|
|
|
| ECLI:NL:RBMNE:2026:1652 | | | | | Datum uitspraak | : | 08-04-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 21-04-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Midden-Nederland | | Zaaknummers | : | 11646140 LC EXPL 25-837 11646140 LC EXPL 25-837 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Gemeente Dronten heeft in strijd gehandeld met art 10.2 van de vasstellingsovereenkomst door geen positieve referentie te verstrekken als gevolg waarvan eiseres een arbeidsovereenkomst met de Provincie is misgelopen. Gemeente Dronten aansprakelijk. | | Trefwoorden | : | arbeidsovereenkomst | | | vaststellingsovereenkomst | | | wettelijke rente | | | | Uitspraak | RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: 11646140 \ LC EXPL 25-837 BW 31650
Vonnis van 8 april 2026
in de zaak van
[eiser]
,
wonend in [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. M.M. Pasman,
tegen
[gedaagde]
,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2]
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit het tussenvonnis van 12 november 2025.
1.2
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 5 maart 2026. [eiser] is verschenen, bijgestaan door mr. Pasman. Namens [gedaagde] zijn [gemachtigde 1] en [gemachtigde 1] verschenen, beide werkzaam als jurist bij de [gedaagde] . De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat tijdens de zitting met partijen is besproken.
1.3
Tijdens de mondelinge behandeling is bepaald dat uiterlijk op 8 april 2026 uitspraak zal worden gedaan.
2De verdere beoordeling
2.1
Verwezen wordt naar hetgeen in het tussenvonnis van 12 november 2025 is overwogen en beslist. Dit wordt hier als overgenomen beschouwd.
2.2
Het gaat in deze zaak i) om de vraag of [gedaagde] in strijd met artikel 10.2 uit de vaststellingsovereenkomst heeft gehandeld en ii) of door de referentie van [gedaagde] [eiser] de baan bij Provincie Overijssel is misgelopen en of [gedaagde] daardoor aansprakelijk is voor de schade die [eiser] daardoor stelt te lijden.
[gedaagde] was verplicht een positieve referentie te verstrekken
2.3
Om te kunnen beoordelen of [gedaagde] in strijd met artikel 10.2 uit de vaststellingsovereenkomst heeft gehandeld, moet eerst worden vastgesteld hoe artikel 10.2 uit de vaststellingsovereenkomst moet worden uitgelegd. Dit artikel luidt als volgt:“10.2. Werkgever zal desgevraagd positieve referenties aan derden verstrekken met betrekking tot het functioneren van Werknemer gedurende haar arbeidsovereenkomst met Werkgever.”
De vraag wat partijen zijn overeengekomen kan niet alleen worden beantwoord op grond van een (zuiver) taalkundige uitleg van de bewoordingen van dit artikel. De uitleg is mede afhankelijk van de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en wat zij daarover redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht (Haviltex-criterium).
2.4
Tijdens de mondelinge behandeling is vast komen te staan dat de vaststellingsovereenkomst is opgesteld door of namens de [gedaagde] en dat op verzoek van [eiser] is afgesproken dat door [gedaagde] positieve referenties worden verstrekt. Dit is door [gedaagde] in de vaststellingsovereenkomst in artikel 10.2 opgenomen. [eiser] zegt dat zij dit artikel zo heeft begrepen en ook zo mocht begrijpen dat [gedaagde] positieve referenties zal verstrekken aan potentiële werkgevers, ook na haar uitdiensttreding bij [gedaagde] .
[gedaagde] zegt dat zij alleen verplicht was om gedurende het dienstverband van [eiser] positieve referenties te verstrekken aan derden. Op het moment dat [eiser] solliciteerde bij de Provincie Overijssel was zij al uit dienst bij [gedaagde] , zodat [gedaagde] daarom op dat moment niet meer verplicht was positieve referenties over [eiser] te verstrekken.
