|
|
|
| ECLI:NL:RBDHA:2025:27922 | | | | | Datum uitspraak | : | 29-10-2025 | | Datum gepubliceerd | : | 24-04-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Den Haag | | Zaaknummers | : | 23/8142 | | Rechtsgebied | : | Socialezekerheidsrecht | | Indicatie | : | Pw, intrekking, verblijfsrecht, beroep ongegrond. | | Trefwoorden | : | bijstandsuitkering | | | echtscheiding | | | ioaz | | | | Uitspraak | RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/8142
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 oktober 2025 in de zaak tussen
[eiseres], uit [woonplaats], eiseres
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college
([gemachtigde]).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de intrekking van haar bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (Pw).
1.1.
Met het primaire besluit van 24 augustus 2023 heeft het college de bijstandsuitkering van eiseres op grond van de Pw vanaf 1 augustus 2023 ingetrokken. Met het bestreden besluit van 23 oktober 2023 op het bezwaar van eiseres is het college bij dat besluit gebleven.
1.2.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres heeft de Jordaanse nationaliteit. Zij is met ingang van 24 januari 2019 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf als familie- of gezinslid’ bij haar (thans ex-)partner. Vanaf 10 mei 2021 ontving zij een bijstandsuitkering van het college. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) heeft met het besluit van 15 juli 2022 de verblijfsvergunning van eiseres ingetrokken met terugwerkende kracht vanaf 26 januari 2022. Dit omdat eiseres na de echtscheiding van haar ex-partner niet langer voldoet aan de beperking waaronder de verblijfsvergunning is verleend. Ook heeft de IND de aanvraag van eiseres voor het wijzigen van het doel van haar verblijfsvergunning naar ‘verblijf als familie- of gezinslid’ bij haar zoon afgewezen. Met de beslissing op bezwaar van 26 juli 2023 is de IND bij het besluit van 15 juli 2022 gebleven. In de uitspraak van 9 februari 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:3727) heeft de rechtbank het beroep van eiseres tegen de beslissing op bezwaar van 26 juli 2023 ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening hangende het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
2.1.
Het college legt aan het bestreden besluit ten grondslag dat de IND het verblijfsrecht van eiseres vanaf 26 januari 2022 heeft ingetrokken. Eiseres heeft daartegen bezwaar gemaakt, waarop op 26 juli 2023 is beslist. Doordat eiseres binnen 4 weken bezwaar heeft gemaakt tegen de intrekking van de toelating, werd zij op grond van artikel 1, eerste lid, onder b, van het Besluit gelijkstelling vreemdelingen Participatiewet, IOAW en IOAZ (Besluit gelijkstelling) gelijkgesteld met een Nederlander. Deze gelijkstelling is met de beslissing op bezwaar van 26 juli 2023 beëindigd, zodat eiseres niet langer recht op bijstand heeft. Dat eiseres ten tijde van het bestreden besluit in afwachting was van een uitspraak op haar beroep en verzoek om voorlopige voorziening, maakt dat volgens het college niet anders.
Wat vindt eiseres?
3. Eiseres voert aan dat zij opnieuw een aanvraag om een verblijfsvergunning heeft ingediend en dat zij haar best doet om werk te vinden. Vanaf januari 2024 zou zij met een baan beginnen. Zij heeft als gevolg van psychische en lichamelijke klachten moeite met werken.
Wat is het beoordelingskader?
4. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Wat oordeelt de rechtbank?
5. De te beoordelen periode loopt in dit geval vanaf de datum waarop de bijstandsuitkering is ingetrokken tot en met de datum van het primaire besluit, oftewel van 1 augustus 2023 tot en met 24 augustus 2023.
5.1.
Vast staat dat het verblijfsrecht van eiseres op grond van artikel 8, aanhef en onder a, van de Vw 2000 vanaf 26 januari 2022 is ingetrokken. Omdat zij tegen het besluit van de IND van 15 juli 2022 bezwaar heeft gemaakt, had zij vanaf 26 januari 2022 op grond van de artikelen 73 en 8, aanhef en onder h, van de Vw 2000 zogenoemd procedureel rechtmatig verblijf. Op grond van artikel 11, derde lid, onder b, van de Pw en artikel 1, aanhef onder b, van het Besluit gelijkstelling werd eiseres tijdens de bezwaarprocedure voor de Pw met een Nederlander gelijkgesteld. Nadat de IND op 26 juli 2023 op het bezwaar van eiseres had beslist, is het procedureel verblijfsrecht vanaf die datum komen te vervallen. Daarmee is ook de gelijkstelling komen te vervallen. Dit betekent dat eiseres vanaf 26 juli 2023 niet langer recht op bijstand had, zodat het college de bijstandsuitkering terecht heeft ingetrokken.
