|
|
|
| ECLI:NL:RBNHO:2026:1810 | | | | | Datum uitspraak | : | 25-02-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 24-04-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Noord-Holland | | Zaaknummers | : | C/15/363323 / HA ZA 25-15 C/15/363323 / HA ZA 25-15 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Eisers vorderen veroordeling van Liander om een gasleiding uit hun tuin te verwijderen. De gasleiding is eigendom van Liander en loopt naar de woning van de buurman van eisers. De vordering wordt afgewezen omdat de gasleiding in 1976 bevoegd is aangelegd en eisers de gasleiding op grond van de toepasselijke algemene voorwaarden moeten dulden. Geen onredelijk beding in de zin van de Richtlijn. Contractueel ligrecht. Geen opstalrecht. Verjaring van de vordering tot vernietiging van de algemene voorwaarden. | | Trefwoorden | : | burgerlijk wetboek | | | perceel | | | wettelijke rente | | | | Uitspraak | RECHTBANK Noord-Holland
Civiel recht
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: C/15/363323 / HA ZA 25-151
Vonnis van 25 februari 2026
in de zaak van
1 [eiser] ,
2. [eiseres],
beiden wonend te [woonplaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
advocaat: mr. T.H. Liebregts,
tegen
LIANDER N.V.,
gevestigd te Arnhem,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Liander,
advocaat: mr. R.L. Fabritius.
De zaak in het kort
[eisers] willen dat Liander een gasleiding uit hun tuin verwijdert, zodat zij hun woning kunnen uitbouwen. De gasleiding is eigendom van Liander en deze loopt naar de woning van de buurman van [eisers] . De vordering wordt afgewezen omdat de gasleiding in 1976 bevoegd is aangelegd en [eisers] de gasleiding op grond van de toepasselijke algemene voorwaarden van Liander moeten dulden.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 14 maart 2025, met 19 producties,
- de conclusie van antwoord, met 3 producties,
- het tussenvonnis van 21 mei 2025
- de mondelinge behandeling van 5 november 2025, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
[eisers] wonen in een hoekwoning aan de [adres 1] te [woonplaats] . Vanaf 1991 huurden zij deze woning. In 2010 hebben [eisers] de woning gekocht en geleverd gekregen. Het perceel van [eisers] grenst aan de zijkant aan het perceel [adres 2] . Van 1992 tot 2004 huurden [eisers] het pand aan de [adres 2] , waar zij een bloemenzaak hadden.
2.2.
Tussen [eisers] en Liander is een zogenoemde aansluit- en transport-overeenkomst (verder: ATO) gesloten op grond waarvan Liander gas levert aan [eisers] op het adres [adres 1] . Liander maakt daarbij gebruik van de Algemene Voorwaarden voor aansluiting en transport elektriciteit en gas voor kleinverbruikers (versie 2013). Hierin is het volgende, voor zover hier van belang, bepaald:
“Artikel 6 Rechten met betrekking tot het perceel
6.1
De contractant zal zowel voor hemzelf als ten behoeve van derden in, aan, op, onder of boven het perceel gelegde gedeelte van het (gastransport)net, tot stand gebrachte aansluitingen, gemaakte aftakkingen op reeds bestaande aansluitingen en geplaatste meetinrichtingen blijvend gedogen en (…) toestaan dat (gastransport)net, aansluitingen en aftakkingen, en meetinrichtingen worden in stand gehouden, uitgebreid, gewijzigd, vervangen, verplaatst en weggenomen. De ten gevolge van deze werkzaamheden door of vanwege de netbeheerder aan het perceel toegebrachte schade zal door of vanwege de netbeheerder worden hersteld dan wel, indien herstel niet mogelijk is, worden vergoed.
6.2
De contractant draagt er zorg voor dat het gedeelte van het (gastransport)net, de aansluiting(en) en de meetinrichting(en) die zich in, aan, op, onder of boven het perceel bevinden, goed bereikbaar zijn. Indien een gedeelte van het van het (gastransport)net, een aansluiting of gedeelte daarvan dan wel de meetinrichting niet goed bereikbaar is geworden door een handelen of nalaten van de contractant of een eerdere contractant, maant de netbeheerder de contractant aan om binnen een redelijke door de netbeheerder te stellen termijn de bereikbaarheid te herstellen (…)”
2.3.
In 1976 heeft de rechtsvoorganger van Liander over het perceel [adres 1] een gasleiding aangelegd ten behoeve van gaslevering voor het pand [adres 2] . De gasleiding is toen aangelegd in de grond tussen [adres 1] en [adres 2] , ter plaatse van een pad dat daar toen aanwezig was. De gasleiding is aangesloten aan de achterzijde van het pand [adres 2] .
