Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBNHO:2026:3470 
 
Datum uitspraak:16-03-2026
Datum gepubliceerd:24-04-2026
Instantie:Rechtbank Noord-Holland
Zaaknummers:K/4101/12018589
Rechtsgebied:Arbeidsrecht
Indicatie:In deze zaak verzoekt de werkgever om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met de werknemer. De kantonrechter wijst het verzoek toe, omdat er een redelijke grond is voor ontbinding. De werknemer heeft namelijk verwijtbaar gehandeld door veelvuldig en over een lange periode belangrijke zaken voor zijn werkgever te verzwijgen. De werkgever moet de werknemer wel een transitievergoeding betalen.
Trefwoorden:arbeidsovereenkomst
burgerlijk wetboek
 
Uitspraak
RECHTBANK
NOORD-HOLLAND


Civiel recht
Kantonrechter

Zittingsplaats Alkmaar

Zaaknummer / rekestnummer: 12018589 \ AO VERZ 25-102/MdV


Beschikking van 16 maart 2026


in de zaak van


DE STAAT DER NEDERLANDEN,
te Den Haag,
verzoekende partij,
hierna te noemen: de Staat,
gemachtigde: mr. E. Versloot,

tegen



[verweerder]
,
te [plaats 1] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder] ,
procederend in persoon.


De zaak in het kort


In deze zaak verzoekt de werkgever om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met de werknemer. De kantonrechter wijst het verzoek toe, omdat er een redelijke grond is voor ontbinding. De werknemer heeft namelijk verwijtbaar gehandeld door veelvuldig en over een lange periode belangrijke zaken voor zijn werkgever te verzwijgen. De werkgever moet de werknemer wel een transitievergoeding betalen.




1De procedure


1.1.
De Staat heeft een verzoek gedaan om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden. [verweerder] heeft een verweerschrift ingediend.



1.2.
Op 16 maart 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen hebben daar hun standpunten toegelicht en vragen beantwoord. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. De Staat heeft ook spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen. Vóór de mondelinge behandeling heeft De Staat met een e-mail van 11 februari 2026 nog stukken toegezonden.






2De feiten


2.1.
Dienst Justitiële Inrichtingen (hierna: DJI) valt onder de Staat en voert namens de minister van Justitie en Veiligheid straffen en vrijheidsbenemende maatregelen uit die door de rechter zijn opgelegd. DJI is verantwoordelijk voor de dagelijkse zorg van justitiabelen.



2.2.

[verweerder] , geboren op [geboortedatum] , is sinds 1 september 2007 werkzaam bij DJI. [verweerder] heeft tot 2019 gewerkt bij de penitentiaire inrichting in [plaats 1] en is daarna, vanwege de sluiting van de penitentiaire inrichting in [plaats 1] , overgeplaatst naar de penitentiarie inrichting in [plaats 2] . De functie van [verweerder] is medior complexbeveiliger met een loon van € 3.246,16 bruto per maand.



2.3.
In de gedragscode DJI die onderdeel uitmaakt van het Personeelsreglement DJI is een expliciete meldplicht opgenomen in de volgende situaties:


‘Meldplicht


De GIR geeft aan in welke situaties u verplicht bent uw leidinggevende op de hoogte te stellen. Daarnaast heeft u bij DJI een meldplicht in de volgende situaties:


(…)


- Als u zelf verdachte bent in een strafzaak of in aanraking bent gekomen met politie of het Openbaar Ministerie.


(…)


- Als u uw financiële verplichtingen niet na kan komen. Zie dit niet als straf maar als bescherming. Uw leidinggevende kan u helpen door bijvoorbeeld een schuldhulpverleningstraject aan te bieden. Door financiële problemen zou uw integriteit in het geding kunnen komen, omdat u mogelijk extra kwetsbaar bent en vatbaar voor chantage, omkoping en belangenverstrengeling. (…)’




2.4.
Op 19 november 2020 is [verweerder] geschorst, omdat zijn auto niet verzekerd was en niet tijdig APK was gekeurd, de Staat via de politie een melding had ontvangen over een mogelijke speed-verslaving en het niet melden van een loonbeslag. Na onderzoek en een officiële waarschuwing vanwege onverzekerd rijden en het niet melden van zijn financiële problemen, is de schorsing op 21 december 2020 opgeheven. Aan [verweerder] is toen een officiële waarschuwing gegeven. [verweerder] is er daarbij op gewezen dat hij dergelijke zaken in de toekomst moet melden en dat er in verband met zijn financiële problematiek een traject opgestart zal worden bij de bedrijfsmaatschappelijk werker.



