|
|
|
| ECLI:NL:RBDHA:2025:27924 | | | | | Datum uitspraak | : | 01-10-2025 | | Datum gepubliceerd | : | 24-04-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Den Haag | | Zaaknummers | : | 25/5827 en 25/6150 | | Rechtsgebied | : | Socialezekerheidsrecht | | Indicatie | : | Vovo. Wmo 2015, opvang, moeder met vier kinderen. Bezwaar te laat ingediend, termijnoverschrijding verschoonbaar. Bezwaar redelijke kans van slagen, primair besluit gestoeld op onjuiste grondslag. Belangen van de kinderen. Toewijzing verzoek. | | Trefwoorden | : | ingezetene | | | uitkering | | | | Uitspraak | RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: SGR 25/5827 en 25/6150
uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 oktober 2025 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. E.C. Weijsenfeld),
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder
( [gemachtigde] ).
Inleiding
1. Met het primaire besluit van 2 juli 2015 heeft verweerder haar aanvraag om de maatwerkvoorziening maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2015) afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter op 9 september 2025 gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen (zaaknummer 25/5827).
1.1.
Met haar bezwaarschrift van 5 september 2025 heeft verzoekster bij verweerder tevens beoogd een nieuwe melding te doen in het kader van de Wmo 2015 en verzocht om (met spoed) een tijdelijke maatwerkvoorziening op grond van artikel 2.3.3. van de Wmo 2015 toe te kennen. Op 16 september 2025 heeft verzoekster verweerder in gebreke gesteld.
1.2.
Op 23 september 2025 heeft verzoekster een beroep niet tijdig beslissen ingesteld alsmede een nieuw verzoek gedaan om een voorlopige voorziening te treffen (zaaknummer 25/6150).
1.3.
Verweerder heeft gereageerd met een verweerschrift in zaaknummer 25/6150.
1.4.
De rechtbank heeft op 25 september 2025 nadere stukken ontvangen van verzoekster.
1.5.
De voorzieningenrechter heeft de verzoeken op 29 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster, A. Yahye als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Procesverloop
Wat ging aan de procedure vooraf?
2. Verzoekster is van Somalische komaf en opgegroeid in [land 1] . Zij is in 2008 zelfstandig naar Nederland gekomen en kreeg hier asiel. In 2019 is zij naar [land 1] gegaan. Verzoekster heeft daarover verklaard dat zij naar [land 1] is gegaan om de vader van de twee oudste kinderen te zoeken. Zij zou zijn vertrokken in de zomervakantie van 2019 en het plan was om enkele weken weg te blijven. Dit werd uiteindelijk jaren vanwege de reisbeperkingen door corona en door gedragingen van haar ex-partner. Toen zij haar ex-partner gevonden had, heeft hij namelijk de paspoorten van haar en de kinderen ingenomen omdat hij niet wilde dat zij met de oudste kinderen weer terug naar Nederland zou gaan. Uiteindelijk heeft verzoekster geld gespaard, haar paspoorten gepakt en is zij met de kinderen bij een vriendin in [land 2] gaan wonen waar zij heeft gewerkt in een winkelcentrum in de schoonmaak.
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Verzoekster is op 20 juni 2025 teruggekomen naar Nederland en heeft zich op 24 juni 2025 gemeld bij het Daklozenloket in [plaats 1] met het verzoek om toekenning van de maatwerkvoorziening maatschappelijke opvang. De casemanager Daklozenloket heeft ter plekke en in samenspraak met verzoekster een onderzoek ingesteld naar de behoefte van verzoekster aan opvang. Hiertoe heeft de casemanager een Wmo-advies opgesteld, waaruit blijkt dat verzoekster heeft aangegeven zich opnieuw te willen vestigen in Nederland met haar vier kinderen [kind 1] van 20 jaar, [kind 2] van 17 jaar, [kind 3] van 11 jaar en [kind 4] van 9 jaar. Verzoekster zoekt een huis of plek om te slapen met haar kinderen, maar zij kan geen plek vinden. Zij heeft gespaard voor de reis naar Nederland en heeft nog maar € 200,-.
