Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBAMS:2026:3891 
 
Datum uitspraak:08-04-2026
Datum gepubliceerd:22-04-2026
Instantie:Rechtbank Amsterdam
Zaaknummers:757662
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Personenschade, vonnis na eerder tussenvonnis, begroting van materiële- en immateriële schade, nadere aktewisseling nodig ten aanzien van het gevorderde verlies aan verdienvermogen
Trefwoorden:aangifte inkomstenbelasting
burgerlijk wetboek
inkomstenbelasting
uitkering
wettelijke rente
 
Uitspraak
RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht

Zaaknummer: C/13/757662 / HA ZA 24-1113


Vonnis van 8 april 2026


in de zaak van



[eiseres]
,
wonende te [woonplaats 1] ,
eiseres in conventie,
gedaagde in reconventie,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. R. Mayer,

tegen




1 [gedaagde 1] ,
wonende te [woonplaats 2] (Verenigd Koninkrijk), 2. [gedaagde 2],
wonende te [woonplaats 2] (Verenigd Koninkrijk),
gedaagden in conventie,
eisers in reconventie,
hierna samen te noemen: [gedaagden] en ieder afzonderlijk: [gedaagde 1] respectievelijk [gedaagde 2] ,
advocaat: mr. A. Cav.





1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 26 november 2025 met de daarin genoemde processtukken,- de akte overlegging producties en wijziging van eis van [eiseres] ,
- de antwoordakte van [gedaagden]



1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.





2De verdere beoordeling


2.1.
De rechtbank blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in het tussenvonnis (hierna: het tussenvonnis) van 26 november 2025.


In conventie




2.2.
In het tussenvonnis is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat [eiseres] op 3 februari 2023 omver is gelopen door [hond 1] (rov. 5.8), de hond van [gedaagden] , en niet door haar eigen hond [hond 2] . Op grond van het bepaalde in de artikelen 6:179 juncto 6:180 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is [gedaagden] hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die [eiseres] als gevolg daarvan lijdt (rov. 5.9). In verband met een geslaagd beroep van [gedaagden] op eigen schuld van [eiseres] (art. 6:101 BW) heeft de rechtbank verder overwogen dat [gedaagden] gehouden is 60% van de ten gevolge van het incident door [eiseres] geleden schade te vergoeden (rov. 5.11).
In het tussenvonnis is ook beslist dat de bij [eiseres] (een dag later) in het ziekenhuis geconstateerde tibia plateau fractuur links het gevolg is van het incident en dat dus causaal verband bestaat tussen dat letsel en het incident waarbij [eiseres] door [hond 1] omver is gelopen.



2.3.

[eiseres] heeft nadat het tussenvonnis is gewezen een akte genomen en aanvullende producties overgelegd. Bij deze akte heeft zij ook haar eis gewijzigd . Zij vordert nu aan schadevergoeding een bedrag van € 97.582,- + PM.



2.4.

[gedaagden] heeft bij antwoordakte allereerst verweer gevoerd tegen de wijziging van eis. De wijziging, en met name de nieuwe schadepost wegens economische kwetsbaarheid vormt geen nadere concretisering of uitwerking van al eerder ingenomen stellingen. Volgens [gedaagden] introduceert [eiseres] dan ook een geheel nieuwe schadepost waarover in deze procedure niet eerder is gedebatteerd. [gedaagden] meent dat zij door deze late en inhoudelijk verstrekkende aanvulling van de vordering in hun verdediging worden bemoeilijkt.
Daarnaast heeft [gedaagden] inhoudelijk verweer gevoerd tegen hetgeen [eiseres] bij haar akte naar voren heeft gebracht.


De toelaatbaarheid van de eiswijziging




2.5.
De rechtbank acht de eiswijziging toelaatbaar. Zolang nog geen eindvonnis is gewezen, kan [eiseres] in beginsel haar eis nog wijzigen, mits dat niet in strijd is met de goede procesorde. [gedaagden] heeft voldoende gelegenheid gehad om tegen de nieuw gevorderde schadeposten verweer te voeren en heeft dat ook gedaan bij antwoordakte. De wijziging van eis is dan ook niet in strijd met de goede procesorde.


De gevorderde schade




2.6.
De rechtbank zal de gevorderde en onder meer in productie 44 gespecificeerde schadeposten en het hiertegen ingebrachte verweer achtereenvolgens bespreken.


Verlies aan verdienvermogen (€ 41.050,-)




2.7.

[eiseres] stelt dat zij ten gevolge van het incident inkomsten is misgelopen. Ook stelt zij dat zij binnenkort nog een (tweede) operatie zal moeten ondergaan waarbij het osteosynthesemateriaal zal worden verwijderd. Als gevolg daarvan zal zij gedurende zes weken wederom niet in staat zijn om te werken. [eiseres] heeft ter onderbouwing van haar stelling dat zij vóór het incident van 3 februari 2023 werkzaamheden verrichtte en inkomsten genereerde en dat na het incident in 2023 en 2024 een terugval in inkomen heeft plaatsgevonden haar aangiftes inkomstenbelasting overgelegd over de jaren 2019 tot en met 2024 (productie 37a tot en met f). Verder heeft zij het volgende gesteld met betrekking tot haar afzonderlijke werkgevers/opdrachtgevers.




