|
|
|
| ECLI:NL:RBDHA:2026:9379 | | | | | Datum uitspraak | : | 09-02-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 24-04-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Den Haag | | Zaaknummers | : | 24/2746 | | Rechtsgebied | : | Socialezekerheidsrecht | | Indicatie | : | Pw. Intrekking en terugvordering AIO-aanvulling. Verblijf in het buitenland. Beroep ongegrond. | | Trefwoorden | : | aow | | | uitkering | | | | Uitspraak | RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/2746
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 februari 2026 in de zaak tussen
[eiseres], uit [woonplaats], eiseres
(gemachtigde: mr. J. Jansen),
en
de Sociale Verzekeringsbank (SVB), verweerder
([gemachtigde]).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de intrekking van de aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO)-aanvulling over drie perioden en de terugvordering daarvan.
1.1.
Bij besluit van 22 september 2023 (hierna: primair besluit 1) heeft verweerder - voor zover hier van belang - de AIO-aanvulling van eiseres en haar [partner] ingetrokken over de perioden van 9 december 2019 tot en met 13 december 2019, van 23 december 2021 tot en met 23 februari 2022 en van 7 december 2022 tot en met 6 februari 2023. Bij besluit van 24 oktober 2023 (hierna: primair besluit 2) heeft verweerder € 2.816,24 teruggevorderd.
1.2.
Met het bestreden besluit van 15 februari 2024 heeft verweerder het bedrag van de terugvordering verlaagd met de proceskostenvergoeding in bezwaar en is verder - voor zover hier van belang - bij de primaire besluiten gebleven.
1.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 17 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr M. Gadiot, kantoorgenote van de gemachtigde van eiseres, per videoverbinding, en de gemachtigde van verweerder.
Totstandkoming van het bestreden besluit
2. Sinds 28 december 2016 ontvangt de partner een AOW-uitkering en ontvangen eiseres en de partner in aanvulling hierop een AIO-aanvulling van de SVB. Op 19 december 2022 heeft eiseres de AOW-leeftijd bereikt.
2.1.
In het kader van een rechtmatigheidsonderzoek heeft verweerder het recht op de AIO-aanvulling van eiseres en de partner onderzocht, omdat zij in 2017-2021 per jaar dertig weken of langer buiten Nederland zijn verbleven. Op 23 maart 2023 hebben medewerkers van de SVB een huisbezoek afgelegd en op 30 maart 2023 heeft verweerder kopieën van de paspoorten ontvangen. Op 13 september 2023 heeft verweerder het onderzoek met een handhavingsrapportage afgesloten. Verweerder heeft zijn bestreden besluit gebaseerd op de onderzoeksresultaten, telefoonnotities van opgave van vakantie en de brieven die de SVB aan eiseres en/of de partner heeft gestuurd. Hieruit is onder meer het volgende gebleken:
- Op 24 november 2016 heeft de partner telefonisch gesproken met een SVB-medewerker. Volgens de telefoonnotitie is de partner in dat gesprek geïnformeerd dat hij 13 weken in het buitenland mag verblijven en eiseres, zijn jongere partner, 4 weken.
- Bij brief van 11 mei 2017 heeft de SVB aan de partner een brief gestuurd met als onderwerp “verblijf en vermogen buiten Nederland”. In deze brief staat dat de partner per kalenderjaar maximaal 13 weken buiten Nederland mag verblijven en dat voor de (zijn) partner die de AOW-leeftijd nog niet heeft bereikt (eiseres) geldt dat die maximaal 4 weken buiten Nederland mag verblijven. Ook staat in de brief dat elk verblijf voor vertrek moet worden doorgegeven. Dat kan digitaal of telefonisch. Als het verblijf langer is dan toegestaan dan eindigt de AIO-aanvulling.
