Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBDHA:2026:9378 
 
Datum uitspraak:17-02-2026
Datum gepubliceerd:24-04-2026
Instantie:Rechtbank Den Haag
Zaaknummers:22/6564
Rechtsgebied:Socialezekerheidsrecht
Indicatie:Bruteringsbesluit Tozo. Art. 8:57 van de Awb. Art. 58, vijfde lid, van de Awb. Bij gebruikmaking van de bevoegdheid tot brutering is van belang hoe de vordering is ontstraan. Vordering vloeit voort uit schending van de inlichtingenplicht. Beroep ongegrond.
Trefwoorden:levensonderhoud
loonbelasting
uitkering
 
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 22/6564

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 februari 2026 in de zaak tussen



[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en



het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college
(gemachtigde: J. Ameziane).




Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het bruteringsbesluit van de terugvordering van de uitkering op grond van de Tijdelijke overbruggingsregelingen zelfstandige ondernemers (Tozo).


1.1.
Bij primair besluit van 7 juli 2022 is aan eiser een bruteringsbesluit gestuurd. Met het besluit van 26 september 2022 (bestreden besluit 1) is het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard en is het college bij het primaire besluit gebleven.



1.2.
Het college heeft bestreden besluit 1 herzien met het besluit van 30 januari 2023 (bestreden besluit 2). Hiermee heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en voor het overige het bestreden besluit gehandhaafd.



1.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



1.4.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.




Totstandkoming van het besluit

2. Met het primaire besluit is aan eiser kenbaar gemaakt dat op 19 mei 2022 een brief is gestuurd waarin staat hoeveel Tozo-uitkering eiser teveel heeft ontvangen en dat deze schuld wordt gebruteerd. Het totale bedrag wat eiser verschuldigd is aan het college komt hiermee op € 17.284,62 en heeft betrekking op Tozo1, Tozo2, Tozo4 en Tozo5. Eiser is tegen het primaire besluit in bezwaar gegaan. Het college heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard met bestreden besluit 1 omdat het te laat was ingediend. Hangende de beroepsprocedure heeft het college het bestreden besluit gewijzigd, omdat niet aangetoond kon worden dat eiser ook daadwerkelijk het primaire besluit heeft ontvangen. Daarom is het bezwaarschrift van eiser alsnog inhoudelijk beoordeeld. Het bezwaar is ongegrond verklaard en de brutering van de schuld van eiser blijft gehandhaafd. Met het besluit van 19 mei 2022 heeft het college reeds bepaald dat Tozo1, Tozo2, Tozo4 en Tozo5 moeten worden terugbetaald door eiser omdat hij niet behoort tot de kring der rechthebbenden en de inlichtingenplicht heeft geschonden. Tegen dit besluit heeft eiser geen rechtsmiddelen ingesteld en dit staat derhalve in rechte vast. Volgens het college is er geen aanleiding van de brutering af te zien. Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van het bruteringsbesluit. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
Wat vindt eiser?
4. Eiser is het niet eens met bestreden besluit 1. Hij heeft het primaire besluit niet ontvangen waardoor hij niet tijdig bezwaar heeft kunnen maken. Verder is eiser van mening dat hij recht had op de Tozo. Ondanks dat zijn stukken destijds incompleet waren heeft het college hem Tozo1 en Tozo2 toegekend. Eiser vindt dat het college onzorgvuldig is geweest en dat hij wordt benadeeld doordat zijn eerste aanvraag al foutief was behandeld. Eiser stelt via de rechtbank een rapportage van het college te hebben ontvangen dat er een onderzoek is gestart. In het kader van dit onderzoek is nooit met hem gecommuniceerd. Ook zijn er volgens eiser vanuit het college meerdere toezeggingen gedaan dat hij zou worden teruggebeld naar aanleiding van zijn vragen, wat nooit is gebeurd. Eiser heeft wel stukken ingediend en achteraf bleek steeds dat dit onvoldoende was volgens het college. Eiser is vervolgens zelf het overzicht kwijtgeraakt en heeft erop vertrouwd dat hij heeft voldaan aan de inlichtingen- en medewerkingsplicht. Volgens eiser was er geen sprake van een gezamenlijke huishouding omdat hij pas per 1 maart 2022 ingeschreven staat bij zijn partner. Daarvoor heeft hij de kosten van het huishouden niet gedeeld. Volgens eiser is het besluit in strijd met het evenredigheidsbeginsel, omdat het besluit hem en zijn gezin onnodig schaadt. Eiser stelt dat, doordat de Tozo destijds niet degelijk is getoetst, dit nu nadelige gevolgen voor hem heeft. Het doel van de Tozo was om ervoor te zorgen dat eiser kon voorzien in zijn levensonderhoud. Maar door de terugvordering komt hij verder in de schulden.