[verloskundigenpraktijk 1] (€ 21.525,- + € 3.750,- + toekomstig verlies)



2.7.1.

[eiseres] stelt dat zij op het moment van het incident werkzaam was voor [verloskundigenpraktijk 1] (hierna: [verloskundigenpraktijk 1] ). Zij verwijst naar een brief van [verloskundigenpraktijk 1] (productie 23). Daarin wordt volgens [eiseres] bevestigd dat zij in 2022 op basis van een nul urencontract gedurende gemiddeld twee dagen per week werkte voor 15-20 uur per week tegen een uurtarief van
€ 30,-. In januari 2023 heeft zij niet gewerkt omdat toen geen oproepkracht bij [verloskundigenpraktijk 1] nodig was. Na januari 2023 zou [eiseres] haar werkzaamheden voor [verloskundigenpraktijk 1] niet hebben voortgezet als werknemer op basis van een nul urencontract maar als zelfstandige, waarbij zij minimaal twee dagen per week, met een maximum van 20 uur per week tegen een vergoeding van
€ 30,- zou zijn gaan werken als het incident haar niet was overkomen. [eiseres] heeft een afspraakbevestiging overgelegd (productie 24) van de kamer van koophandel die zij al had gemaakt om haar eenmanszaak in te schrijven. Deze afspraak kon als gevolg van het incident niet doorgaan. [eiseres] stelt dat zij de werkzaamheden voor [verloskundigenpraktijk 1] als gevolg van het incident tot september 2023 in het geheel niet heeft kunnen uitvoeren. In de periode september tot november 2023 heeft zij af en toe weer een verloskundig spreekuur gedaan. Per 15 november 2023 heeft [eiseres] het doen van kraamvisites weliswaar hervat maar door het revalidatieproces kon zij niet meer dan vijf uur per dag werken. Dat blijkt onder meer uit de aan [verloskundigenpraktijk 1] verzonden facturen (overgelegd als productie 25), het nieuwe contract dat haar toen weer is aangeboden voor twee keer vijf uur per week in loondienst (productie 38) en de door [eiseres] opgestelde en door [verloskundigenpraktijk 1] geaccordeerde brief (productie 39). De gemiste inkomsten bij [verloskundigenpraktijk 1] bedragen volgens [eiseres] € 25.275,-.




2.8.

[gedaagden] houdt het ervoor dat [eiseres] in de jaren 2019 tot en met 2022 een arbeidsongeschiktheidsuitkering van ASR heeft ontvangen die de belastingdienst blijkens de door [eiseres] overgelegde aangiftes inkomstenbelasting kwalificeert als inkomsten uit vroegere arbeid. Het bestaan van een arbeidsongeschiktheidsuitkering roept vragen op over de verdiencapaciteit van [eiseres] in de situatie zonder ongeval. Als [eiseres] vóór het incident al (deels) arbeidsongeschikt was, kan niet zonder meer worden aangenomen dat zij zonder incident in 2023 en 2024 de door haar gestelde inkomsten zou hebben kunnen genereren. In 2020 bestond het inkomen van [eiseres] , blijkens de overgelegde aangifte inkomstenbelasting over dat jaar, uit een ASR uitkering van € 21.816,- en daarnaast uit slechts € 4.200,- aan inkomsten uit overige werkzaamheden ( [verloskundigenpraktijk 1] ). In 2021 ontving [eiseres] uitsluitend een ASR uitkering van € 28.331,- en in 2022 een ASR uitkering van € 18.509,- en slechts € 2.907,- aan loon van [verloskundigenpraktijk 1] . Dat past niet binnen het door [eiseres] geschetste beeld van haar verdiencapaciteit. De ASR uitkering is door [eiseres] in deze procedure verzwegen. Haar kennelijk beperkte verdiencapaciteit in de jaren voorafgaand aan het incident strookt niet met haar stelling dat zij juist begin 2023 voornemens was veel meer te gaan werken, waaronder twee dagen per week bij [verloskundigenpraktijk 1] als zelfstandige, twee dagen per week bij [verloskundigenpraktijk 2] naast het geven van voorlichting voor SAG.
Van haar werkzaamheden bij [verloskundigenpraktijk 1] ontbreken verder officiële documenten, zoals overeenkomsten, offertes, emailbevestigingen of andere documenten van [verloskundigenpraktijk 1] die dateren van vóór februari 2023. Evenmin zijn loonstroken of loonspecificaties overgelegd. Zij had een nul urencontract zodat niet vaststaat hoeveel zij steeds zou gaan werken, terwijl de belastingaangiftes uit het verleden bevestigen dat er geen sprake was van een structureel werkpatroon. Daar waar [eiseres] blijkens de aangifte inkomstenbelasting in 2022 € 2.907,- aan loon heeft verdiend, stelt [eiseres] dat zij als gevolg van het incident in 2023 € 25.275,- aan inkomsten is misgelopen. Dat bedrag staat niet in verhouding tot het in het verleden verrichte werk, aldus [gedaagden]