Bij brief van 14 november 2017 heeft de SVB naar aanleiding van een telefonische opgave over verblijf in het buitenland, bericht dat de partner maximaal 13 weken buiten Nederland mag verblijven omdat hij de AOW-leeftijd heeft bereikt en dat voor eiseres, die de AOW-leeftijd nog niet heeft bereikt, een periode van maximaal 4 weken geldt. Ook staat in die brief met betrekking tot de vraag “wat als u toch langer buiten Nederland verblijft?” dat het recht op AIO-aanvulling stopt na het verstrijken van de periode van 13 weken (de partner) en dat het recht van eiseres stopt na een periode van 4 weken.
De partner had in 2017 opgegeven in het buitenland te zijn van 12 februari 2017 tot 12 maart 2017 en van 12 november 2017 tot en met 31 december 2017. Eiseres had in 2017 opgegeven van 12 november 2017 tot en met 9 december 2017 in het buitenland te zijn.
Bij brief van 18 december 2017 heeft de SVB dezelfde informatie over het verblijf buiten Nederland gegeven als bij brief van 14 november 2017.
Bij brief van 9 mei 2018 heeft de SVB aan de partner een brief gestuurd met - voor zover hier van belang - dezelfde tekst als in de brief van 11 mei 2017 staat.
Eiseres heeft op 12 oktober 2018 telefonisch aan een medewerker van de SVB opgave gedaan van haar verblijf buiten Nederland van 24 oktober 2018 tot en met 16 november 2018. Bij brief van 16 oktober 2018 heeft de SVB aan eiseres deze opgave bevestigd en bericht dat dit verblijf geen gevolgen heeft voor haar AIO-aanvulling en wanneer zij langer weg blijft, dit wel gevolgen kan hebben. Ook staat in de brief dat zij maximaal 13 weken buiten Nederland mag verblijven.
Bij brief van 9 mei 2019 heeft de SVB aan de partner een brief gestuurd met - voor zover hier van belang - over verblijf buiten Nederland vergelijkbare tekst als in de brieven van 11 mei 2017 en 9 mei 2018.
Op 21 augustus 2019 heeft de partner telefonisch aan een medewerker van de SVB opgave gedaan van zijn verblijf in [land] van 15 september 2019 tot 13 december 2019. Over deze periode heeft de SVB bij brief van 23 augustus 2019 bericht dat dit geen gevolgen heeft voor de AIO-aanvulling van de partner.
Op 29 oktober 2019 heeft eiseres telefonisch een SVB-medewerker geïnformeerd over haar vakantie in [land] van 19 november 2019 tot 13 december 2019. Deze opgave heeft de SVB bij brief van 31 oktober 2019 bevestigd en daarbij opgemerkt dat dit verblijf geen gevolgen heeft voor de AIO-aanvulling van eiseres. Ook staat in deze brief dat eiseres maximaal 4 weken per jaar buiten Nederland mag verblijven en dat haar recht op AIO-aanvulling eindigt als haar verblijf buiten Nederland in een kalenderjaar in totaal langer is dan 4 weken. Na het verstrijken van de periode van 4 weken stopt, zo staat in de brief, haar recht op AIO-aanvulling.
Uit de paspoortstempels blijkt - zo staat in de handhavingsrapportage - dat eiseres op 10 november 2019 is vertrokken en net als de partner op 13 december 2019 is teruggekeerd in Nederland.
- Bij brieven van 18 juni 2020 en 16 juni 2021 heeft de SVB aan de partner hetzelfde bericht gestuurd als de SVB heeft gedaan bij brief van 9 mei 2019. De strekking is hetzelfde als die van de brieven van 11 mei 2017 en 9 mei 2018.
Op 27 oktober 2021 heeft de partner een SVB-medewerker telefonisch geïnformeerd dat hij van 24 november 2021 tot 20 februari 2022 naar [land] zou gaan zonder eiseres. Bij brief van 29 oktober 2021 heeft de SVB deze opgave bevestigd en meegedeeld dat dit verblijf geen gevolgen heeft voor de AIO-uitkering.
Volgens paspoortstempel is eiseres van 24 november 2021 tot en met 23 februari 2022, de datum waarop zij met partner terugkeerde, in [land] geweest.
