Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBDHA:2026:9422 
 
Datum uitspraak:25-03-2026
Datum gepubliceerd:28-04-2026
Instantie:Rechtbank Den Haag
Zaaknummers:NL25.18576
Rechtsgebied:Vreemdelingenrecht
Indicatie:Machtiging tot voorlopig verblijf - verblijf als familie- of gezinslid - middelenvereiste - 8 EVRM - beroep ongegrond.
Trefwoorden:ingezetene
uitkering
vrijstelling
 
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.18576

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen



[eiser], [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. H.H.R. Bruggeman),

en



de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. Ch. R. Vink).





Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv). Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 28 maart 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 24 maart 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.


1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 25 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referente, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.




Beoordeling door de rechtbank


Waar gaat deze zaak over?


2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2005 en heeft de Surinaamse nationaliteit. Hij heeft een mvv aangevraagd omdat hij verblijf wenst bij zijn in Nederland wonende moeder (hierna: referente). Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat referente niet voldoet aan het middelenvereiste en niet in aanmerking komt voor vrijstelling hiervan. Ook komt eiser niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM. Hoewel er tussen eiser en referente sprake is van familie- en gezinsleven, weegt het belang van de Nederlandse overheid zwaarder dan het belang van eiser. Tussen eiser en zijn opa is geen sprake van hechte persoonlijke banden waardoor tussen hen geen familie- of gezinsleven wordt aangenomen. Ook tussen eiser en zijn halfbroertje en -zusje is geen sprake van familie- en gezinsleven. Verweerder ziet geen aanleiding om wegens bijzondere omstandigheden af te wijken van de beleidsregels en de aanvraag toch in te willigen.


Wat vindt eiser in beroep?


3. Het bestreden besluit is onvoldoende zorgvuldig genomen. In het besluit verwijst verweerder naar eiser als de dochter van referente in plaats van de zoon. Ook worden in het bestreden besluit in eerste instantie nog formele vereisten genoemd waar niet aan voldaan zou zijn, maar wordt ook aangegeven dat deze vereisten niet gehandhaafd worden. Dat deel van het primaire besluit kan niet als herhaald en ingelast worden beschouwd.
Daarnaast heeft verweerder referente ten onrechte niet vrijgesteld van het middelenvereiste. De opa van eiser heeft zich garant gesteld en dit is onderbouwd met documenten. Verweerder werpt ten onrechte tegen dat deze garantstelling niet juridisch bindend is. Indien verweerder van mening was dat de garantstelling op een meer afdwingbare wijze vormgegeven had moeten worden, had hij dit kenbaar moeten maken. Ook heeft verweerder onvoldoende gekeken naar de bijzondere omstandigheden en de individuele resttoets. In bezwaar heeft eiser gewezen op een uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg van 5 december 2022 en een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) van 3 oktober 2019. Verweerder is hier onvoldoende op ingegaan en heeft ook onvoldoende getoetst aan het arrest Chakroun.
Verder heeft verweerder een onjuiste 8 EVRM-beoordeling gemaakt. Verweerder heeft ten onrechte geen familie- en gezinsleven aangenomen tussen eiser en zijn halfbroertje- en zusje en tussen eiser en zijn opa. De belangenafweging met betrekking tot het gezinsleven tussen eiser en referente, is ten onrechte in het nadeel van eiser uitgevallen. In de belangenafweging wordt ten onrechte aan referente tegengeworpen dat zij niet naar Suriname is teruggekeerd om daar voor haar zoon te zorgen. Ook heeft verweerder ten onrechte overwogen dat het gezinsleven in Suriname kan worden uitgeoefend, omdat referente twee Nederlandse kinderen heeft en hun vader geen toestemming geeft voor vestiging in Suriname. Verder heeft verweerder ten onrechte gesteld dat eiser nu zelfredzaam is omdat hij meerderjarig is.


Wat is het oordeel van de rechtbank?



Zorgvuldigheid


4. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat verweerder het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid. Op pagina 2 van het bestreden besluit wordt eiser tweemaal aangeduid als de ‘dochter’ van referente. De rechtbank merkt dit aan als kennelijke verschrijving. Uit het bestreden besluit volgt niet dat verweerder de door eiser en referente aangevoerde feiten en omstandigheden niet heeft betrokken. De formele vereisten waaraan niet zou zijn voldaan, worden benoemd in de alinea waarin het primaire besluit wordt samengevat. Hoewel verweerder daarna zegt dat de redenen op basis waarvan hij tot dit besluit is gekomen, hier worden herhaald, wordt vervolgens duidelijk aangegeven dat de afwijzingsgronden met betrekking tot deze formele vereisten vervallen. Ook hieruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet van onzorgvuldige besluitvorming.
Middelenvereiste

5. Eiser heeft een beroep gedaan op het arrest van het Hof van 3 oktober 2019. Daarin heeft het Hof bepaald dat artikel 5, eerste lid, onder a, van de Langdurig ingezetene-richtlijn zo moet worden uitgelegd dat het begrip inkomsten in deze bepaling niet uitsluitend ziet op de eigen inkomsten van de aanvrager van de status van langdurig ingezetene, maar ook de inkomsten kan omvatten die door een derde aan die aanvrager ter beschikking worden gesteld. In dit arrest heeft het Hof ook overwogen dat uit artikel 7, eerste lid, onder c van de Gezinsherenigingsrichtlijn voortvloeit dat niet de herkomst van de inkomsten beslissend is, maar de stabiliteit en toereikendheid ervan. Hierbij heeft het Hof ook verwezen naar het arrest Chakroun, waar eiser ook een beroep op heeft gedaan.


