|
|
|
| ECLI:NL:RBDHA:2026:9365 | | | | | Datum uitspraak | : | 16-02-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 24-04-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Den Haag | | Zaaknummers | : | 25/9393 | | Rechtsgebied | : | Socialezekerheidsrecht | | Indicatie | : | Vovo afgewezen. Pw. Afwijzing aanvraag daklozenuitkering. Verzoeker heeft onvoldoende controleerbare gegevens verstrekt over zijn feitelijke verblijfplaats. | | Trefwoorden | : | bijstandsuitkering | | | | Uitspraak | RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/9393
uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 februari 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. F. van den Berg),
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college
(gemachtigde: mr. P. Siemerink).
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoeker om een bijstandsuitkering. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoeker.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Verzoeker heeft op 13 oktober 2025 een aanvraag ingediend voor een bijstandsuitkering voor daklozen op grond van de Participatiewet (Pw). Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 17 december 2025 afgewezen omdat verzoeker geen volledige inlichtingen heeft gegeven. Hierdoor kan het college het recht op bijstand niet vaststellen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 2 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Spoedeisend belang
3. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening wordt alleen getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op het ingediende bezwaar- of beroepschrift.
3.1.
Verzoeker voert aan dat hij in een uiterst kwetsbare sociaal-medische en financiële situatie verkeert. Hij heeft sinds oktober 2024 geen inkomen meer. Hij is feitelijk dakloos en verblijft wisselend bij familie en vrienden. Daarnaast heeft hij ernstige medische problemen, onder andere aan zijn hart en gebit, terwijl hij geen geldige zorgverzekering heeft.
3.2.
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is aannemelijk dat er sprake is van een acute financiële noodsituatie, nu verzoeker op dit moment geen bijstand ontvangt en vermoedelijk ook geen andere bron van inkomsten heeft. Onder deze omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat er aanleiding bestaat om uit te gaan van een spoedeisend belang.
Inhoudelijke beoordeling
4. Verzoeker voert aan dat hij de inlichtingen- of medewerkingsverplichting niet heeft geschonden. Hij heeft alle relevante feiten gemeld. Voor zover het college stelt dat er bewijsstukken ontbreken, gaat het om informatie waar verzoeker niet redelijkerwijs over kan beschikken. Zelfverklaringen volstaan bij daklozen; het is in dat geval aan het college om nader onderzoek te verrichten. Het afwijzen van een aanvraag is alleen gerechtvaardigd indien daardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen. Daar komt bij dat het college niet concreet heeft aangegeven welke gegevens missen en dat verzoeker niet in de gelegenheid is gesteld om de vermeende onvolledigheden te herstellen. Ook heeft het college nagelaten een belangenafweging te verrichten, terwijl bij kwetsbare aanvragers zoals daklozen het college verplicht is om maatwerk te leveren.
4.1.
Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
4.2.
De te beoordelen periode loopt van 13 oktober 2025 (datum aanvraag) tot en met 17 december 2025 (datum afwijzingsbesluit).
4.3.
Iemand die bijstand aanvraagt moet aannemelijk maken dat hij recht heeft op bijstand. De bewijslast van de bijstandbehoevendheid rust dus in beginsel op de aanvrager. Een aanvrager moet daarom feiten en omstandigheden aannemelijk maken die duidelijkheid geven over onder meer zijn woon- en leefsituatie.
4.4.
Volgens vaste rechtspraak kan ook van iemand die stelt dak- of thuisloos te zijn worden gevergd dat hij controleerbare gegevens verstrekt over zijn feitelijke verblijfplaats. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de aanvrager niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
4.5.
Verzoeker ontving laatstelijk vanaf 20 juli 2020 een daklozenuitkering. Het college heeft de bijstandsuitkering van verzoeker met ingang van 1 oktober 2024 ingetrokken omdat verzoeker zijn hoofdverblijf niet binnen de gemeente Den Haag heeft. Hierna heeft verzoeker meerdere aanvragen om een bijstandsuitkering voor daklozen ingediend, welke zijn afgewezen door het college. Verzoeker heeft bij zijn aanvraag van 13 oktober 2025 op het aanvraagformulier aangegeven dat hij door vrienden en familie wordt voorzien van eten, drinken en een slaapplek. Hij verblijft hoofdzakelijk in Den Haag en zelden in Etten-Leur en Baarle-Nassau. Verzoeker heeft bij de aanvraag een lijst met slaapadressen overgelegd.
4.6.
De voorzieningenrechter is voorshands met het college van oordeel dat verzoeker onvoldoende controleerbare gegevens met betrekking tot zijn verblijfplaats(en) heeft verstrekt. Op basis van de door verzoeker aangeleverde informatie is namelijk niet vast te stellen waar verzoeker zijn hoofdverblijf heeft. De slaapadressen die verzoeker heeft overgelegd zijn onvolledig en niet controleerbaar. Hierdoor kan het college de inlichtingen niet op juistheid en volledigheid controleren. Ook op grond van de door verzoeker overgelegde bankafschriften is niet vast te stellen dat het zwaartepunt van het persoonlijk leven van verzoeker in Den Haag is. Controleerbare gegevens over de feitelijke woon- en verblijfplaats kunnen van essentieel belang zijn voor de beantwoording van de vraag of iemand recht heeft op bijstand. Ter zitting is gebleken dat verzoeker op 9 januari 2026 een nieuwe aanvraag heeft ingediend. Verzoeker is uitgenodigd voor een intakegesprek op 11 februari 2026. Verzoeker wordt dus nogmaals in de gelegenheid gesteld om met objectieve en verifieerbare gegevens zijn hoofdverblijf aannemelijk te maken.
4.7.
Gelet op het voorgaande heeft het college, naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, de aanvraag om een bijstandsuitkering van verzoeker kunnen afwijzen. Onder die omstandigheid ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.
Conclusie en gevolgen
5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Voor een vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F. Leichel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 3 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3896 en van 29 november 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2555. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|