2.4.
Mevrouw [eiseres] (eiseres sub 2.) heeft een progressieve ziekte waardoor zij onder andere afhankelijk is van een rolstoel. [eisers] hebben in 2013 plannen gemaakt om hun woning aan de zijkant uit te bouwen ten behoeve van de mantelzorg. [eisers] hebben Liander in 2013 verzocht om een elektraleiding en de gasleiding van hun perceel te verwijderen. Liander heeft dat geweigerd.
2.5.
In oktober 2015 hebben [eisers] opnieuw een verzoek bij Liander tot verwijdering van de elektraleiding en de gasleiding ingediend. Liander heeft onder meer aan [eisers] meegedeeld welke kosten zij hiervoor in rekening zal brengen en ook dat voor het omleggen van de gasleiding de medewerking van de buurman nodig is. Partijen hebben hierover sinds 2015 herhaaldelijk gecorrespondeerd, voor het laatst in augustus/september 2024.
3. Het geschil
3.1.
[eisers] vorderen - samengevat – dat de rechtbank Liander zal veroordelen om binnen 3 maanden na betekening van het te wijzen vonnis de gasleiding op kosten van Liander te verwijderen, op straffe van verbeurte van een dwangsom, en met veroordeling van Liander in de proceskosten, waaronder nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
Daartoe voeren [eisers] – kort weergegeven – het volgende aan. Door de gasleiding die in de grond van hun perceel ligt, kunnen zij de uitbouw aan de zijkant van hun woning niet realiseren. Zij worden dus ernstig beperkt in hun bevoegdheden als eigenaar van het perceel. Liander was niet bevoegd tot het aanleggen van de gasleiding en Liander heeft ook geen zakelijk, publiekrechtelijk of contractueel ligrecht verkregen. Artikel 6 van de algemene voorwaarden van Liander (de gedoogplicht) is vernietigbaar en is door [eisers] vernietigd, primair omdat Liander niet aan haar informatieplicht heeft voldaan en subsidiair omdat het een onredelijk bezwarend beding is. Het is voor [eisers] onbegrijpelijk dat Liander weigert de gasleiding te verwijderen. Deze dient alleen de huisaansluiting van [adres 2] , waar de aansluiting met marginale kosten aan de voorzijde kan worden gerealiseerd. Liander stelt ten onrechte dat alleen de eigenaar van de [adres 2] het verzoek tot verwijdering of verplaatsing kan doen, aangezien de eigenaar dit moet dulden basis van de gedoogplicht.
3.3.
Liander voert verweer. Liander concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] , met veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
Eigendom
4.1.
De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen niet langer in geschil is dat, hoewel de gasleiding deels ligt in de grond van het perceel van [eisers] , de gasleiding eigendom van Liander is (artikel 5:20 lid 2 Burgerlijk Wetboek [BW]).
4.2.
Partijen twisten over het antwoord op de vraag of Liander ook een ligrecht (op/in het perceel van [eisers] ) voor de gasleiding heeft verkregen. Dat betreft het recht om de leiding op een gefixeerde plaats in de grond te hebben. [eisers] stellen dat Liander geen zakelijk of contractueel ligrecht heeft verkregen en dat het hebben van een gasleiding in hun grond onrechtmatig is. Volgens Liander is de gasleiding bevoegd aangelegd en heeft zij een ligrecht op grond van (i) haar eigendom van de gasleiding dan wel (ii) een opstalrecht dan wel (iii) haar algemene voorwaarden. De rechtbank zal hierna puntsgewijs ingaan op de standpunten van partijen.
Bevoegde aanleg
4.3.
[eisers] betwisten dat de toenmalige eigenaar van [adres 1] toestemming voor de aanleg van de gasleiding heeft gegeven.
4.4.
Liander brengt daartegen in dat het hoogstwaarschijnlijk is dat de toenmalige eigenaar van perceel [adres 1] hiermee heeft ingestemd. Het ligt niet voor de hand dat de gasleiding is aangelegd zonder dat iemand daar om had gevraagd. Verder verloopt de aanleg van een gasleiding niet onopgemerkt en heeft de toenmalige eigenaar kennelijk niet geprotesteerd. In dat verband voert Liander verder aan dat de percelen [adres 1] en [adres 2] in 1976 één kadastraal perceel vormden. De gasleiding is dus niet ten behoeve van een andere eigenaar/ buurman aangelegd. De gasleiding is destijds ook aangelegd op een logische plek op het perceel, namelijk onder een strook grond dat destijds als weg werd gebruikt. Liander heeft een formulier van het Gemeentelijk Gasbedrijf Kop Noord-Holland overgelegd, die de datum 21 februari 1976 heeft. Hierop staat een tekening van de aan te leggen gasleiding en de toen aanwezige bebouwing.