Op 17 oktober 2022 heeft eiseres een SVB-medewerker telefonisch geïnformeerd dat zij en de partner van 28 november 2022 tot en met 23 december 2022 naar [land] gaan. Bij brief van 19 oktober 2022 heeft de SVB deze opgave aan eiseres en de partner bevestigd en daarbij opgemerkt dat dit verblijf buiten Nederland geen gevolgen heeft voor de AIO-uitkering. In deze brief staat verder dat de partner 13 weken en eiseres maximaal 4 weken buiten Nederland met behoud van AIO-aanvulling mag verblijven.
Volgens paspoortstempel is eiseres van 8 november 2022 tot en met 6 februari 2023 in [land] verbleven. Net als de partner, zo staat in het handhavingsrapport.
2.2.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres gedurende de in 1.1 genoemde drie perioden langer in het buitenland heeft verbleven dan opgegeven en dan is toegestaan. Omdat de toegestane jaarlijkse periode van 4 weken telkens is overschreden heeft eiseres in de genoemde perioden op grond van artikel 13 van de Participatiewet (Pw) geen recht op AIO-aanvulling en heeft verweerder de AIO-uitkeringen over die perioden ingetrokken. Verweerder is overgegaan tot terugvordering op grond van artikel 54, derde lid, van de Pw omdat eiseres met betrekking tot de drie perioden telkens de inlichtingenplicht van artikel 17, eerste lid, van de Pw heeft geschonden door op de geven dat zij niet langer dan 4 weken in het buitenland zou verblijven maar in werkelijkheid langer in het buitenland was.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt de intrekkingen en terugvorderingen van de AIO-aanvulling. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden.
Wat vindt eiseres?
4. Volgens eiseres zijn de intrekkingen en terugvorderingen onterecht omdat zij niet langer dan 13 weken in het buitenland heeft verbleven. Op basis van de brief 16 oktober 2018 is zij ervan uitgegaan dat zij 13 weken in het buitenland mocht verblijven. Zij stelt dat zij de brieven van 9 mei 2019 en 31 oktober 2019 nooit heeft ontvangen. Over de vakanties stelt eiseres dat zij altijd heeft gebeld met verweerder voor toestemming. Dat dit niet is vermeld in het systeem van verweerder is een fout van SVB-medewerkers. In 2019 is zij met telefonische toestemming van een SVB-medewerker eerder naar het buitenland vertrokken. Zij is vervolgens vijf dagen te lang in het buitenland gebleven als gevolg van vluchtvertraging, wat eiseres ook aan een medewerker van de SVB heeft doorgegeven. In 2021/2022 heeft eiseres ook gebeld met verweerder om haar vakantie door te geven. Zij is in die periode in het ziekenhuis beland met corona en heeft daarna moeten herstellen. Ook is de vakantie in 2022/2023 telefonisch doorgegeven en heeft de SVB akkoord gegeven. Op 22 september 2022 heeft de SVB een brief gestuurd naar eiseres dat zij vanaf 19 december 2022 AOW krijgt en dus officieel ook recht heeft op 13 weken vakantie. De situatie is mentaal zwaar voor eiseres. Zij stelt te worden behandeld door een psycholoog en binnenkort een psychiater te zullen bezoeken.
Toetsingskader
5. De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.
Omvang van het geding
6. Het bestreden besluit is gericht aan zowel eiseres als partner. Het beroep is ingesteld namens eiseres en de gronden richten zich tegen de intrekkingen en terugvorderingen over de onder 1.1. genoemde perioden.
7. Het besluit tot intrekking en terugvordering is een belastend besluit, waarbij het aan verweerder is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat in dit geval aan de voorwaarden voor intrekking en terugvordering is voldaan in beginsel op verweerder rust.
8. Partijen verschillen van mening over de vraag hoe lang eiseres in het buitenland mocht verblijven met behoud van haar AIO-uitkering. Eiseres beroept zich op de brief van de SVB van 16 oktober 2018 en op de omstandigheid dat zij vanaf 19 december 2022 AOW-gerechtigd is.