3.1.
Bij primair besluit heeft verweerder gesteld dat verzoekster geen ingezetene is van Nederland en op grond daarvan reeds geen recht heeft op een voorziening vanuit de Wmo. Ten aanzien van de stelling van verzoekster, dat zij uit veiligheidsoverweging is gevlucht uit [land 1] vanwege haar ex-partner, heeft verweerder overwogen dat zij het afgelopen jaar heeft gewoond en gewerkt in een ander land dan waar haar ex-partner zou verblijven. Verweerder stelt voorts het belang van de kinderen van verzoekster nadrukkelijk te hebben meegewogen, maar dat dit belang niet zwaarder weegt dan het feit dat verzoekster als niet-ingezetene van Nederland geen recht heeft op opvang. Dat de kinderen jarenlang in de opvang moeten wonen zonder zicht op uitstroom naar een woning heeft verweerder evenmin in het belang van de kinderen geacht. Terugkeren naar het land waar eiseres de afgelopen jaren heeft gewoond, acht verweerder daarentegen wel in het belang van de kinderen. Daar is sprake van een netwerk, ze spreken de taal en daar was huisvesting. Voorts heeft verweerder gesteld dat er bij verzoekster sprake is van voldoende eigen kracht. Verzoekster is van [land 1] verhuisd naar [land 2] en heeft daar werk kunnen vinden. Haar paspoort laat bovendien zien dat zij het laatste jaar veel heeft gereisd tussen [land 2] en [land 1] . Weliswaar is verder geen sprake van een sociaal netwerk in Nederland, maar dit heeft verzoekster wel in [land 2] en [land 1] . Wat stelt verzoekster?
4. Na aankomst in Nederland heeft verzoekster kort in [plaats 2] kunnen verblijven en inmiddels heeft zij in [plaats 3] een briefadres en een uitkering. Zij logeren daar bij iemand die zij via-via hebben ontmoet, maar die wil dat ze per 1 oktober aanstaande vertrekt. Het zou een studentenkamer betreffen en de situatie, dat verzoekster met haar vier kinderen daar verblijft, zou onhoudbaar zijn. Door het gebrek aan een vast adres gaan de kinderen ook niet naar school. Voor hun vertrek naar het buitenland volgden [kind 1] en [kind 2] speciaal onderwijs. [kind 3] heeft een taalachterstand. Om hun leven en schoolcarrière te kunnen voortzetten in Nederland is vastigheid nodig. Het bezwaar heeft verzoekster niet tijdig ingediend, maar verzoekster meent dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Zij kon het besluit niet lezen of begrijpen doordat ze een dichte envelop heeft gekregen zonder uitleg of tolk. Verzoekster heeft beperkte taalbeheersing van het Nederlands. Via een stichting is zij uiteindelijk doorverwezen naar haar gemachtigde. Onder deze omstandigheden kan – ook in het licht van de recente jurisprudentie – de termijnoverschrijding niet voor rekening van verzoekster komen. Volgens verzoekster heeft verweerder onvoldoende onderzoek gedaan naar de behoefte aan maatschappelijke opvang en is dit in strijd met artikel 2.3.2 van de Wmo 2015 en artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De casemanager heeft zonder tolk en in het bijzijn van haar kinderen gesproken met verzoekster, dan is er geen sprake van deugdelijk onderzoek. Volgens verzoekster is er te beperkt gekeken door verweerder naar haar situatie. Daarnaast is er volgens verzoekster sprake van strijdigheid met artikel 3 van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK). Er is in het geheel geen onderzoek gedaan naar de belangen van de kinderen, er is niet gekeken naar de effecten van dakloosheid, hun behoeftes en ontwikkeling, en wat de situatie van de afgelopen jaren met verzoekster doet en haar draagkracht en beschikbaarheid voor haar kinderen en evenmin is er een deskundige ingeschakeld. Verweerder moet zich ervan vergewissen dat het gezin niet in een noodsituatie komt door haar besluit en voorkomen dat een kind acuut dakloos wordt, wat nu wel gebeurt. Door te stellen dat verzoekster met haar kinderen maar terug moet naar [land 2] miskent verweerder dat alle familieleden de Nederlandse nationaliteit hebben, de voorgeschiedenis van verzoekster en dat zij inmiddels ingezetene zijn van Nederland.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
5. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Spoedeisend belang
6. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Ter zitting hebben partijen te kennen gegeven dat het niet in geschil is dat hiervan sprake is, gelet op de brief in het dossier waaruit blijkt dat verzoekster en haar kinderen op 1 oktober aanstaande de tijdelijke verblijfplaats dienen te verlaten. Nu dit door verweerder niet wordt betwist zal de voorzieningenrechter uitgaan van een spoedeisend belang van verzoekster.