2.8.1.
De rechtbank vindt met [gedaagden] dat de overgelegde aangiftes inkomstenbelasting vragen oproepen ten aanzien van het inkomen dat [eiseres] vóór het incident genereerde en mogelijkerwijs ook over haar capaciteit om arbeid te kunnen verrichten. Uit die aangiftes lijkt inderdaad te volgen dat zij slechts zeer beperkt loon uit arbeid heeft ontvangen in de periode 2020 tot en met 2022. Het in de aangifte inkomstenbelasting 2022 opgegeven loon van [verloskundigenpraktijk 1] van € 2.907,- spoort op het eerste oog ook niet met haar stelling (dagvaarding sub 6.4 en akte sub 9) dat zij in dat jaar met een gemiddelde van twee dagen per week van 15 à 20 uur tegen een uurtarief van € 30,- bij [verloskundigenpraktijk 1] heeft gewerkt.

[eiseres] ontving volgens de overgelegde aangiftes inkomstenbelasting in ieder geval vanaf 2019 kennelijk tot en met 2022 een substantiële uitkering via ASR Schadeverzekeringen (“inkomsten uit vroegere arbeid”) waarover in deze procedure niets naar voren is gebracht. Dat roept, zonder toelichting die ontbreekt, diverse vragen op, zoals naar de aard van die uitkering. Gaat het daarbij wel of niet om een uitkering wegens arbeidsongeschiktheid en zo ja waaruit bestond die arbeidsongeschiktheid en voor welke mate van arbeidsongeschiktheid is die verzekeringsuitkering dan gedaan? Een eventuele voor het incident al aanwezige arbeidsongeschiktheid kan bovendien van invloed zijn op de te beantwoorden vraag of de door [eiseres] gestelde inkomensderving, indien deze komt vast te staan, geheel het gevolg is geweest van het incident of (mede) door een eventuele al aanwezige arbeidsongeschiktheid.
Daar komt bij dat [eiseres] ook geen compleet huisartsenjournaal lijkt te hebben overgelegd over de periode van twee jaar voorafgaand aan het incident zodat op basis van die gegevens niet kan worden uitgesloten dat in de jaren voorafgaand aan het incident geen sprake is geweest van (hier relevante) arbeidsongeschiktheid of van andere ziekte of aandoening die mogelijk aan het verrichten van loonvormende werkzaamheden in de weg hebben gestaan.




2.9.
Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank behoefte aan een nadere opheldering door [eiseres] . Daarom zal een nadere aktewisseling dienen plaats te vinden.


2.9.1.
In de door haar te nemen akte zal [eiseres] dienen op te helderen (bijvoorbeeld aan de hand van de verzekeringspolis) waaruit de door haar ontvangen betalingen/uitkeringen van ASR in de jaren 2019-2022, die vermeld staan op haar aangiftes inkomstenbelasting, bestonden. Mocht het gaan, zoals [gedaagden] veronderstelt, om een uitkering die gerelateerd is aan een arbeidsongeschiktheid dan wenst de rechtbank bovendien van [eiseres] te ontvangen een kopie van de polisvoorwaarden inclusief eventuele informatie over de uitkeringsdrempel en het verzekerde bedrag, stukken waaruit de toekenning van die uitkering blijkt alsmede onderliggende rapporten van de verzekeringsarts en/of van de arbeidsdeskundige, eventuele andere stukken waaruit het vastgestelde arbeidsongeschiktheidspercentage blijkt en de periode waarvoor die geldt, alsmede een toelichting en stukken waaruit de huidige status van die eventuele arbeidsongeschiktheid blijkt.



2.9.2.
Ook zal [eiseres] dienen toe te licht hoe haar stelling (dagvaarding sub 6.4 met een beroep op productie 23 en akte sub 9) dat zij in dat jaar met een gemiddelde van twee dagen per week van 15 à 20 uur tegen een uurtarief van € 30,- bij [verloskundigenpraktijk 1] heeft gewerkt zich verhoudt met het in de aangifte inkomstenbelasting 2022 opgegeven loon van [verloskundigenpraktijk 1] van € 2.907,-. [eiseres] dient daarbij nadere stukken over te leggen waaruit de omvang van de werkzaamheden voor [verloskundigenpraktijk 1] in 2022 blijken, zoals loonstroken/loonspecificaties.



2.9.3.
Daarnaast wenst de rechtbank van [eiseres] alsnog een compleet huisartsenjournaal (uitdraai uit het Huisarts Informatie Systeem) over de periode van twee jaar voorafgaand aan het incident van 3 februari 2023 te ontvangen.