2.5.
Naar aanleiding van een nieuw loonbeslag vindt er op 11 maart 2021 een gesprek plaats tussen DJI en [verweerder] , waarbij [verweerder] er wederom op wordt gewezen dat hij financiële problemen kenbaar moet maken.



2.6.
In maart en april 2022 komt [verweerder] zonder bericht drie keer te laat op zijn werk en is hij niet bereikbaar.



2.7.
Tijdens een controle door drugshonden op 14 maart 2023, slaat de hond aan bij [verweerder] . Er vindt vervolgens opnieuw een gesprek plaats waarbij ook het te laat komen en de financiële problemen van [verweerder] die resulteren in loonbeslagen worden besproken. [verweerder] wordt gevraagd een gedragsverbetering te laten zien.



2.8.
Op 6 april 2023 wordt [verweerder] er tijdens een gesprek op gewezen dat hij al drie jaar lang de jaarlijks verplichte fysieke vaardigheidstest niet heeft gedaan. Tijdens dat gesprek zegt [verweerder] toe de test alsnog die maand te zullen doen. Omdat [verweerder] deze toezegging niet nakomt, vindt er op 11 april 2024 een gesprek plaats tussen de directeur van de penitentiaire inrichting en [verweerder] . [verweerder] wordt er tijdens dat gesprek opnieuw op gewezen dat hij de fysieke vaardigheidstest moet doen, dat de Staat loonbeslagen blijft ontvangen en [verweerder] hulp moet zoeken bij het oplossen van zijn financiële problemen, omdat hij anders een veiligheidsrisico vormt en niet kan blijven werken bij DJI.



2.9.
Op 14 mei 2024 krijgt [verweerder] een berisping wegens het drie jaar lang zonder goede reden niet deelnemen aan de fysieke vaardigheidstest.



2.10.
Op 24 februari 2025 vindt er opnieuw een gesprek plaats over het gedrag en functioneren van [verweerder] . Tijdens dat gesprek wordt [verweerder] er op gewezen dat hij de fysieke vaardigheidstest niet heeft gehaald en dat hij slecht bereikbaar was tijdens een ziekteperiode in december 2024, maar hij tijdens die ziekteperiode wel op de kerstborrel verscheen. DJI geeft daarom aan dat er een verbetertraject zal worden gestart. In het verbeterplan wat naderhand is opgesteld en op 5 juni 2025 is ondertekend door [verweerder] is onder andere opgenomen dat [verweerder] zich dient te houden aan de kernwaarden van de gedragscode DJI en zaken die van belang kunnen zijn voor zijn functioneren bij DJI direct dient te melden, waaronder financiële problemen en het in aanraking komen met justitie, en dat er geen nieuwe loonbeslagen zullen zijn. Ook is in het plan opgenomen dat hij transparant moet communiceren en de fysieke vaardigheidstest moet halen.



2.11.
In verband met een wijziging in de regelgeving wordt [verweerder] in mei 2025 verzocht om uiterlijk op 9 augustus 2025 een nieuwe Verklaring Omtrent Gedrag (een VOG-P) te verstrekken aan de Staat. Nadat de Staat diverse malen bij [verweerder] informeert of hij de VOG al heeft ontvangen, laat hij op 22 juli 2025 aan zijn direct leidinggevende weten dat Justis het erg druk heeft, maar dat hij als het goed is binnen twee weken de VOG zal krijgen. Op 25 juli 2025 laat [verweerder] aan zijn leidinggevende weten dat hij een voornemen tot afwijzing van de VOG heeft ontvangen, waarna er op 29 juli 2025 een gesprek plaatsvindt. Tijdens dat gesprek blijkt dat [verweerder] op 15 juli 2025 een voornemen tot weigering van een VOG heeft gekregen, omdat hij in 2022 een strafbeschikking heeft gekregen vanwege het drie keer tanken zonder te betalen, met een werkstraf van 32 uur. De Staat heeft [verweerder] vervolgens geschorst, omdat hij nog geen VOG had en hij zijn meldplicht en de afspraken uit het verbeterplan had geschonden.