4.5.
De rechtbank is van oordeel dat [eisers] hun standpunt op dit punt onvoldoende hebben onderbouwd. Zij hebben geen enkel aanknopingspunt gegeven om aan te nemen dat de gasleiding in1976 is neergelegd zonder toestemming van de toenmalige eigenaar.
4.6.
De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de gasleiding in 1976 met instemming van de grondeigenaar (en dus bevoegd) op het perceel van (thans) [eisers] is aangelegd. Dat betekent nog niet dat Liander ook een ligrecht voor de gasleiding heeft verkregen. Daarvoor is een opstalrecht dan wel een contractuele verbintenis vereist.
Opstalrecht
4.7.
Dat (de rechtsvoorganger van) Liander de gasleiding mocht aanleggen, maakt nog niet dat de huidige eigenaar moet accepteren dat de gasleiding in zijn perceel ligt. Volgens Liander heeft zij door verjaring een opstalrecht verkregen om de gasleiding in de grond van [eisers] te hebben en te houden.
4.8.
Liander voert onder andere aan dat de gasleiding feitelijk is gerealiseerd en dat daarmee een opstalrecht in bezit is genomen. De verjaringstermijn van 20 jaar is sinds de aanleg van de gasleiding ruimschoots verstreken en Liander heeft het opstalrecht door verjaring verkregen. Ook was de ligging van de gasleiding kenbaar voor [eisers] omdat zij jarenlang het pand aan de [adres 2] hebben gehuurd en de gasleiding/aansluiting aan de achterzijde van het pand goed zichtbaar is, aldus Liander.
4.9.
[eisers] betwisten het bestaan van een opstalrecht. Zij wijzen erop dat Liander eerder aan hen heeft meegedeeld dat de juridische basis voor de aanwezigheid van de gasleiding volgt uit de algemene voorwaarden van Liander en dus niet uit een door verjaring verkregen opstalrecht. Ook weerspreken [eisers] dat Liander door verjaring een opstalrecht heeft verkregen. In dat verband wijzen [eisers] er op dat, volgens Liander zelf, Liander toestemming heeft gekregen voor de aanwezigheid van de gasleiding. In geval van een rechtmatige situatie kan er geen verjaringstermijn gaan lopen, aldus [eisers] Ook betwisten zij dat het gebruik van het opstalrecht ondubbelzinnig en evident voor betrokkenen was. Het betreft namelijk een ondergrondse leiding en [eisers] waren er niet mee bekend waren dat deze in 1976 was aangelegd.
4.10.
Volgens artikel 5:101 BW is een opstalrecht een zakelijk recht om in, op of boven een onroerende zaak van een ander gebouwen, werken of beplantingen in eigendom te hebben of te verkrijgen. Het gaat hier om een beperkt recht, omdat de opstaller een deel van de bevoegdheden van de volledig eigenaar van de onroerende zaak verkrijgt. Een opstalrecht kan ontstaan door vestiging daarvan of door verjaring. Voor een beroep op verkrijgende dan wel bevrijdende verjaring van een opstalrecht is bezit nodig. Bezit het houden van een goed voor zichzelf, met de pretentie rechthebbende te zijn. Dat bezit moet, kort gezegd, ondubbelzinnig zijn, in die zin dat de bezitter duidelijk laat zien dat hij pretendeert rechthebbende te zijn. In dit geval is de bezitter degene die de aan het recht van opstal verbonden bevoegdheden feitelijk uitoefent. Naast bezit is ook een tijdsverloop van, voor verkrijgende verjaring, 10 jaar (bij bezit te goeder trouw) of, voor bevrijdende verjaring, 20 jaar (bij bezit te kwader trouw) noodzakelijk. Degene die zich op verjaring beroept, draagt daarvan de stelplicht en, zo nodig, bewijslast.
4.11.
De rechtbank oordeelt dat Liander geen opstalrecht heeft verkregen. Uit wat Liander heeft aangevoerd, blijkt niet dat zij het opstelrecht in bezit heeft genomen. Zo blijkt uit wat Liander heeft aangevoerd niet dat Liander op enig moment als zakelijk gerechtigde bevoegdheden ten aanzien van de gasleiding heeft uitgeoefend op het perceel van [eisers] Het enkele feit dat er de ondergrondse leiding in de grond van [eisers] ligt, is daarvoor onvoldoende.
