gedaagde] de brief heeft begrepen en heeft vermeld in de aangifte.



4.27.
Ostrea c.s. hebben verder aangevoerd dat [gedaagde] wist, althans had moeten weten, dat de activiteiten van [bedrijf] enkel bestonden uit het bemiddelen voor buitenlandse partners bij de advisering, verkoop en administratieve instandhouding van vennootschapsstructuren. Volgens Ostrea c.s. “houdt bemiddelen per definitie in dat de klanten geen eigendom zijn”. Ook op basis hiervan had [gedaagde] volgens hen dus kunnen en moeten concluderen dat het DCO-systeem toebehoorde aan Ostrea en dat van faillissementsfraude geen sprake was.



4.28.
Deze stellingen van Ostrea c.s. leiden niet tot een ander oordeel. Ook als [bedrijf] slechts bemiddelde voor derden, sluit dat immers niet uit dat deze relaties ook voor [bedrijf] een eigen inkomstenbron waren (in de vorm van provisie), zodat met het overhevelen van de facturering/geldstromen schuldeisers van [bedrijf] benadeeld zouden kunnen zijn. Daarnaast heeft [gedaagde] onvoldoende weersproken aangevoerd dat hij uit gesprekken met [naam 1] en medewerkers van [bedrijf] begreep dat het DCO-systeem door [bedrijf] werd gebruikt bij het aanschrijven van relaties van [bedrijf] en het voeren van de debiteurenadministratie en dat de activiteiten van [bedrijf] waren voortgezet tot ongeveer anderhalve week voor het faillissement. Daarvan uitgaande was dit klantenbestand voor [gedaagde] dus niet alleen van belang met het oog op een eventuele verkoop daarvan, maar bijvoorbeeld ook bij het verkrijgen van inzicht in openstaande vorderingen op debiteuren die nog geïnd zouden kunnen worden.



4.29.
Ook de in 4.23 weergegeven stellingen van Ostrea c.s. over het moeten horen van [eiser] (of [naam 1] ) volgt de rechtbank niet. Zoals hiervoor overwogen staat vast dat [gedaagde] , ondanks meerdere verzoeken tot het overhandigen van de volledige administratie en het binnentreden op meerdere locaties, nog altijd niet beschikte over het DCO-systeem. Verder heeft [gedaagde] aangevoerd, zoals tijdens de mondelinge behandeling nader door hem is toegelicht, dat hij uitvoerig met [naam 1] heeft gesproken over het ontbreken van het DCO-systeem in de administratie, waarbij het voor hem duidelijk was dat [naam 1] “in direct contact stond met [eiser] ”, zodat ook voor [eiser] “volstrekt helder moet zijn geweest waar [ [gedaagde] ] naar op zoek was”. Ostrea c.s. hebben dit onvoldoende weersproken. Zij hebben op vragen van de rechtbank slechts geantwoord dat [eiser] “niet wist dat hij [ [gedaagde] ] zo heftig op zoek was [naar het het DCO-systeem]”. Gelet hierop neemt de rechtbank tot uitgangspunt: (i) dat [naam 1] wist hoe zeer [gedaagde] op zoek was naar het DCO-systeem en(ii) dat [naam 1] en [eiser] met elkaar in contact stonden. De rechtbank is met [gedaagde] van oordeel dat hij in deze omstandigheden niet gehouden was om (ook) [eiser] vóór het doen van de aangifte te vragen naar het ontbrekende DCO-systeem. Daarbij verdient opmerking dat [naam 1] , en niet [eiser] , destijds de (formele) bestuurder was van [bedrijf] en verantwoordelijk voor de administratie.



4.30.
Ostrea c.s. hebben in dit verband nog gesteld dat [eiser] en [naam 1] in de eerste weken na het faillissement alles hebben geprobeerd om in contact te komen met [gedaagde] om het door hen opgestelde plan voor het maken van een doorstart te bespreken, maar dat [gedaagde] ieder contact vermeed. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] toegelicht dat hij inderdaad had vernomen dat [eiser] en [naam 1] plannen hadden voor een doorstart, maar dat hij met name vanwege het ontbreken van de volledige administratie en zijn vermoedens van onregelmatigheden niets zag in onderhandelingen met [eiser] en [naam 1] . De rechtbank acht die keuze begrijpelijk en niet onzorgvuldig. Laat staan dat hiermee de hoge drempel van een persoonlijk ernstig verwijt van de curator wordt gehaald (zie 4.20).



4.31.
Bij het voorgaande overweegt de rechtbank nog dat de omstandigheid dat het OM op basis van de aangifte een strafrechtelijk onderzoek is gestart dat heeft geleid tot dagvaarding van (onder meer) [eiser] en de aanvankelijke veroordeling van [eiser] door de strafrechter, steun bieden voor het oordeel dat van een te lichtzinnige aangifte door onzorgvuldig onderzoek of van een situatie zoals bedoeld in 4.21 onder a. en c. geen sprake is.



4.32.
Ten aanzien van het verwijt van Ostrea c.s. dat [gedaagde] de strafrechtelijke procedure instrumenteel heeft gebruikt c.q. heeft misbruikt ten behoeve van een (eventuele) civiele procedure (zie in 4.16 onder b. en 4.21 onder b.) geldt het volgende.