3Het verzoek en het verweer


3.1.
De Staat verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden, primair vanwege verwijtbaar handelen, subsidiair vanwege disfunctioneren, meer subsidiair vanwege een verstoorde arbeidsverhouding en uiterst subsidiair vanwege een combinatie van de hiervoor genoemde gronden, onder toekenning van de transitievergoeding.



3.2.
De Staat heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd – kort weergegeven – dat [verweerder] als ambtenaar het goede voorbeeld moet geven en dat voor hem, gezien zijn werkplek en functie als complexbeveiliger binnen een penitentiaire inrichting, hoge integriteitseisen gelden. Toch heeft [verweerder] , ondanks vele gesprekken, een waarschuwing, een berisping en een verbetertraject, herhaaldelijk geen openheid van zaken gegeven over zijn financiële problemen, de contacten met justitie en het voornemen tot afwijzing van de VOG. Daarmee heeft hij verwijtbaar gehandeld en dit maakt hem ongeschikt voor zijn functie. Doordat [verweerder] keer op keer heeft beloofd zich aan de afspraken en voorschriften te houden, maar dat in de praktijk steeds opnieuw niet heeft gedaan, heeft de Staat alle vertrouwen in hem verloren. Herstel daarvan is volgens de Staat ook niet meer mogelijk. In de gevangenis moeten medewerkers en leidinggevenden onvoorwaardelijk op elkaar kunnen vertrouwen en moeten medewerkers zich realiseren dat bijvoorbeeld het melden van schulden ook in het belang van hun eigen veiligheid is, gelet op onder meer het risico op chantage. Een bewaarder moet bovendien mensen bewaken die zich schuldig hebben gemaakt aan strafbare feiten en als een medewerker zichzelf daaraan ook schuldig maakt, moet de werkgever een afweging kunnen maken of deze wel in zijn functie kan blijven. Die mogelijkheid heeft [verweerder] de Staat ontnomen. Door de fysieke vaardighedentest niet te doen kan niet worden beoordeeld of [verweerder] nog in staat is zijn werk op een goede en veilige manier uit te voeren en speelt hij met zijn eigen veiligheid en die van zijn collega’s. Er is dan ook sprake van een combinatie van handelen, houding en gedrag die maakt dat van de Staat als werkgever voortzetting van het dienstverband in redelijkheid niet gevergd kan worden. Herplaatsing van [verweerder] is niet mogelijk: er zijn wel passende functies beschikbaar, maar niet binnen de door [verweerder] opgegeven reisafstand.



3.3.

[verweerder] verweert zich tegen het verzoek en stelt dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen. [verweerder] voert aan – samengevat – aan dat het voornemen tot afwijzing van de VOG nog niet definitief was en dat hij het daardoor niet direct hoefde te melden. Uiteindelijk heeft hij zijn leidinggevende wel zelf op de hoogte gebracht. Verder heeft hij in 2022, op advies van de reclassering en zijn advocaat, niet gemeld dat hij in contact was geweest met justitie en een strafbeschikking had ontvangen. Als er op tijd was beslist op de aanvraag om een VOG, hoefde deze strafbeschikking ook nu niet bekend te zijn geworden bij de Staat. Ten aanzien van de loonbeslagen voert [verweerder] aan dat hij heeft gemeld wat hij wist, maar dat de beslagen voor hem ook steeds als een verrassing komen. [verweerder] vindt dat hij zijn werk als beveiliger moet kunnen voortzetten.