Hier komt nog bij dat Liander ter zitting heeft verklaard dat het destijds (de rechtbank begrijpt: ten tijde van het leggen van de leiding) voor consumenten zo geregeld was dat zij de leidingen in hun tuinen moesten gedogen op grond van de algemene voorwaarden. Volgens Liander werd een opstalrecht destijds alleen bedongen bij lange tracés door weilanden en als er grote partijen bij betrokken waren. Hieruit blijkt dat Liander niet heeft gepretendeerd opstaller te zijn.
Contractueel ligrecht
4.12.
Volgens Liander heeft zij in ieder geval een contractueel ligrecht voor de gasleiding. [eisers] zijn op grond van artikel 6 van de algemene voorwaarden contractueel verplicht de aanwezigheid van de gasleiding te gedogen.
4.13.
[eisers] betwisten dat er sprake is van een contractueel ligrecht. Zij voeren aan dat zij Liander geen toestemming hebben gegeven voor het hebben van de gasleiding in hun grond dan wel dat zij hun toestemming hebben ingetrokken. Volgens [eisers] kan Liander de algemene voorwaarden niet gebruiken om een oude situatie uit 1976 te legitimeren. Over de algemene voorwaarden van Liander - in het bijzonder de artikelen 6.1 en 6.2 daarvan - hebben [eisers] verder het volgende aangevoerd.
De algemene voorwaarden van Liander zijn niet toepasselijk omdat [eisers] bij het sluiten van het contract of eerdere contracten géén correspondentie heeft ontvangen van Liander. In de algemene voorwaarden van hun energiemaatschappij wordt evenmin verwezen naar Liander of haar algemene voorwaarden. Op Liander rust als netbeheerder een bijzondere informatieplicht op grond van artikel 52b van de Gaswet. Dit artikel beoogt consumenten te beschermen. Hoewel Liander mogelijk dienstverrichter is in de zin van de Dienstenrichtlijn (artikel 6:230a BW, Richtlijn 2006/123/EG), rustte op Liander op grond van de Gaswet een actievere wijze van informatieverstrekking. Liander heeft haar algemene voorwaarden niet aan [eisers] verstrekt conform 6:234 BW en ook niet conform artikel 6:230c BW. Liander heeft verder niet, zoals volgens artikel 6:230e BW wel zou moeten, voor het sluiten van de aansluit- en transportovereenkomst verwezen naar een locatie waarop haar algemene voorwaarden kunnen worden gevonden. Artikel 6.1 en 6.2 van de algemene voorwaarden van Liander zijn onredelijk bezwarende bedingen. Liander eigent zich met het opleggen van artikel 6.1 van haar algemene voorwaarden een ligrecht toe op ieder perceel dat in haar netbeheerdersgebied ligt. Daarmee wordt een ingrijpende inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van [eisers] vernietigen deze bepalingen. Daarmee bestaat er geen contractuele gedoogplicht voor [eisers] (meer).
4.14.
De rechtbank is van oordeel dat Liander wel een beroep kan doen op de in artikel 6.1 en 6.2 van haar algemene voorwaarden vastgelegde gedoogplicht. Zij legt uit waarom.
4.15.
Anders dan [eisers] aanvoeren, gaat de rechtbank er vanuit dat de algemene voorwaarden van Liander toepasselijk zijn verklaard en dat op deugdelijke wijze naar die algemene voorwaarden is verwezen. Daartoe overweegt de rechtbank dat afnemers van energie daarvoor een contract afsluiten bij een energieleverancier. Levering van de energie vindt echter plaats via het net van Liander. Door de overeenkomst met de energieleverancier sluit de consument ook een contract met Liander. Dit zijn energieleveranciers wettelijk verplicht. Alle netbeheerders zijn ook wettelijk verplicht om iedere afnemer aan te sluiten en voor iedere afnemer dezelfde algemene voorwaarden te hanteren. De enkele stelling van [eisers] dat de algemene voorwaarden van Liander niet toepasselijk zijn verklaard en ook niet is meegedeeld waar die algemene voorwaarden te vinden zijn, is onvoldoende om aan te nemen dat bij [eisers] van deze gangbare praktijk is afgeweken. [eisers] hebben ook geen enkel stuk, bijvoorbeeld het contract met hun huidige energieleverancier, overgelegd, ter ondersteuning van dit standpunt. Daar komt nog bij dat partijen in 2016 met elkaar hebben gecorrespondeerd en Liander daarbij uitdrukkelijk heeft gewezen op artikel 6.1 en 6.2 van haar algemene voorwaarden. Ook in 2020, toen [eisers] juridische bijstand hadden ingeschakeld, hebben zij hierover niets aangevoerd. Indien de algemene voorwaarden van Liander niet toepasselijk zouden zijn, had het voor de hand gelegen als [eisers] dat toen hadden gemeld. Integendeel, in 2020 hebben zij zich op de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden van Liander beroepen.