4.33.
Ostrea c.s. hebben gesteld, onder verwijzing naar (i) een gepubliceerd interview met [gedaagde] over de samenwerking tussen hem als curator, het OM en de FIOD tegen faillissementsfraude en (ii) een proces-verbaal van een verhoor van [gedaagde] als getuige in de strafzaak tegen [eiser] , dat het de “modus operandi” van [gedaagde] is om “strafrechtelijke instrumenten [te] gebruiken om de zaak later civielrechtelijk aan te pakken, omdat dat makkelijk is of sneller gaat. Naar het oordeel van de rechtbank hebben Ostrea c.s. echter onvoldoende onderbouwd waarom de door hen gestelde handelswijze van [gedaagde] in dit concrete geval ten opzichte van hen onzorgvuldig is/een onrechtmatige daad oplevert. De algemene stelling van Ostrea c.s. dat “daarmee het zorgvuldig proces niet is gewaarborgd” volstaat daartoe in ieder geval niet; ook niet in samenhang bezien met de overige, hiervoor besproken omstandigheden van het geval.



4.34.
Ostrea c.s. hebben tot slot nog aangevoerd dat [gedaagde] “een goede bekende is van het OM, met een lange staat van dienst”, zodat binnen het OM “welwillend en ook met tunnelvisie” naar een strafrechtelijke aangifte van [gedaagde] wordt gekeken. Uit wat hiervoor is overwogen volgt echter dat [gedaagde] heeft gehandeld zoals in redelijkheid mag worden verlangd van een over voldoende inzicht en ervaring beschikkende curator die zijn taak met nauwgezetheid en inzet verricht. De door Ostrea c.s. gestelde status van [gedaagde] binnen het OM maakt dat – wat daar verder ook van zij – niet anders. Als het al zo zou zijn dat een aangifte van [gedaagde] door het OM anders is/wordt beoordeeld dan een aangifte van ieder ander, dan valt dat bovendien [gedaagde] niet te verwijten.


Slotsom




4.35.
Al het voorgaande leidt tot de slotsom dat [gedaagde] niet onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte van Ostrea c.s. door het doen van de aangifte. De vorderingen van Ostrea c.s. zullen dus (voor wat betreft Ostrea: ook om die reden) worden afgewezen.



4.36.
Ten overvloede overweegt de rechtbank nog het volgende. Ostrea c.s. stellen materiële en immateriële schade te hebben geleden vanwege, kort gezegd, het “platleggen van de bedrijfsvoering van Ostrea” (met onder meer het verlies van personeel, klanten, omzet en inkomen en het moeten verlaten van huis en haard in Servië tot gevolg). Deze schade is naar het oordeel van de rechtbank echter met name het gevolg van beslissingen die zijn gemaakt door en behoren tot de exclusieve bevoegdheid van het OM, zoals het verzoek aan Servië om uitlevering van [eiser] , zijn aanhouding in Nederland en het leggen van strafvorderlijk beslag. Ook als [gedaagde] wel onrechtmatig zou hebben gehandeld door het doen van de aangifte (wat naar het oordeel van de rechtbank dus niet het geval is), is dus zeer de vraag in hoeverre de door Ostrea c.s. gestelde schade aan dat onrechtmatig handelen had kunnen worden toegerekend.



4.37.
Het vorenstaande neemt niet weg dat aannemelijk en invoelbaar is dat de strafrechtelijke vervolging van [eiser] verregaande consequenties voor Ostrea c.s. heeft gehad, zowel privé als zakelijk. [gedaagde] is daarvoor tegenover hen echter niet aansprakelijk.


Proceskosten




4.38.
Ostrea c.s. zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:









- griffierecht





331,00







- salaris advocaat





1.306,00


(2 punten × tarief II à € 653,00)




- nakosten





189,00


(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)




Totaal





1.826,00











4.39.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.



4.40.
De proceskostenveroordeling zal hoofdelijk worden uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.





5De beslissing

De rechtbank


5.1.
wijst de vorderingen van Ostrea c.s. af;



5.2.
veroordeelt Ostrea c.s. in de proceskosten van [gedaagde] van € 1.826,00, te betalen binnen 14 dagen na aanschrijving daartoe. Als Ostrea c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, dan moeten Ostrea c.s. € 98,00 extra aan nakosten betalen, plus de kosten van betekening;



5.3.
veroordeelt Ostrea c.s. in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;



5.4.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen onder 5.2 en 5.3 uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. L. Kelkensberg en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026.

2968



Met de invoering van de Wet versterking positie curator (Stb. 2017, 124) is dit expliciet in de wet opgenomen in artikel 68 lid 2 onder a tot en met c Fw. Ook daarvoor behoorde het echter al tot de taak van de curator om onregelmatigheden rondom een faillissement te traceren en – indien hij dit in het belang van de boedel acht – daarvan aangifte te doen (zie onder meer Kamerstukken II 2014/15, 34 253, nr. 3, p. 3, onder verwijzing naar de door de Vereniging van insolventierecht advocaten in 2011 vastgestelde Praktijkregels voor curatoren).


Hoge Raad 19 april 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2047 (Maclou).


Vgl. Hoge Raad 16 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU4204, r.o. 3.4.2 en 3.4.3.


Zoals strafbaar gesteld in de in de aangifte genoemde artikelen 341 aanhef en onder a sub 4 en 343 aanhef en onder 4 van het Wetboek van Strafrecht (oud).
Link naar deze uitspraak