Voorlopig rechtmatigheidsoordeel
7. De voorzieningenrechter beoordeelt voorts bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft.
Verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding
8. De voorzieningenrechter ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding, nu het bezwaar ruim drie weken te laat is ingediend. Hierbij betrekt zij de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (Cbb) van 30 januari 2024.
8.1.
Op grond van artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Het gaat hierbij om een gebonden bevoegdheid waarbij geen ruimte is voor een belangenafweging. In het geval van een termijnoverschrijding gaat het om de vraag of redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Dat betekent in dit geval dat eerst beoordeeld moet worden of het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift aan verzoekster kan worden toegerekend. Indien dit niet het geval is, moet worden beoordeeld of het bezwaarschrift is ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs kon worden verlangd. Is dat het geval is de termijnoverschrijding verschoonbaar.
8.2.
Niet in geschil is dat het besluit aan verzoekster is uitgereikt door haar een gesloten enveloppe te overhandigen met daarin het primaire besluit. Verweerder stelt dat bij die overhandiging een toelichting is gegeven, maar zonder tolk. Verweerder stelt dat toen de toelichting werd gegeven niet de indruk is ontstaan dat verzoekster het niet begreep.
8.3.
Ter zitting heeft verzoekster verklaard analfabeet te zijn en een beetje Nederlands te verstaan. Zij verkeerde na het overhandigen van de enveloppe met het primaire besluit in de overtuiging dat haar procedure in [plaats 1] klaar was, en dat zij daartegen niks meer kon doen. Zij voelde zich hopeloos en heeft bij kennissen navraag gedaan wat te doen. Zij is toen opgevangen in [plaats 3] . Via de [stichting] is zij uiteindelijk op 5 september 2025 bij haar gemachtigde uitgekomen, die gelijk bezwaar heeft ingesteld.
8.4.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kan onder deze omstandigheden de termijnoverschrijding niet aan verzoekster worden tegengeworpen. Verzoekster werd niet bijgestaan door een gemachtigde en door een besluit uit te reiken zonder een tolk, terwijl verzoekster de Nederlandse taal onvoldoende machtig is, kan niet worden vastgesteld of verzoekster ook daadwerkelijk heeft begrepen wat de (gestelde) uitleg van verweerder bij de briefoverhandiging betekende. Gelet op alle omstandigheden wordt de termijnoverschrijding door de voorzieningenrechter dan ook verschoonbaar geacht. Hierbij speelt ook mee dat het aannemelijk is dat verzoekster onbekend was met de te nemen (juridische) route na de afwijzing van haar aanvraag en dat vaststaat dat verzoekster zo spoedig mogelijk als redelijkerwijs kon worden verlangd alsnog in bezwaar is gegaan.
Afwijzing aanvraag opvang
9. Op grond van artikel 1.2.1, aanhef en onder c van de Wmo 2015 komt een ingezetene van Nederland overeenkomstig de bepalingen van deze wet in aanmerking voor een maatwerkvoorziening, bestaande uit opvang, te verstrekken door het college van de gemeente tot welke hij zich wendt, indien hij de thuissituatie heeft verlaten in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, en niet in staat is zich op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te handhaven in de samenleving.