9. Eiseres heeft totdat zij de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e en vierde lid, van de Pw geen recht op de AIO-aanvulling als zij langer dan vier weken (tot de pensioengerechtigde leeftijd). Vanaf de pensioengerechtigde leeftijd geldt een periode van 13 weken.
10. Niet kan worden ontkend dat in de brief van 16 oktober 2018, gericht aan eiseres, staat dat zij recht heeft op 13 weken verblijf buiten Nederland. Dit is onjuiste informatie. Naar het oordeel van de rechtbank moet dit voor eiseres ook duidelijk zijn geweest, zelfs als zij de brieven van 9 mei 2019 en 31 oktober 2019 niet zou hebben ontvangen. Hiertoe overweegt de rechtbank het volgende.
10.1.
Uit brieven van de SVB die voorafgaand aan 16 oktober 2018 en na die datum zijn gestuurd (zie onder 2) blijkt dat onderscheid wordt gemaakt tussen personen die AOW-gerechtigd zijn, zoals de partner, en personen die nog niet de AOW-gerechtigde leeftijd hebben gereikt, zoals eiseres. De AOW-gerechtigden hebben recht op 13 weken verblijf buiten Nederland, de niet-AOW-gerechtigden op 4 weken.
10.2.
De eigen opgave van eiseres en de partner van hun verblijf in het buitenland was voor en na de brief van 16 oktober 2018 tot 2023 zo, dat de partner de enige was die wel langer dan 4 weken in het buitenland verbleef en dat eiseres nimmer opgaf langer dan 4 weken in het buitenland te verblijven. De eigen opgave was dan ook geheel in lijn met het recht.
10.3.
Gelet op het hiervoor overwogene, gold voor eiseres een vakantieperiode van maximaal vier weken in het buitenland totdat zij op 19 december 2022 de AOW-gerechtigde leeftijd bereikte en moet er ook van uit worden gegaan dat dit bekend was bij eiseres. Zij heeft weliswaar op 19 december 2022 de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt, maar dit betekent niet dat zij hieraan voorafgaand langer dan vier weken in het buitenland mocht verblijven. Deze grond slaagt dus niet.
11. Niet in geschil is dat eiseres in 2019, 2021/2022 en 2022/2023 telkens langer dan 4 weken in het buitenland was. Voor wat betreft haar verblijf in het buitenland in 2022/2023 is van belang dat eiseres nog voordat zij de AOW-gerechtigde leeftijd bereikte, langer dan 4 weken in het buitenland was. Voor zover zij langer dan 4 weken in het buitenland was, bestaat geen recht op AIO-aanvulling.
11.1.
Aan de orde is vervolgens de vraag of eiseres de inlichtingenplicht heeft geschonden. Als eiseres een verblijf in het buitenland niet (volledig) bij verweerder meldt, terwijl daar wel (of voor een andere periode) sprake van is, is sprake van schending van de inlichtingenplicht.
12. Dat de vakanties gemeld moesten worden was eiseres bekend. Eiseres stelt dat zij de vakanties steeds heeft gemeld en met goedkeuring van verweerder (langer) in het buitenland was. Hierover overweegt de rechtbank het volgende.
Periode 2019
12.1.
Eiseres heeft volgens de telefoonnotitie van een SVB-medewerker op 29 oktober 2019 opgave gedaan van haar verblijf buiten Nederland van 19 november 2019 tot 13 december 2019. Al op 31 oktober 2019 is deze opgave schriftelijk bevestigd door de SVB. Bij de SVB is geen nader contact genoteerd. De rechtbank acht in het licht van de telefoonnotitie en de brief van 31 oktober 2019 niet aannemelijk gemaakt dat eiseres telefonisch heeft doorgegeven dat zij 10 dagen eerder is vertrokken. Dit betekent dat zij haar inlichtingenplicht heeft geschonden.
Periode 2021/2022
12.2.