2.9.4.
Wat betreft de toekomstige te lijden inkomensschade bij [verloskundigenpraktijk 1] na het ondergaan van de tweede operatie ter verwijdering van het osteosynthesemateriaal ontvangt de rechtbank graag aanvullende stukken waaruit blijkt dat zij nog altijd werkzaam is voor [verloskundigenpraktijk 1] en voor hoeveel uur tegen welk uurtarief dat het geval is in 2026 rond de periode waarin de tweede operatie zal plaatsvinden.



[verloskundigenpraktijk 2] (€ 8.840,- + toekomstig verlies)





2.10.

[eiseres] stelt dat zij ook zou gaan werken als assistente bij verloskundigenpraktijk [verloskundigenpraktijk 2] voor twee dagen per week voor € 130,- per dag. Dit onderbouwt zij aan de hand van een door [verloskundigenpraktijk 2] afgelegde verklaring (productie 26), een whats app gesprek met [naam 1] (productie 40) en een betaalbewijs voor verricht werk voorafgaand aan het incident (productie 41). Als gevolg van het incident heeft zij dit werk niet kunnen verrichten in de periode van 3 februari 2023 tot 29 september 2023, waarna zij dit werk weer heeft hervat zoals blijkt uit de als productie 27 overgelegde facturen. De gemiste inkomsten bedragen volgens [eiseres] € 8.840,-.



2.11.

[gedaagden] merken op dat [eiseres] onvoldoende bewijs heeft overgelegd van bestaande afspraken rond te verrichten structurele werkzaamheden. Drie eerder ontvangen zwarte betalingen en een whats app bericht zijn hiertoe onvoldoende en duiden hooguit op invalwerk.



2.12.
Ook ten aanzien van de gemiste inkomsten bij [verloskundigenpraktijk 2] zal de rechtbank iedere verdere beslissing aanhouden tot na de nog te nemen aktes.
Voor zover [eiseres] haar toekomstige inkomstenderving als gevolg van de tweede operatie ook baseert op werk dat zij dan niet voor [verloskundigenpraktijk 2] zal kunnen uitoefenen, wenst de rechtbank aanvullende stukken te ontvangen waaruit blijkt dat [eiseres] nog altijd werkzaam is voor [verloskundigenpraktijk 2] , voor hoeveel uur dat gemiddeld het geval is en tegen welk tarief dat in 2026 , rond de periode waarin de operatie zal plaatsvinden, zal gelden.


Stichting Amsterdamse Gezondheidscentra (SAG) (€ 650,- en € 925,-)




2.13.

[eiseres] stelt dat zij al voor het incident online voorlichting gaf voor SAG tegen een vergoeding van € 162,50 per keer. De eerste voorlichting is gegeven vanaf begin 2023, de voorbereiding hiervoor vond al plaats in 2022 maar zou pas in 2023 worden gefactureerd. Als gevolg van het incident heeft zij vier keer geen voorlichting kunnen geven, waarmee de gemiste inkomsten € 650,- bedragen. Ook na het moeten ondergaan van de tweede operatie zal zij enige tijd immobiel zijn en deze voorlichting naar verwachting vijf keer niet kunnen geven waarmee volgens [eiseres] nog eens € 925,- gemoeid zal zijn.



2.14.

[gedaagden] merken op dat het bevreemdt dat er voor voorbereiding die in 2022 al heeft plaatsgevonden in 2023 wordt gefactureerd en dat dat niet is toegestaan volgens fiscale regelgeving. Dat wekt de indruk dat een en ander is geconstrueerd ten behoeve van het schadetraject.



2.15.
De rechtbank overweegt als volgt. Op zichzelf wordt aannemelijk geacht en voldoende onderbouwd bevonden dat [eiseres] in de periode rond het incident een opdracht had tot het geven van online voorlichting voor SAG (eens per week) tegen een vergoeding van
€ 162,50 per keer.
Alhoewel niet onaannemelijk is dat zij na de eerste operatie vier keer geen voorlichting heeft kunnen geven en ook dat dat gedurende een week of vijf niet het geval zal zijn na het moeten ondergaan van de tweede operatie, is gelet op de onduidelijkheid rond de eerdere ASR uitkering die mogelijk verband houdt met een eerdere arbeidsongeschiktheid nog te vroeg om dit gemiste inkomen van SAG al volledig aan het incident te kunnen toeschrijven. De te nemen aktes zullen eerst door de rechtbank worden afgewacht alvorens verder te beslissen op dit punt.
Daarnaast is op dit moment nog onvoldoende duidelijk of [eiseres] nog steeds deze voorlichting voor SAG geeft (in 2026). Hiervan zijn geen bewijsstukken overgelegd. In de te nemen akte zal [eiseres] deze bewijsstukken alsnog kunnen overleggen.


BIG-registratie (€ 3.800,-)




2.16.