4De beoordeling


4.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden.



4.2.
Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is. Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt.



4.3.
De kantonrechter oordeelt dat er een redelijke grond is voor ontbinding. Dat wordt als volgt toegelicht.



4.4.
De kantonrechter stelt voorop dat aan de integriteit en betrouwbaarheid van een ambtenaar als [verweerder] hoge eisen worden gesteld. Dit gezien het bijzondere karakter en de risico’s van het werken binnen een penitentiaire inrichting. De gedragscode DJI bevat om die reden dan ook een duidelijk regeling (zie r.o. 2.3) over welke zaken een medewerker van DJI aan zijn werkgever moet melden.



4.5.

[verweerder] heeft op de zitting erkend dat hij op de hoogte was van de gedragscode en dat hij wist dat hij verplicht was om transparant te communiceren en contacten met justitie en financiële problemen te melden. Op basis van wat de Staat heeft aangevoerd en door [verweerder] niet is weersproken, staat naar het oordeel van de kantonrechter vast dat [verweerder] , ondanks de vele gesprekken die hebben plaatsgevonden, de officiële waarschuwing en berisping en het verbetertraject dat is gestart, herhaaldelijk zijn meldplicht heeft geschonden en bovendien onjuiste en onvolledige informatie heeft verstrekt.



4.6.
Zo heeft [verweerder] nagelaten om zijn werkgever direct te informeren over het feit dat hij een voornemen tot afwijzing van zijn VOG had ontvangen. [verweerder] heeft weliswaar aangevoerd dat hij dit op 25 juli 2025 wel heeft gemeld aan zijn leidinggevende, maar dat was te laat. [verweerder] had immers op 15 juli 2025 al een voornemen tot afwijzing ontvangen en had dat toen direct aan zijn leidinggevende moeten melden. Er was hem op dat moment ook al meermaals om de stand van zaken gevraagd. Dat het besluit op dat moment nog niet definitief was en de VOG uiteindelijk alsnog is verstrekt, maakt dat niet anders. [verweerder] had, gezien de vele gesprekken die met hem zijn gevoerd en waarin de onderwerpen integriteit, betrouwbaarheid en transparantie veelvuldig aan de orde zijn geweest, en zeker gezien het recent ondertekende verbeterplan, moeten weten dat hij het voornemen tot afwijzing direct uit eigen beweging had moeten melden. Dat heeft hij niet gedaan. Daar komt nog bij dat [verweerder] op 22 juli 2025 desgevraagd aan zijn leidinggevende heeft laten weten dat het erg druk was bij Justitie, maar dat hij de verwachting had dat hij alsnog binnen twee weken zijn VOG zou krijgen, terwijl hij het voornemen tot afwijzing toen al had ontvangen. [verweerder] heeft daarmee opzettelijk een onjuiste voorstelling van zaken gegeven.



4.7.
Ten aanzien van de strafbeschikking wegens diefstal en bijbehorende werkstraf die hij in 2022 kreeg, heeft [verweerder] aangevoerd dat hij dit destijds op advies van de reclassering en zijn advocaat niet heeft gemeld. Daarmee miskent hij echter dat op hem de verplichting rustte dit wel uit eigen beweging te melden bij zijn werkgever. [verweerder] wist heel goed dat hij dit had moeten melden en toch heeft hij er voor gekozen om het strafbare feit te verzwijgen, gelet op de mogelijke consequenties daarvan voor zijn functie. Daarmee heeft hij alleen aan zichzelf gedacht en de Staat de mogelijkheid ontnomen om als werkgever zelf een afweging te maken over de mogelijke gevolgen voor het werk en de werkomgeving van [verweerder] .