De kantonrechter volgt [gedaagde] niet in die stelling, allereerst omdat uit de formulering van de bepaling niet duidelijk blijkt dat daaraan een beperkte tijdsperiode is verbonden. De zinsnede waarop [gedaagde] zich baseert “gedurende haar arbeidsovereenkomst met Werkgever” lijkt in de taalkundige uitleg te wijzen op “het functioneren gedurende haar arbeidsovereenkomst” en niet op de duur van de periode waarbinnen [gedaagde] de referenties moet verstrekken.
2.5
Ook als wordt gekeken naar de overige omstandigheden, heeft [eiser] naar het oordeel van de kantonrechter uit artikel 10.2 mogen begrijpen dat [gedaagde] ook na haar uitdiensttreding positieve referenties zou verstrekken. In het algemeen heeft een bepaling waarin een werkgever zich verplicht om positieve referenties af te geven de strekking dat deze ook ziet op de periode na uitdiensttreding. Het gaat er namelijk om de werknemer op weg te helpen bij het vinden van een nieuwe dienstbetrekking, waarbij van tevoren nog onzeker is hoe snel het de werknemer lukt elders een baan te vinden. Als [gedaagde] had willen afspreken dat zij alleen positieve referenties zou verstrekken zolang [eiser] bij haar in dienst was, dan had zij dit expliciet moeten formuleren in de bepaling door bijvoorbeeld te vermelden dat zij tot 1 oktober 2024 positieve referenties zou verstrekken.
De kennelijke onduidelijkheid over deze bepaling komt voor rekening en risico van [gedaagde] , als opsteller van de vaststellingsovereenkomst. Daar komt bij dat op het moment dat [eiser] aan [gedaagde] heeft gevraagd om als referent op te treden, [gedaagde] op zijn minst had moeten laten weten aan [eiser] dat zij (vanuit haar optiek) niet langer verplicht was positief te verklaren over het functioneren van [eiser] . Overigens heeft [gedaagde] ook niet duidelijk gemaakt wat haar belang zou zijn bij een beperkte periode voor het afgeven van positieve referenties, te meer gelet op het feit dat [gedaagde] eigenrisicodrager is.
2.6
[gedaagde] was dan ook verplicht om een positieve referentie over [eiser] te verstrekken aan de Provincie Overijssel.
[gedaagde] heeft in strijd met artikel 10.2 gehandeld door geen positieve referentie te hebben verstrekt
2.7
De vervolgvraag is of de referentie die [gedaagde] heeft verstrekt is te kwaliferen als positief. Om dat te kunnen beoordelen is de vraag wat door [gedaagde] is gezegd over het functioneren van [eiser] . [eiser] heeft een verklaring overgelegd van de heer [A] (hierna: [A] ) van Provinciel Overijssel over het gesprek dat met de heer [B] (hierna: [B] ) als referent van [gedaagde] is gevoerd. [A] verklaart daarover:
“(…)
1. We hebben gecheckt of je ervaring in het werkveld zelf en qua ondermijning voldoende
aansluit. Dat was in overeenstemming met je brief, cv en het gesprek.
2. We hebben gecheckt in hoeverre je proactief en zelfstandig zou kunnen acteren in
nieuwe netwerken richting andere overheden waarbij het geen gespreid bedje is. De
referent gaf daarover aan dat dit niet jouw kracht is.
3. We hebben gecheckt hoe zelfstandig je werkt. Daar gaf de referent aan dat je relatief
veel begeleiding en check momenten nodig hebt.
2 en 3 hebben we echt nodig in deze functie, dus dat was de reden om niet met je door te
gaan.
Hoop dat dit helpt. Bij vragen weet je me te vinden.
(…)”
2.8
[eiser] wijst er op dat uit de verklaring van [A] blijkt dat [gedaagde] in strijd met artikel 10.2 heeft gehandeld, omdat hieruit naar voren komt dat niet positief over haar functioneren is verklaard aan de Provincie Overijssel.