[eiseres] stelt dat voor het uitvoeren van haar werkzaamheden als verloskundige een BIG-registratie noodzakelijk is. Die registratie is echter op 10 maart 2024 verlopen omdat zij door het ongeval niet tijdig heeft kunnen voldoen aan de (uren)vereisten voor herregistratie. Het opnieuw verkrijgen van die registratie kost € 3.800,-, aldus [eiseres] .



2.17.

[gedaagden] voeren verweer. Voor herregistratie geldt een urennorm van 2080 uur in vijf jaar tijd, zodat het hieraan niet hebben voldaan niet of niet volledig aan het incident kan worden toegeschreven. [eiseres] zal inzage moeten geven in haar gewerkte uren in de vijf jaar voorafgaand aan het incident.



2.18.
De rechtbank overweegt dat [eiseres] niet heeft betwist dat voor de BIG-registratie een urennorm van 2080 uur over de afgelopen vijf jaar geldt. Ook geeft [eiseres] zelf aan dat zij haar vordering niet nader kan onderbouwen met urenstaten en dat zij voor de periode na het ongeval niet met zekerheid kan zeggen dat zij haar BIG-registratie wel zou hebben behaald indien het incident niet zou hebben plaatsgevonden. Bij deze stand van zaken is het gevorderde niet toewijsbaar. [eiseres] heeft niet geconcretiseerd en onvoldoende onderbouwd dat het niet voldoen aan de eisen voor een BIG-registratie geheel dan wel voor welk gedeelte is toe te schrijven aan het incident.


Bruto-netto berekening




2.19.

[eiseres] heeft toegelicht dat zij niet btw-plichtig is. Verder stelt zij dat de door haar gevorderde bedragen bruto bedragen zijn. De rechtbank begrijpt dit aldus dat het bij het gevorderde gaat om de bedragen die zij niet heeft kunnen factureren aan haar opdrachtgevers. [gedaagden] voeren als verweer aan dat uitsluitend het netto geleden inkomensverlies relevant is. Dat verweer is terecht. [eiseres] had, het incident weggedacht, na facturatie en incassering, de gegenereerde inkomsten nog wel moeten opgeven aan de belastingdienst en daarover inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen moeten betalen. In deze procedure komt evenwel uitsluitend netto bedragen voor vergoeding in aanmerking. [eiseres] zal daarom in de te nemen akte alsnog dienen te concretiseren wat haar netto inkomensschade is geweest.



2.20.
Aan de stelling van [gedaagden] dat [eiseres] mogelijkerwijs bij een lager uitvallend inkomen recht zou hebben gehad op toeslagen of andere inkomensafhankelijke tegemoetkomen gaat de rechtbank voorbij. [eiseres] heeft betwist dat zij hierop recht had. [gedaagden] heeft niet geconcretiseerd dat dat wel het geval zou zijn geweest, waarbij in aanmerking moet worden genomen dat er ook andere factoren relevant zijn dan alleen de hoogte van het eigen inkomen van [eiseres] om voor toeslagen en andere inkomstenafhankelijke tegemoetkomingen in aanmerking te kunnen komen, zoals het hebben van vermogen en het hebben van een toeslagpartner.


Economische kwetsbaarheid (€ 30.000,-)




2.21.

[eiseres] vordert, met een beroep op artikel 6:105 BW vergoeding van € 30.000,- aan toekomstige schade omdat volgens [eiseres] ten gevolge van het incident een grotere kans bestaat dat zij in de toekomst een knieprothese nodig zal hebben. [gedaagden] voert hiertegen gemotiveerd verweer.



2.22.
In het tussenvonnis heeft de rechtbank al overwogen dat een nadere onderbouwing van (de kans op) deze toekomstig te lijden schade verlangd werd en dat de bevindingen van verzekeringsarts [naam 2] , zoals die volgen uit de eerder al overgelegde productie 11 zijdens [eiseres] , hiervoor nog onvoldoende waren. [eiseres] heeft vervolgens nagelaten deze schadepost voldoende nader te concretiseren en te onderbouwen. De nadere verklaring van [naam 2] , overgelegd als productie 46, voegt onvoldoende toe aan zijn eerdere bevindingen op het punt van de te verwachten knieprothese. Feitelijk herhaalt hij wat hij eerder al hierover had verklaard. Onvermeld blijft (wederom) hoe reëel en hoe groot de verhoogde kans op een knieprothese is. Ook de overgelegde verklaring van de fysiotherapeut (productie 45), die schrijft dat de ‘eerlijkheid gebiedt mij te zeggen dat uit mijn praktijk blijkt dat dit soort operaties op termijn lijdt tot artrose en een nieuwe knie’, is te vaag en te weinig concreet. Tegenover de meer algemeen verwoorde verklaringen van [naam 2] en de fysiotherapeut staat de eveneens overgelegde verklaring (productie 43 zijdens [eiseres] ) van orthopedisch chirurg drs. R. Haverlag die schrijft dat een knieprothese medisch niet noodzakelijk/geïndiceerd is als gevolg van het incident, ook in de toekomst niet. Verder acht drs. Haverlag de kans reëel / groot (70-90%) dat de klachten van [eiseres] na verwijdering van het osteosynthesemateriaal/de plaat beter worden.