5.2.
Wat betreft de door eiseres genoemde aanvraag voor een nieuw verblijfsrecht overweegt de rechtbank dat eiseres deze aanvraag heeft ingediend na de intrekking van haar verblijfsrecht door de IND in het besluit van 15 juli 2022. Gelet hierop voldoet eiseres niet aan de voorwaarde van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit gelijkstelling en daardoor ook niet aan het tweede vereiste van artikel 11, derde lid, aanhef en onder b, van de Pw. Hierdoor ligt in die aanvraag geen grond om haar voor de Pw gelijk te stellen met een Nederlander.
5.3.
Voor zover eiseres met de door haar benoemde omstandigheden een beroep doet op dringende redenen om alsnog voor een bijstandsuitkering in aanmerking te komen, slaagt dit niet. Artikel 16, tweede lid, van de Pw bepaalt namelijk dat artikel 16, eerste lid, van de Pw, dat bijstandverlening in afwijking van paragraaf 2.2 mogelijk maakt indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken, niet van toepassing is op andere vreemdelingen dan de vreemdelingen, genoemd in artikel 11, tweede en derde lid, van de Pw. Zoals hiervoor overwogen, is artikel 11, tweede en derde lid, van de Pw niet op eiseres van toepassing.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de intrekking van de bijstandsuitkering in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, rechter, in aanwezigheid van mr.E.P.A. Stok, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Vreemdelingenwet 2000
Artikel 8
De vreemdeling heeft in Nederland uitsluitend rechtmatig verblijf:
a. op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14;
(…)
in afwachting van de beslissing op een bezwaarschrift of een beroepschrift, terwijl bij of krachtens deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op het bezwaarschrift of het beroepschrift is beslist;
(…)
Artikel 73
1. De werking van het besluit tot afwijzing van de aanvraag of de intrekking van de verblijfsvergunning wordt opgeschort totdat de termijn voor het maken van bezwaar of het instellen van administratief beroep is verstreken of, indien bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, totdat op het bezwaar of administratief beroep is beslist.
(…)
Participatiewet
Artikel 11
Iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, heeft recht op bijstand van overheidswege.
Met de Nederlander, bedoeld in het eerste lid, wordt gelijkgesteld de hier te lande woonachtige vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000, met uitzondering van de gevallen, bedoeld in artikel 24, tweede lid, van Richtlijn 2004/38/EG.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere hier te lande woonachtige vreemdelingen dan de in het tweede lid bedoelde voor de toepassing van deze wet met een Nederlander gelijk worden gesteld:
a. ter uitvoering van een verdrag dan wel van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie, of
b. indien zij, na rechtmatig verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000, rechtmatig in Nederland verblijf hebben als bedoeld in artikel 8, onderdeel g of h, van die wet en zij aan de in die algemene maatregel van bestuur gestelde voorwaarden voldoen.
(…)
Artikel 16
Aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, kan het college, gelet op alle omstandigheden, in afwijking van deze paragraaf, bijstand verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken.
Het eerste lid is niet van toepassing op andere vreemdelingen dan die, bedoeld in artikel 11, tweede en derde lid.
Besluit gelijkstelling vreemdelingen Participatiewet, IOAW en IOAZ
Artikel 1
1. Voor de toepassing van de Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen wordt met een Nederlander gelijkgesteld de vreemdeling die, na rechtmatig in Nederland verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 8, onder a tot en met e, of l, van de Vreemdelingenwet 2000:
a. voor de beëindiging van dit verblijf een aanvraag heeft ingediend om voortgezette toelating, of
b. binnen de termijn, genoemd in artikel 69, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, of, buiten die termijn, in geval artikel 6.11 van de Algemene wet bestuursrecht toepassing heeft gevonden, bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld tegen intrekking van de toelating in de zin van artikel 8, onder a tot en met e, of l, van de Vreemdelingenwet 2000.
2. De gelijkstelling, bedoeld in het eerste lid, eindigt zodra:
a. onherroepelijk op de aanvraag, het bezwaar of het beroep is beslist, of
b. de uitzetting van de vreemdeling is gelast, tenzij die uitzetting ingevolge de Vreemdelingenwet 2000 of op grond van een rechterlijke beslissing achterwege dient te blijven.
Zoals bedoeld in artikel 8, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 28 juli 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1623. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|