[gedaagde] meent dat [eiser] niet heeft aangetoond dat de afgegeven referentie als niet positief moet worden gekwalificeerd. Daarin volgt de kantonrechter [gedaagde] niet, gelet op de inhoud van de hierboven geciteerde verklaring van [A] . Daaruit volgt dat namens [gedaagde] is verklaard dat het niet de kracht van [eiser] is om proactief en zelfstandig te acteren in nieuwe netwerken en dat [eiser] relatief veel begeleiding en check momenten nodig heeft. Dat deze uitlatingen niet positief zijn, behoeft naar het oordeel van de kantonrechter geen nadere uitleg. [gedaagde] heeft ook geen verklaring van [B] overgelegd, waaruit zou blijken dat [A] zijn referentie niet goed zou hebben weergegeven. De kantonrechter gaat dus uit van de juistheid van de verklaring van [A] .
2.9
[gedaagde] heeft verder aangevoerd dat artikel 10.2 niet zo kan worden uitgelegd dat elke uitlating jegens een derde die om een referentie vraagt, positief moet zijn en er geen ruimte zou zijn voor het benoemen van verbeterpunten.
Ook daarin volgt de kantonrechter [gedaagde] niet, omdat de essentie van artikel 10.2 is dat [gedaagde] positieve referenties afgeeft en het benoemen van verbeterpunten van [eiser] over de gevraagde competenties valt daar evident niet onder.
Op basis waarvan [gedaagde] meent dat zij ondanks de afspraak uit artikel 10.2 niet gehouden zou zijn volledig positief te refereren, blijft voor de kantonrechter dan ook onduidelijk.
Tussen de referentie van [gedaagde] en de afwijzing bestaat een causaal verband
2.10
Vervolgens blijkt volgens [eiser] ook duidelijk het verband tussen de door [B] namens [gedaagde] verstrekte referentie en de afwijzing voor de functie bij de Provincie Overijssel. [gedaagde] meent dat geen causaal verband bestaat tussen de referentie van [B] en de afwijzing voor de baan bij de Provincie Overijssel.
2.11
De kantonrechter stelt vast dat op 4 december 2024 overeenstemming is bereikt over de arbeidsvoorwaarden tussen Provincie Overijssel en [eiser] en dat daarmee de sollicitatieprocedure was afgerond. Voor de totstandkoming van de arbeidsovereenkomst wilde de Provincie Overijssel alleen nog een referentie over [eiser] inwinnen. [eiser] heeft [B] van [gedaagde] daarvoor benaderd en hij gaf aan bereid te zijn de referentie te verstrekken. Dat heeft hij diezelfde middag gedaan. Aan het einde van die middag is [eiser] gebeld door [A] van Provincie Overijssel met de mededeling dat de Provincie tot de conclusie is gekomen dat [eiser] niet geschikt is voor de functie. Na deze mededeling heeft [eiser] contact gezocht met [B] en hem om opheldering gevraagd over de afgegeven referentie. [B] laat daarop weten dat hij een beeld van [eiser] heeft geschetst zoals hem dat bijstaat en heeft aangegeven dat hij [eiser] maar beperkt heeft gekend qua samenwerking en dat hij had begrepen dat de Provincie Overijssel al twijfels had over de geschiktheid van [eiser] voor de functie. [eiser] heeft daarop navraag gedaan bij [A] over de redenen van de afwijzing (voor die reactie wordt verwezen naar het geciteerde onder rechtsoverweging 2.7).
2.12
Volgens [gedaagde] is het zeer onwaarschijnlijk dat [eiser] alleen zou zijn afgewezen door de door [B] gegeven referentie.
[gedaagde] laat na concreet te benoemen, waarom dat onwaarschijnlijk zou zijn en van welke factoren de indiensttreding van [eiser] bij de Provincie Overijssel dan volgens haar verder nog af zou hangen. Voor zover [gedaagde] die stelling (mede) baseeert op de uitlating van [B] dat de Provincie Overijssel al twijfels had over [eiser] , geldt dat dit nergens uit is gebleken.