2.23.
Bij deze stand van zaken is onvoldoende komen vast te staan dat een knieprothese ten gevolge van het door het incident opgelopen beenletsel medisch noodzakelijk zal zijn, hoe groot de kans hierop is en evenmin op welke termijn die noodzaak zou bestaan. Daarmee heeft [eiseres] onvoldoende gesteld om toe te komen aan een afweging van goede en kwade kansen als bedoeld in artikel 6:105 BW. Dat betekent niet alleen dat deze schadepost (economische kwetsbaarheid) niet toewijsbaar is maar ook dat bij het begroten van overige schadeposten, zoals de immateriële schade, geen rekening ermee gehouden zal worden dat [eiseres] in de toekomst mogelijkerwijs nog een knieprothese nodig zal hebben zoals zij stelt.


Huishoudelijke hulp (€ 8.442,50)




2.24.

[eiseres] stelt dat zij na het incident en de eerste operatie volledig immobiel was en geen huishoudelijke taken kon uitvoeren. Haar aandeel in het verrichten van de huishoudelijke taken binnen het gezin was 80% en moest volledig worden overgenomen door haar partner en externe hulp. Ook na de eerste 13 weken was zij nog praktisch immobiel en moest haar partner veel taken overnemen en heeft zij extra hulp in de huishouding moeten inschakelen. Op dit moment doet zij het huishouden weer zelf maar de verwachting bestaat dat zij direct na de tweede operatie opnieuw gedurende zes weken niet in staat zal zijn het huishouden zelf te doen en dat daarvoor (externe) hulp ingeschakeld zal moeten worden. Ter onderbouwing verwijst [eiseres] naar de overgelegde verklaring van [naam 2] (productie 46).



2.25.

[gedaagden] voert hiertegen aan dat deze schadepost niet is onderbouwd met enige objectieve indicatiestelling, huisartsenverklaring of zorgindicatie. Het gevorderde aantal maanden (wat neerkomt op 61 weken) is buitenproportioneel. Het is ook niet aannemelijk dat [eiseres] nog volledig aangewezen was op huishoudelijke hulp op het moment dat zij wel alweer (deels) aan het werk is gegaan. Het gevorderde sluit bovendien niet aan bij de richtlijnen van de letselschaderaad die na verloop van tijd een afbouwend regime hanteert.



2.26.

[gedaagden] heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd dat zij over de door haar gestelde periode aangewezen was op volledige huishoudelijke hulp, met name voor de periode na de eerste dertien weken na het incident en ook rondom de periode dat [eiseres] weer deels aan het werk is gegaan, ook al was dat werk op dat moment nog veelal zittend.
De rechtbank acht het wel aannemelijk dat zij in de eerste dertien weken na het incident en ten gevolge van de eerste operatie immobiel was, haar been in de eerste weken helemaal niet mocht belasten en haar taken in het huishouden aan anderen (haar partner, kind en externe hulp) heeft moeten overlaten. Dat zal eveneens het geval zijn in de eerste zes weken na de tweede operatie die zij nog zal moeten ondergaan. [eiseres] heeft dat ook onderbouwd aan de hand van een overgelegde verklaring van [naam 2] (productie 46) waaruit kan worden afgeleid dat [eiseres] naar verwachting ook na de tweede operatie gedurende zes weken niet/verminderd in staat zal zijn tot het verrichten van huishoudelijke werkzaamheden en daarnaast moeilijkheden zal ondervinden bij het verrichten van algemene dagelijkse levensverrichtingen zoals zelfverzorging, toiletgang en douchen. Het overleggen van een indicatiestelling wordt daarom niet nodig geacht.
Dat haar aandeel in het huishouden van het gezin voor het incident 80% was heeft [gedaagden] niet betwist.
De rechtbank acht het toekennen van een vergoeding voor huishoudelijke hulp daarom uitsluitend toewijsbaar voor de eerste dertien weken volgend op het incident en de eerste operatie, alsmede voor de zes weken die volgen op de tweede operatie die [eiseres] nog moet ondergaan. Deze voor vergoeding in aanmerking komende schadepost wordt daarom begroot op de door [eiseres] gevorderde bedragen van € 3.256,50 voor de eerste dertien weken en € 390,- aan toekomstige huishoudelijk hulp na de tweede operatie, wat tezamen neerkomt op € 3.646,50. Het overigens gevorderde wordt als onvoldoende geconcretiseerd en onderbouwd niet toewijsbaar geacht.


Verlies aan zelfredzaamheid (€ 2.100,-)




2.27.
Deze post bestaat uit € 1.680,- aan door haar partner direct na het incident verleende mantelzorg (14 uur a € 15,- gedurende 8 weken) en € 420,- aan toekomstig te verrichten mantelzorg na de tweede operatie waarbij het osteosynthesemateriaal wordt verwijderd (14 uur ad € 15 gedurende twee weken). [eiseres] stelt hiertoe dat dat zij na het incident en de operatie immobiel was en gedurende een aantal weken hulp nodig had met haar persoonlijke verzorging en voor haar verpleging.