4.8.
Tot slot geldt ten aanzien van zijn financiële situatie dat [verweerder] veelvuldig is verzocht hier openheid van zaken over te geven en steeds is gewezen op zijn plicht om financiële problemen te melden. Ook is er aan hem herhaaldelijk hulp aangeboden en in het verbeterplan is expliciet afgesproken dat er geen nieuwe loonbeslagen zullen volgen. Ondanks dat bleken de financiële problemen van [verweerder] structureel en bleef de Staat loonbeslagen ontvangen. Dat het loonbeslag uit april 2025 al was meegenomen in het verbeterplan, laat onverlet dat er ook daarna (over de periode van mei 2025 tot en met januari 2026) nog diverse (forse) loonbeslagen zijn gevolgd. Ook daarvan heeft [verweerder] de Staat niet op de hoogte gesteld. [verweerder] heeft op de zitting verklaard dat hij niet wist dat deze loonbeslagen gelegd zouden worden en dat hij die daarom niet heeft gemeld. [verweerder] had dit echter wel kunnen en moeten weten, als hij zijn financiële situatie op orde zou hebben gehad. Dat is wat hem werd verwacht. Een loonbeslag wordt bovendien niet zomaar gelegd. Zo gaan aan een loonbeslag betalingsherinneringen en andere correspondentie van onder meer een deurwaarder vooraf. Tot slot is ter zitting gebleken dat [verweerder] sinds zijn schorsing op 31 juli 2025, inmiddels ongeveer zeven maanden geleden, geen maatregelen heeft genomen om zijn (financiële) situatie te verbeteren, terwijl hij weet wat de mogelijke consequenties zijn van zijn handelen en nalaten. [verweerder] lijkt niet doordrongen van de ernst van de situatie en het verwijt dat hem wordt gemaakt.



4.9.
De kantonrechter is van oordeel dat [verweerder] door structureel geen openheid van zaken te geven over voor zijn werk belangrijke zaken, zijn meldplicht herhaaldelijk te schenden en de fysieke vaardigheidstest ondanks vele verzoeken jaren achter elkaar niet te doen, zodanig verwijtbaar heeft gehandeld dat van de Staat in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 sub e BW. Een ambtenaar in een penitentiaire inrichting heeft, zoals hiervoor is overwogen, te voldoen aan hoge – en kenbaar gemaakte – maatstaven van integriteit. [verweerder] heeft zich niet gedragen zoals van hem mag worden verwacht.



4.10.
Uit het rapport van het uitgevoerde herplaatsingsonderzoek van 10 december 2025 is gebleken dat herplaatsing van [verweerder] binnen een redelijke termijn niet mogelijk is, omdat er geen passende functies binnen de opgegeven reisafstand beschikbaar zijn. [verweerder] heeft de inhoud van dit rapport niet weersproken. De kantonrechter houdt het er dan ook voor dat herplaatsing niet mogelijk is.



4.11.
De conclusie is dat de arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden. Het einde van de arbeidsovereenkomst zal worden bepaald op 1 mei 2026. Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd, verminderd met de duur van deze procedure.



4.12.
Partijen zijn het erover eens dat [verweerder] recht heeft op een transitievergoeding. Deze transitievergoeding moet berekend worden over de periode dat de arbeidsovereenkomst heeft geduurd, te weten 1 september 2007 tot 1 mei 2026. Bij de berekening van de hoogte van de transitievergoeding gaat de kantonrechter uit van de inkomensgegevens zoals vermeld in productie 20 van het verzoekschrift, aangezien [verweerder] die gegevens niet heeft betwist. Uitgaande van die gegevens bedraagt de transitievergoeding € 31.959,26 bruto. Dit bedrag wordt dan ook toegewezen.



4.13.
De Staat heeft geen aanspraak gemaakt op vergoeding van de door haar gemaakte proceskosten. Dit heeft tot gevolg dat de kantonrechter zal bepalen dat iedere partij zijn eigen kosten draagt.





5De beslissing

De kantonrechter


5.1.
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 mei 2026,



5.2.
veroordeelt De Staat om aan [verweerder] een transitievergoeding te betalen van € 31.959,26 bruto,


5.3.
bepaalt dat iedere partij zijn eigen kosten draagt,



5.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. S. Slijkhuis en in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2026.









Artikel 7:669 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).


Artikel 7:669 lid 1 BW.


Artikel 7:671b lid 9, onder a, BW.


Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.
Link naar deze uitspraak