4.1.
Eiser heeft ten aanzien van bestreden besluit 2 aangegeven bij het college niet te willen worden gehoord, omdat er een procedure bij de rechtbank loopt. Hij staat sinds 15 mei 2018 ingeschreven bij de Kamer van Koophandel (KvK) en toen hij de Tozo ontving kreeg hij geen andere uitkering. Volgens eiser had van de brutering moeten worden afgezien nu het niet aan hem te wijten is dat er een schuld is ontstaan, omdat hij aan zijn verplichtingen heeft voldaan.


Wat oordeelt de rechtbank

5. De rechtbank stelt vast dat ter beoordeling enkel bestreden besluit 2 voor ligt. De intrekking en terugvordering staat namelijk in rechte vast, omdat eiser tegen dit besluit geen bezwaar heeft gemaakt. Wat eiser hierover heeft aangevoerd laat de rechtbank daarom verder onbesproken.
6. Het college kan op grond van artikel 58, vijfde lid, van de Participatiewet (Pw) de bijstand bruto, dus inclusief loonbelasting en premies volksverzekering, terugvorderen, omdat de bijstandverlenende instantie door tijdsverloop de al afgedragen loonbelasting en premies volksverzekering niet meer met de Belastingdienst kan verrekenen.

7. Het is vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) dat de bijstandverlenende instantie de in artikel 58, vijfde lid, tweede volzin, van de Pw neergelegde bevoegdheid tot bruto terugvordering niet mag gebruiken als een vordering is ontstaan mede of geheel door toedoen van de bijstandverlenende instantie én de betrokkene niet kan worden verweten dat hij de vordering niet al heeft voldaan in het kalenderjaar waarin deze is ontstaan. Bij het gebruikmaken van de bevoegdheid tot brutering is immers van belang hoe de vordering is ontstaan. Dat schending van de inlichtingenverplichting met zich meebrengt dat de vordering niet buiten toedoen van de betrokkene is ontstaan, betekent niet dat aan andere omstandigheden, waaronder de handelwijze van de bijstandverlenende instantie, geen betekenis toekomt.

8. Blijkens het dossier en het besluit van 19 mei 2022 behoort eiser niet tot de kring der rechthebbenden van de Tozo en heeft hij de inlichtingenplicht geschonden. Dit besluit van het college staat, zoals reeds eerder overwogen, in rechte vast.

9. Voor het oordeel dat de vordering mede of geheel is ontstaan door toedoen van de bijstandverlenende instantie ziet de rechtbank geen aanknopingspunten. Het dossier biedt geen grond voor het oordeel dat er sprake is van omstandigheden waaruit een verwijtbare handelswijze door het college blijkt. Hierdoor komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling of de betrokkene niet kan worden verweten dat hij de vordering niet al heeft voldaan in het kalenderjaar waarin deze is ontstaan.

10. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.



Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Wel krijgt eiser zijn griffierecht vergoed omdat het college het bestreden besluit hangende de beroepsprocedure heeft herzien. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten.

12. BeslissingDe rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond;- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 50,- aan eiser te vergoeden.



Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meessen, rechter, in aanwezigheid van mr.E.P.A. Stok, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2026.













griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Betrekking hebbende op de periodes 1 maart 2020 tot en met 31 mei 2020, 1 juni 2020 tot en met 30 september 2020, 1 april 2021 tot en met 30 juni 2021 en 1 juli 2021 tot en met 30 september 2021.


Zie de uitspraak van de CRvB van 7 juni 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1388.
Link naar deze uitspraak