2.28.

[gedaagden] voert hiertegen aan dat deze schadeposten niet zijn onderbouwd met enige objectieve indicatiestelling, huisartsenverklaring of zorgindicatie.



2.29.
De rechtbank acht het aannemelijk dat [eiseres] als gevolg van het incident en de ondergane operatie aan haar been enige tijd aangewezen was op mantelzorg voor hulp bij haar persoonlijke verzorging en verpleging, zulks bovenop de gemaakte kosten voor huishoudelijke hulp. Het hiervoor gevorderde bedrag van € 1.680,- komt de rechtbank daarbij niet onredelijk hoog voor.
Met betrekking tot de toekomstige mantelzorg acht de rechtbank het aannemelijk dat [eiseres] ook ten gevolge van de operatie die zij moet ondergaan ter verwijdering van het osteosynthesemateriaal een aantal weken haar been niet zal mogen belasten en hulp nodig heeft bij haar persoonlijke verzorging en bij haar verpleging. Dat volgt genoegzaam uit de overgelegde verklaring van de verzekeringsarts [naam 2] . Het gevorderde bedrag van
€ 420,-, waartegen [gedaagden] ook geen afzonderlijk verweer heeft gevoerd, komt de rechtbank evenmin onredelijk voor. In totaal wordt de schade bestaande uit mantelzorg begroot op € 2.100,-.


Medische kosten (€ 2.305,86)




2.30.

[eiseres] vordert € 2.305,86 aan ten gevolge van het incident gemaakte medische kosten die niet zijn vergoed door haar zorgverzekering. Zij specificeert deze kosten in productie 44.

[gedaagden] voeren met name verweer tegen de opgevoerde medische massages en het eigen risico.



2.31.
De rechtbank acht de gevorderde vergoeding voor vitaminen, supplementen, pijnstillers en littekenzalf toewijsbaar (€ 373,87 + € 11,99).
De medische massage wordt niet toewijsbaar geacht. Hiervan zijn geen facturen of kwitanties overgelegd en ook de medische noodzaak hiertoe is onvoldoende door [eiseres] onderbouwd.
Van het opgevoerde eigen risico over de jaren 2023 tot en met 2026 (4 x € 385,-) wordt alleen toewijsbaar geacht € 385,- voor het jaar 2026. Aannemelijk is dat [eiseres] al ten gevolge van de tweede operatie aan het te betalen eigen risico 2026 zit en ook [gedaagden] voert hiertegen geen apart verweer. Over de jaren daarvoor heeft [eiseres] echter onvoldoende aangetoond dat het opmaken van het eigen risico het uitsluitende gevolg is van het incident en anders, indien het incident niet zou hebben plaatsgevonden, door [eiseres] niet had hoeven te worden betaald. Uit de overgelegde productie 42 a tot en met c kan dat niet worden afgeleid.
Dat betekent dat voor vergoeding in aanmerking komt € 373,87 + € 11,99 + € 385,- (over 2026) wat samen opgeteld neerkomt op € 770,86.


Medische hulpmiddelen (€ 1.378,12)




2.32.

[eiseres] vordert verder een vergoeding voor diverse gemaakte kosten aan (medische) hulpmiddelen.



2.33.

[gedaagden] voeren met name verweer tegen de opgevoerde kosten voor een honden uitlaatservice ad € 1.022,70 die zij disproportioneel achten en die niet als redelijkerwijs noodzakelijk zijn aan te merken in de zin van artikel 6:98 lid 2 BW ook nu [eiseres] een partner en kinderen heeft.



2.34.
De rechtbank acht redelijk en (uiteindelijk voor 60%) toewijsbaar de gemaakte kosten voor een warmtekussen voor het been, compressiekousen en een douchehoes voor het been, wat neerkomt op € 86,94 (€ 27,95 + € 45,- + € 13,99). Ook de gemaakte kosten voor aangepaste kleding, waartegen geen afzonderlijk verweer is gevoerd, ad € 17,90 en
€ 78,58 worden (steeds voor 60%) toewijsbaar geacht. Ook voorstelbaar is dat [eiseres] haar boodschappen niet zelf kon doen en daarom heeft laten bezorgen in de eerste weken na het incident, waarmee eveneens toewijsbaar is de bezorgbundel ad € 144,-. Ook het vragen van een vergoeding voor een toekomstige bezorgbundel, na de tweede operatie, wordt redelijk geacht (€ 28,-). Hetzelfde geldt voor de honden uitlaatservice waarvan [eiseres] gebruik wil maken na de tweede operatie voor de twee dagen per week dat haar partner niet thuis is omdat hij dan zelf moet werken zoals volgt uit productie 44. Het bedrag van € 1.022,70 komt de rechtbank hiervoor echter disproportioneel voor. Niet valt in te zien dat honden uitlaatservice voor twee keer per week (op de dag dat de partner van [eiseres] moet werken)
€ 170,45 per week kost en/of [eiseres] deze schade niet enigszins kan beperken. Op de door [eiseres] opgegeven website van de honden uitlaatservice in [stadsdeel] volgt ook dat het maandabonnement voor twee wandelingen per week € 170,45 bedraagt. De kosten voor hondenuitlaat worden daarom begroot op 2 x € 170,45 en daarmee op € 340,90. De voor vergoeding in aanmerking komende post medische hulpmiddelen wordt daarmee in totaal begroot op € 696,32.


