|
|
|
| ECLI:NL:RBOVE:2026:2191 | | | | | Datum uitspraak | : | 21-04-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 27-04-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Overijssel | | Zaaknummers | : | ak_25_2356 | | Rechtsgebied | : | Socialezekerheidsrecht | | Indicatie | : | Wmo 2025; beëïndiging maatwerkvoorziening voor beschermd wonen met terugwerkende kracht; inlichtingenverplichting niet nagekomen; besluit noodzakelijk en geschikt; evenredige belangenafweging; ongegrond. | | Trefwoorden | : | zorgkosten | | | | Uitspraak | RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/2356
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser,
gemachtigde: mr. drs. E.C. Spiering,
en
het college van burgemeester en wethouders van Kampen,
gemachtigde: R.J. de Jong.
Procesverloop
1.1
Bij besluit van 16 januari 2025 heeft het college eisers maatwerkvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) voor beschermd wonen in natura per 10 april 2024 beëindigd.
1.2
Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 22 juli 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij dit besluit gebleven.
1.3
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4
De rechtbank heeft het beroep op 3 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers moeder en wettelijk vertegenwoordiger [naam], de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.
Totstandkoming van het bestreden besluit
2. Eiser had op grond van de Wmo 2015 een maatwerkvoorziening beschermd wonen in natura met daarnaast een toekenning voor dagbesteding in de vorm van een persoonsgebonden budget. Vanaf 10 april 2024 komt eiser op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) in aanmerking voor zorg en ondersteuning, te weten wonen met intensieve begeleiding en gedragsregulering. Naar aanleiding van deze indicatie voor Wlz-zorg heeft besluitvorming plaatsgevonden, zoals vermeld onder 'Procesbelang'.
Standpunten van partijen
3.1
Het college stelt zich op het standpunt dat eiser met ingang van 10 april 2024 niet langer is aangewezen op beschermd wonen op grond van de Wmo 2015, aangezien hij met ingang van die datum is toegelaten tot de Wlz. Eiser heeft het college niet op de hoogte gesteld van de Wlz-indicatie. Hiermee is hij zijn inlichtingenplicht niet nagekomen. Het college is hier zelf een half jaar na afgifte van de Wlz-indicatie achter gekomen. Dat eiser met een Wlz-indicatie hogere woonkosten heeft, is volgens het college geen reden om de maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 na 10 april 2024 te laten doorlopen. De oorzaak van de opeenstapeling van de woonkosten is gelegen in het niet tijdig infomeren van het college. Daarnaast zijn (hogere) woonkosten geen kosten die vanuit de Wmo 2015 worden vergoed.
3.2
Eiser kan zich niet verenigen met de terugwerkende kracht waarmee het college zijn aanspraak op zorg vanuit de Wmo 2015 heeft ingetrokken. Intrekking met terugwerkende kracht is in strijd met de rechtszekerheid. Eiser stelt verder dat hij ervoor gekozen heeft om de zorg vanuit de Wlz per 1 november 2024 te verzilveren. Met het zorgkantoor zijn afspraken gemaakt dat kosten van het college voor de na 10 april 2024 geleverde zorg door het Zorgkantoor gecompenseerd worden. Eiser mocht er vanuit gaan dat het college en het Zorgkantoor in onderling overleg tot een vergelijk zouden komen. Doordat het college dat niet doet, komt eiser in financiële problemen, onder meer wat de eigen bijdrage CAK betreft en verder omdat de instelling waar hij verblijft wel in het kader van de Wlz, maar niet in het kader van de Wmo 2015 een bijdrage in woonkosten verlangt. Bij de zorg voor eiser zijn diverse partijen betrokken (zorgkantoor, gemeente, zorginstelling en CAK) voor wie de financieringsvorm groot verschil maakt. Door de terugwerkende kracht zien die partijen zich genoodzaakt om de gevolgen daarvan op hun eigen deelterrein met terugwerkende kracht door te rekenen.
De wijziging van de financieringsvorm is niet zonder gevolgen voor die partijen. Het is niet evenredig om de rekening daarvan bij eiser neer te leggen. Voor eiser ontstaat bij intrekking per 10 april 2024 een schuld van € 2.225,-.
Wettelijk kader
4.1
Artikel 2.3.8, eerste lid, van de Wmo 2015 bepaalt dat de cliënt aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6.
4.2
Op grond van artikel 2.3.10, eerste lid, van de Wmo 2015 kan het college een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 herzien dan wel intrekken, indien het college vaststelt dat:
a. de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid,
b. (…)
c. (…)
d. (…),
e. de cliënt de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget niet of voor een ander doel gebruikt.
Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat het college in de beslissing, bedoeld in het eerste lid, het tijdstip bepaalt waarop de beslissing in werking treedt.
4.3
Ingevolge artikel 3:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) weegt het bestuursorgaan de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit.
Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
Beoordeling door de rechtbank
5. De rechtbank merkt allereerst op dat het college in zijn besluitvorming spreekt over beëindiging van eisers maatwerkvoorziening. Nu echter sprake is van terugwerkende kracht, is sprake van intrekking van eisers maatwerkvoorziening. De rechtbank beoordeelt daarom of het college eisers maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 voor beschermd wonen in natura met ingang van 10 april 2024 heeft kunnen intrekken. Zij doet dat aan de hand van wat eiser in beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep niet slaagt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De bevoegdheid tot intrekking
5.1
De intrekking van de maatwerkvoorziening heeft betrekking op bestaande aanspraken op grond van de Wmo 2015. Artikel 2.3.10, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wmo 2015 geeft het college de bevoegdheid een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 te herzien dan wel in te trekken, indien het college vaststelt dat de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid.