10. Op grond van artikel 2.3.5, eerste lid onder b van de Wmo 2015 beslist het college op een aanvraag van een ingezetene van Nederland om een maatwerkvoorziening ten behoeve van opvang en beschermd wonen.
11. Tussen partijen is het niet in geschil dat verzoekster alsmede haar kinderen de Nederlandse nationaliteit heeft.
11. Volgens de Memorie van Toelichting (MvT) bij de Wmo 2015 kan, naast de situatie van dreiging van huiselijk geweld, ook maatschappelijke opvang plaatsvinden in het geval van dak- en thuislozen: mensen die geen huis meer hebben en niet in staat zijn zich op eigen kracht te redden. Zij kunnen tijdelijk worden opgevangen door de gemeente en ondersteuning ontvangen om hun leven weer zo goed mogelijk op de rails te krijgen. Uit de MvT blijkt ook dat slechts wanneer wordt vastgesteld dat iemand (blijvend of tijdelijk) niet in staat is zich op eigen kracht in de samenleving te handhaven, er aanleiding is voor de gemeente om die persoon te ondersteunen. Uitgangspunt is dat mensen in de eerste plaats zelf verantwoordelijk zijn voor hun leven en dus ook voor hun zelfredzaamheid en participatie.
13. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het bezwaar van verzoekster een redelijke kans van slagen. Kijkend naar het primaire besluit is deze immers gestoeld op een onjuiste grondslag. Inmiddels zijn verzoekster alsmede de kinderen ingezetene van Nederland en zoals verweerder ter zitting heeft bevestigd, zijn de belangen van de minderjarige kinderen niet goed meegewogen bij de beoordeling. De stelling dat de kinderen van verzoekster beter af zouden zijn in [land 2] dan in de opvang in Nederland kan geen stand houden. Verweerder heeft onvoldoende onderzoek gedaan, naar bijvoorbeeld de zelfredzaamheid van verzoekster maar ook naar het belang van de minderjarige kinderen bij opvang en scholing.
14. Nu verweerder uitgaat van de spoedeisendheid, het bezwaar kans van slagen heeft en verzoekster met haar kinderen vanaf 1 oktober 2025 op straat staat, treft de voorzieningenrechter de voorziening dat verweerder opvang dient te verstrekken aan verzoekster en de kinderen tot zes weken na beslissing op bezwaar met het oog op de minderjarige kinderen. Verweerder zal nader onderzoek dienen te verrichten naar de situatie van verzoekster en naar de belangen van de kinderen. Van belang hierbij is tevens dat verzoekster op 5 september 2025 een nieuwe melding heeft gedaan, waarbij ook een verzoek is gedaan tot het treffen van een tijdelijke maatwerkvoorziening. Op 3 oktober 2025 staat in het kader van de nieuwe melding een intakegesprek gepland. Op de spoedaanvraag tot tijdelijke maatwerkvoorziening is nog niet beslist.
15. Het tweede verzoek (zaaknummer 25/6150) is formeel connex aan een beroep niet tijdig beslissen. Ook hierbij vraagt verzoekster de voorzieningenrechter te bepalen dat zij toegelaten wordt tot de opvang. Gelet op het hiervoor overwogene, zal dit verzoek worden afgewezen vanwege het ontbreken van belang nu reeds is beslist dat verzoekster bij wijze van voorlopige voorziening dient te worden toegelaten tot opvang.
Conclusie en gevolgen
16. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet verweerder het griffierecht aan verzoekster vergoeden. Ook krijgt verzoekster een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 907,-. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. De vergoeding bedraagt in totaal € 1.814,-.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening met zaaknummer 25/5827 toe;
- treft de voorlopige voorziening dat verweerder verzoekster alsmede haar kinderen tot zes weken na beslissing op bezwaar dient op te vangen; - bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 53,- aan verzoekster moet vergoeden;- veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten van € 1.814,-;
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening in zaaknummer 25/6150 af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C. Bannink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.P.A. Stok, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitspraak van het Cbb van 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31.
Kamerstuk 33841, nr. 3, pagina 40 – 41. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|