Volgens de telefoonnotitie van een SVB-medewerker heeft de partner op 27 oktober 2021 gemeld dat hij van 24 november 2021 tot 20 februari 2022 naar [land] zou gaan zonder eiseres. Deze informatie is door de SVB schriftelijk bevestigd bij brief van 29 oktober 2021. Hierover is geen nader contact bekend bij de SVB. Dat eiseres zou hebben gebeld om door te geven dat zij ook naar het buitenland ging, heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt. Dit betekent dat zij haar verblijf in het buitenland niet heeft gemeld en daarmee de inlichtingenplicht heeft geschonden.
12.3.
Met betrekking tot specifiek de periode van 23 december 2021 tot en met 23 februari 2022 heeft eiseres aangevoerd dat zij langer in het buitenland is gebleven vanwege een ziekenhuisopname. Eiseres heeft aangevoerd dat sprake is van zeer dringende redenen die noodzaken tot bijstandsverlening omdat zij onvoldoende was hersteld na de ziekenhuisopname om terug te vliegen. Verweerder is op deze grond ingegaan in zijn bestreden besluit.
12.4.
Verweerder heeft in het bestreden besluit als toegestane periode van 4 weken aangemerkt de periode van 24 november 2021 (vertrek naar [land]) tot 23 december 2021 (4 weken later). Verweerder heeft overwogen dat eiseres was opgenomen in het ziekenhuis tot en met 7 december 2021 en tot 12 december 2021 in isolatie moest blijven. Dat zij niet in staat was terug te vliegen per 23 december 2021 is niet aannemelijk geworden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee het betoog van eiseres overtuigend weerlegd. Deze grond slaagt daarom niet.
Periode 2022/2023
12.5.
Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij heeft gebeld om te melden dat zij eerder en langer naar het buitenland zou gaan dan in de telefoonnotitie van een SVB-medewerker van 17 oktober 2022 staat en schriftelijk door de SVB is bevestigd bij brief van 19 oktober 2022. Naar het oordeel van de rechtbank staat derhalve ook voor deze periode de schending van de inlichtingenplicht vast.
13. Eiseres heeft tot slot weliswaar aangevoerd dat zij het psychisch zwaar heeft naar aanleiding van het bestreden besluit van verweerder, maar heeft dit op geen enkele wijze nader onderbouwd met bijvoorbeeld stukken van de psycholoog. Dat sprake zou zijn van dringende redenen die nopen tot het afzien van de terugvordering is niet aannemelijk gemaakt.
Conclusie en gevolgen
12. Verweerder heeft aannemelijk gemaakt dat is voldaan aan de voorwaarden voor intrekking en terugvordering. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Paridon, rechter, in aanwezigheid van mr.E.P.A. Stok, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Participatiewet
Artikel 13, eerste lid, sub e en vierde lid
1. Geen recht op bijstand heeft degene:
e. die per kalenderjaar langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland dan wel een aaneengesloten periode van langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland.
4. In afwijking van het eerste lid, onderdeel e, geldt voor personen die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt, een periode van dertien weken.
Artikel 16, eerste lid
Aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, kan het college, gelet op alle omstandigheden, in afwijking van deze paragraaf, bijstand verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken.
Artikel 17, eerste lid
De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.
Artikel 47g, eerste lid
De Sociale verzekeringsbank legt een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid. Indien de feiten en omstandigheden, bedoeld in artikel 17, eerste lid, niet of niet behoorlijk zijn medegedeeld en deze overtreding opzettelijk is begaan, bedraagt de bestuurlijke boete ten hoogste het bedrag van de vijfde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht. Indien de feiten en omstandigheden, bedoeld in artikel 17, eerste lid, niet of niet behoorlijk zijn medegedeeld en deze overtreding niet opzettelijk is begaan, bedraagt de bestuurlijke boete ten hoogste het bedrag van de derde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 54, derde lid
Het college herziet een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.
Artikel 58, eerste lid
Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend vordert de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
Artikel 58, achtste lid Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Artikel 17, eerste lid, van de Pw. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|