De inlichtingenverplichting
5.2
De rechtbank stelt vast dat eiser het college geen mededeling heeft gedaan van de Wlz-indicatie per 10 april 2024. Dit is tussen partijen niet in geschil. Vastgesteld moet dan ook worden dat eiser de op hem rustende inlichtingenverplichting niet is nagekomen. Indien het college eerder op de hoogte was geweest van de Wlz-indicatie, zou het college eisers maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 voor beschermd wonen in natura eerder hebben ingetrokken. Gelet op het bepaalde in artikel 2.3.10, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wmo 2015, was het college derhalve bevoegd tot intrekking van eisers maatwerkvoorziening met ingang van 10 april 2024.
De belangenafweging
5.3
Eiser stelt zich op het standpunt dat een belangenafweging dient te leiden tot het achterwege laten van intrekking met terugwerkende kracht. Hij heeft erop gewezen dat vanuit de Wlz, anders dan vanuit de Wmo 2015, extra woonkosten in rekening mogen worden gebracht. Dat is in zijn geval ook gebeurd. Daarnaast is de eigen bijdrage vanuit de Wlz hoger dan vanuit de Wmo 2015. Voor eiser ontstaat bij intrekking per 10 april 2024 een schuld van € 2.225,-.
5.4
De rechtbank merkt op dat eiser, zoals het college ook ter zitting heeft opgemerkt, de genoemde extra woonkosten en de hogere kosten voor de eigen bijdrage ook had moeten maken, indien hij het college wel meteen op de hoogte had gesteld van de Wlz-indicatie. Ook in dat geval had het college immers zijn maatwerkvoorziening ingetrokken met ingang van 10 april 2024. In het kader van de belangenafweging heeft het college deze kosten dan ook niet zwaarder hoeven laten wegen dan het belang van het college om gemeenschapsgelden op de juiste wijze te besteden en om de Wmo 2015 op de juiste wijze uit te voeren. Ten aanzien van de stelling van eiser dat het college geen nadeel lijdt, omdat is verrekend met het zorgkantoor, merkt de rechtbank op dat deze verrekening alleen mogelijk was dankzij de intrekking van de maatwerkvoorziening en dat zónder die intrekking die zorgkosten voor rekening van de gemeente zouden zijn gebleven. Ook is van belang dat sprake is van schending van de inlichtingenverplichting. De opeenstapeling van de kosten, waarmee eiser nu wordt geconfronteerd, is het gevolg van het niet nakomen van de inlichtingenverplichting. Dit dient voor rekening en risico van eiser te blijven. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval het college zijn belang zwaarder heeft kunnen laten wegen dan het belang van eiser.
De evenredigheid
5.5
Op grond van het evenredigheidsbeginsel mogen de voor betrokkene nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen. Dat volgt uit artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. De ratio van het evenredigheidsbeginsel is niet het tegengaan van nadelige gevolgen van besluitvorming, maar het voorkomen van onnodig nadelige gevolgen. De Centrale Raad van Beroep heeft dit in rechtspraak overwogen.
5.6
Eiser heeft aangevoerd dat de nadelige gevolgen van het bestreden besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen. Eiser heeft daarbij ter zitting opgemerkt dat hij een zorgbehoefte heeft en in beginsel aanspraak heeft op zorg vanuit de Wmo 2015. Er is geschoven met geld van het zorgkantoor naar de gemeente, zodat eiser het belang van de gemeente niet inziet.
5.7
De rechtbank merkt op dat het college een zwaarwegend belang heeft om gemeenschapsgeld goed te besteden. Het college heeft er belang bij dat zorg zo mogelijk wordt betaald op grond van de Wlz in plaats van op grond van de Wmo 2015. Dat uitgangspunt is vastgelegd in artikel 2.3.5., zesde lid Wmo 2015. Dat het college geen belang heeft, omdat het zorgkantoor de kosten voor zorg inmiddels heeft gecompenseerd, volgt de rechtbank dan ook niet. De verrekening met het zorgkantoor was immers alleen mogelijk na de intrekking van eisers maatwerkvoorziening met ingang van 10 april 2024. Gelet hierop is het besluit dan ook noodzakelijk en geschikt. De rechtbank ziet geen aanleiding het besluit onevenredig te achten. Indien eiser wel zijn inlichtingenverplichting zou zijn nagekomen, zou hij immers ook met de door hem genoemde kosten zijn geconfronteerd, die verbonden zijn aan uitvoering van de Wlz. De wijze waarop eiser financieel wordt geraakt, namelijk dat sprake is van een opeenstapeling van kosten over een half jaar, is het gevolg van het niet nakomen van de inlichtingenverplichting door eiser. De rechtbank stelt vast dat het college direct actie heeft ondernomen, nadat het college ermee bekend is geraakt dat de Wlz-indicatie was afgegeven aan eiser. In zoverre kan het college er dan ook niets aan doen dat de kosten voor eiser zijn opgelopen.
Conclusie en gevolgen
6. Gelet op het vorenstaande, heeft het college in redelijkheid gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid om eisers maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 voor beschermd wonen in natura per 10 april 2024 in te trekken.
7. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
8. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Ook krijgt eiser het door hem betaalde griffierecht niet terug.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Koster, rechter, in aanwezigheid van W. Veldman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
Rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 11 oktober 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2207 en 31 juli 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1696. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|