Vast staat dat het arbeidsvoorwaardengesprek al met succes was afgerond en dat na de door [gedaagde] verstrekte referentie de Provincie Overijssel heeft besloten niet met [eiser] verder te gaan. [A] legt in zijn verklaring ook duidelijk het verband tussen de referentie en de afwijzing voor de functie. Hij benoemt namelijk dat de punten onder 2 en 3 uit zijn verklaring competenties betreffen die echt nodig zijn in de functie en dat de bevindingen na het gesprek met de referent maken dat de Provincie niet verder gaat met [eiser] . Daarmee is het causaal verband tussen de referentie en de afwijzing gegeven.
[gedaagde] is aansprakelijk voor de schade van [eiser]
2.13
[eiser] heeft verder gevorderd dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding, waarvan de hoogte nader zal moeten worden vastgesteld in een afzonderlijke schadestaatprocedure.
Aan een beslissing tot verwijzing naar de schadestaatprocedure worden geen strenge eisen gesteld. Art. 612 Rv bepaalt dat de rechter die een veroordeling tot schadevergoeding uitspreekt, de schade in het vonnis begroot, voor zover dit mogelijk is. Indien begroting in het vonnis niet mogelijk is, spreekt hij een veroordeling uit tot schadevergoeding, op te maken bij staat. Voldoende voor de verwijzing naar de schadestaatprocedure is dat de eiser de mogelijkheid van schade aannemelijk maakt. Dat is hier het geval, omdat het mislopen van de baan bij de Provincie Overijssel in elk geval inkomensverlies voor [eiser] met zich zal meebrengen. Die schade zal nader begroot moeten worden in een schadestaatprocedure.
[gedaagde] hoeft geen contactpersoon aan te wijzen
2.14
[eiser] heeft verder gevorderd dat [gedaagde] een contactpersoon moet aanwijzen voor in de toekomst te verstrekken positieve referenties, op straffe van een dwangsom.
Deze vordering zal worden afgewezen, omdat die verplichting niet volgt uit artikel 10.2. Het nu aanwijzen van een vaste contactpersoon binnen [gedaagde] is ook te verstrekkend, omdat niet duidelijk is op welk moment [eiser] mogelijk zal vragen om een positieve referentie en uiteraard ook niet wie op dat moment (nog) werkzaam is binnen de [gedaagde] die over [eiser] kan verklaren.
Uiteraard moet [gedaagde] , gelet op haar verplichting uit artikel 10.2, meewerken op het moment dat [eiser] verzoekt om een positieve referentie, maar er bestaat onvoldoende belang bij toewijzing van het aanwijzen van een vaste contactpersoon op straffe van een dwangsom.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.15
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
144,47
- griffierecht
€
90,00
- salaris gemachtigde
€
864,00
(3 punten × € 288,00)
- nakosten
€
144,00
Totaal
€
1.242,47
De wettelijke rente over de proceskosten is toewijsbaar, op de hieronder in de beslissing vermelde wijze.
3De beslissing
De kantonrechter:
3.1
verklaart dat [gedaagde] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van artikel 10.2 van de door partijen ondertekende vaststellingsovereenkomst met als direct gevolg schade voor [eiser] doordat zij als gevolg van het handelen/nalaten van [gedaagde] een dienstverband bij de Provincie Overijssel is misgelopen,
3.2
veroordeelt [gedaagde] tot het betalen van een schadevergoeding aan [eiser] – als gevolg van het gestelde onder 3.1 – waarvan de hoogte nader zal moeten worden vastgesteld in een afzonderlijke schadestaatprocedure,
3.3
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.242,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
3.4
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
3.5
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026.
Hoge Raad, 30 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX6246 | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|