Daggeld ziekenhuis / revalidatiecentrum (€ 105,-)




2.35.
Tegen deze post heeft [gedaagden] geen (afzonderlijk) verweer gevoerd. [eiseres] heeft aanspraak op vergoeding van twee keer daggeld ad € 35,- in verband met de initieel ondergane operatie na het incident en eenmaal € 35,- in verband met de tweede operatie die zij nog moet ondergaan waarbij het osteosynthesemateriaal wordt verwijderd. Deze schadepost wordt daarom begroot op € 105,-.


Vervoers- en parkeerkosten (€ 220,42)




2.36.
Tegen deze post heeft [gedaagden] geen (afzonderlijk) verweer gevoerd. De omvang van deze vervoers- en parkeerkosten, die [eiseres] heeft gespecificeerd in productie 44, acht de rechtbank redelijk. Deze schadepost wordt begroot op € 220,42.


De immateriële schade (€ 42.000,-)




2.37.
De rechtbank heeft in het tussenvonnis overwogen dat de begroting van het bedrag aan immateriële schadevergoeding mede afhankelijk is van de vraag of [eiseres] in de toekomst ten gevolg van het incident een knieprothese nodig zal hebben. Gelet op hetgeen hiervoor in rov. 2.23 is overwogen, wordt hiervan door de rechtbank niet uitgegaan. Daarom wordt ook geen aansluiting gezocht bij categorie II a ‘zeer ernstig knieletsel’ van de Rotterdamse schaal waarnaar [eiseres] verwijst, maar sluit de rechtbank aan bij de categorie ‘minder ernstig beenletsel’.
De rechtbank zal de immateriële schade begroten op € 15.000,-, waarvan [gedaagden] uiteindelijk 60% aan [eiseres] dient te vergoeden. Daarbij wordt onder meer rekening ermee gehouden dat [eiseres] ten gevolge van het incident en de daarbij opgelopen tibia breuk moest worden geopereerd, dat zij nog altijd niet pijnvrij is en nog restklachten en beperkingen ondervindt en dat zij binnenkort nog een tweede operatie moet ondergaan om het osteosynthesemateriaal te laten verwijderen, maar dat daarna een verbetering van de klachten te verwachten valt volgens de geconsulteerde orthopedisch chirurg. Daarnaast is acht geslagen op de leeftijd van [gedaagden] en ook op de omstandigheid dat het om een risicoaansprakelijkheid gaat.


Tussenconclusie




2.38.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, wordt de door [eiseres] ten gevolge van het incident geleden schade vooralsnog begroot op in ieder geval € 22.539,10 (€ 3.646,50 +
€ 2.100,- + € 770,86 + € 696,32 + € 105,- + € 220,42 + € 15.000,-). Gelet op het geslaagde beroep op eigen schuld dient [gedaagden] 60% van deze schade aan [eiseres] te vergoeden, hetgeen neerkomt op een bedrag van in ieder geval € 13.523,46, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 3 februari 2023, hetgeen te zijner tijd bij een te wijzen eindvonnis (in ieder geval) zal worden toegewezen.



2.39.
Gelet op hetgeen hiervoor in rov. 2.9 (waaronder 2.9.1 tot en met 2.9.4), 2.12, 2.15, 2.18 en 2.19 overwogene, zal de zaak naar de rol worden verwezen voor een door [eiseres] te nemen akte (waarna [gedaagden] bij antwoordakte zal mogen reageren).



2.40.
Iedere verdere beslissing in conventie zal worden aangehouden.


In reconventie




2.41.
De rechtbank constateert dat de situatie rondom het beslag dat is gelegd op de woning van [gedaagden] gelijk is aan de situatie zoals deze bij het tussenvonnis was. Dat betekent dat ook op dit moment het in reconventie gevorderde niet toewijsbaar is.



2.42.
Ook in reconventie zal daarom iedere verdere beslissing worden aangehouden.






3De beslissing


De rechtbank



In conventie



3.1.
verwijst de zaak naar de rol van 6 mei 2026 voor een door [eiseres] te nemen akte (daarna antwoordakte [gedaagden] );


In conventie en in reconventie




3.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.


Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. van Harmelen, rechter, bijgestaan door mr. C.L. de Rijke, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026.
Link naar deze uitspraak