4.16.
Het beroep op de vernietigbaarheid van de algemene voorwaarden van Liander – in het bijzonder artikel 6.1 en 6.2, faalt eveneens. Het standpunt van Liander dat de mogelijkheid om de vernietiging van de algemene voorwaarden in te roepen is verjaard, slaagt. Gelet op artikel 3:52 BW verjaart de bevoegdheid tot het inroepen van de vernietiging van de algemene voorwaarden drie jaar vanaf het moment dat de gebruiker (Liander) een beroep op het beding doet. Uit de correspondentie tussen partijen blijkt dat Liander de algemene voorwaarden (in ieder geval) bij haar e-mail van 19 mei 2016 aan [eisers] heeft verstrekt en dat zij daarin haar beroep op artikel 6 van de algemene voorwaarden heeft toegelicht. Gelet hierop hadden [eisers] de vernietigbaarheid van deze bepaling op grond van artikel 6:233 sub b BW moeten inroepen uiterlijk 19 mei 2019. Dat hebben zij pas in hun dagvaarding van 14 maart 2025 gedaan en toen was de vordering tot vernietiging al verjaard.
4.17.
Dat [eisers] niet meer de vernietigbaarheid van de algemene voorwaarden van Liander kunnen inroepen, laat onverlet dat een beding geen gelding heeft indien dit een oneerlijk is in de zin van de Richtlijn 93/13/EEG van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de Richtlijn). Maar ook daarvan is geen sprake. [eisers] stellen dat artikel 6 van de algemene voorwaarden onevenredig zwaar op hen drukt omdat het Liander de mogelijkheid geeft om een eeuwigdurend inbreuk op hun eigendomsrecht te maken, dat zij niet met Liander over het beding hebben kunnen onderhandelen, geen compensatie krijgen en zelf geen genot van de gasleiding hebben. Liander heeft daartegenover – onweersproken – gesteld dat de algemene voorwaarden tot stand zijn gekomen in overleg met de Consumentenbond, dat deze zijn goedgekeurd door de Autoriteit Consument en Markt (ACM) en dat alle netbeheerders wettelijk verplicht zijn om iedere afnemer aan te sluiten en voor iedere afnemer dezelfde algemene voorwaarden te hanteren. Volgens Liander is het beding dus geen resultaat van machtsmisbruik, maar van wettelijke uniformiteit en noodzakelijke veiligheids- en beheersbevoegdheden. De rechtbank overweegt dat uit deze onbetwiste stellingen van Liander volgt dat het beding in de gegeven omstandigheden niet oneerlijk in de zin van de Richtlijn is.
4.18.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat [eisers] geacht worden toestemming te hebben gegeven voor het hebben en blijvend houden van de gasleiding op hun perceel.
4.19.
Voor zover [eisers] aanvoeren dat zij hun krachtens artikel 6 van de algemene voorwaarden gegeven toestemming kunnen intrekken dan wel beëindigen – waardoor Liander de gasleiding toch moet verleggen – is dat onjuist. In geval van verwijdering van de gasleiding van het perceel van [eisers] zal Liander de aansluiting in/op de muur aan de achterzijde van de woning van de buurman moeten verwijderen en daarna via de muur aan de voorzijde van deze woning (binnen) een nieuwe aansluiting moeten realiseren. Het verleggen van de gasleiding is in dit geval dus niet zonder medewerking van de buurman van [eisers] mogelijk, omdat Liander op diens perceel – zoals zij onweersproken heeft gesteld – slechts zeggenschap over de gasleiding heeft tot aan de voordeur. Van Liander kan niet zonder meer verlangd worden dat zij een andere afnemer dwingt om de bedoelde aanpassingen aan haar gasnetwerk te accepteren/gedogen. Als [eisers] vinden dat de eigenaar van [adres 2] hieraan moet meewerken, zullen zij zich tot die eigenaar moeten richten.
Slotsom
4.20.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de vorderingen van [eisers] afgewezen worden.
Proceskosten
4.21.
[eisers] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Liander worden begroot op:
- griffierecht
€
714,00
- salaris advocaat
€
1.228,00
(2 punten × € 614,00)
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.120,00
5De beslissing
De rechtbank
5.1.
wijst de vorderingen van [eisers] af,
5.2.
veroordeelt [eisers] in de proceskosten van € 2.120,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.H. Gisolf en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2026.
NMB/JG | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|