5.1.
Het beroep van eiser op het arrest van het Hof van 3 oktober 2019 slaagt niet. Ook al zou uit dit arrest volgen dat inkomsten van derden betrokken moeten worden bij de beoordeling van het middelenvereiste, heeft verweerder er terecht op gewezen dat niet is gebleken dat door de ondersteuning van opa sprake is van stabiele en regelmatige inkomsten die voldoen om referente en haar gezinsleden te onderhouden zonder een beroep te doen op het stelsel voor sociale bijstand. Referente ontvangt immers nog steeds een uitkering in het kader van de Participatiewet (hierna: de Pw). Ook eisers beroep op het arrest Chakroun slaagt gelet daarop niet.

6. Vrijstelling van het middelenvereiste is mogelijk als de referent de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, de referent naar het oordeel van verweerder blijvend en volledig arbeidsongeschikt is, of de referent blijvend niet in staat is om aan de plicht tot arbeidsinschakeling te voldoen. Verweerder neemt in ieder geval aan dat de referent blijvend niet in staat is om aan de wettelijke verplichting tot arbeidsinschakeling conform artikel 9 van de Pw te voldoen als de referent voldoet aan de volgende voorwaarden: a) de referent is vijf jaar op grond van artikel 9, tweede lid, van de Pw volledig ontheven van de plicht tot arbeidsinschakeling, en b) gedeeltelijke of volledige arbeidsinschakeling van de referent is niet binnen één jaar te voorzien.



6.1.
Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat referente niet voldoet aan de voorwaarden voor vrijstelling van het middelenvereiste. Uit de door referente overgelegde brief van de [gemeente] blijkt dat zij tijdelijk is vrijgesteld van de plicht tot arbeidsinschakeling op grond van artikel 9a van de Pw omdat zij de zorg heeft over kinderen beneden de 5 jaar. Ten aanzien van de verwijzing van referente naar de uitspraak van de zittingsplaats Middelburg van 5 december 2022 heeft verweerder kunnen concluderen dat geen sprake is van een vergelijkbare situatie.


8 EVRM


7. In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat er tussen minderjarige broers en zussen familie- en gezinsleven bestaat als zij in hetzelfde gezin hebben samengewoond. Omdat eiser niet met zijn halfbroertje en -zusje heeft samengewoond, heeft verweerder geconcludeerd dat er geen sprake is van familie- en gezinsleven tussen eiser en zijn halfbroertje en -zusje. Tussen minderjarige broers en zussen kan echter ook familie- of gezinsleven bestaan wanneer zij niet in hetzelfde gezin hebben samengewoond, wanneer sprake is van hechte persoonlijke banden. Het besluit bevat hierom een motiveringsgebrek. De rechtbank ziet aanleiding om dat gebrek te passeren gelet op de motivering van verweerder op de zitting. Verweerder heeft kunnen concluderen dat het gegeven dat eiser en zijn halfbroertje- en zusje elkaar zien als referente en eiser videobellen, onvoldoende is om hechte persoonlijke banden aan te nemen.

8. Verweerder heeft zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat tussen eiser en zijn opa niet is gebleken van hechte persoonlijke banden. De relatie tussen een grootouder en kleinkind verschilt onder normale omstandigheden naar haar aard van die van een ouder en een minderjarig kind en geeft daarom in het algemeen aanleiding voor een mindere mate van bescherming. Hechte persoonlijke banden kunnen bijvoorbeeld worden aangenomen in de situatie dat een grootouder voor een bepaalde periode de ouderlijke rol heeft overgenomen door het kleinkind te verzorgen en op te voeden. In die context heeft verweerder kunnen overwegen dat het enkele feit dat de opa van eiser hem regelmatig opzoekt in Suriname en dat zij veel contact hebben, onvoldoende is voor de conclusie dat sprake is van hechte persoonlijke banden.

9. Tussen eiser en referente heeft verweerder wel familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM aangenomen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de belangenafweging in het nadeel van eiser kunnen laten uitvallen. Verweerder heeft in het nadeel kunnen betrekken dat het een eerste toelating betreft en dat eiser bij toelating in Nederland aanspraak zal maken op uit algemene middelen gefinancierde faciliteiten. Verweerder heeft daarbij kunnen verwijzen naar zijn conclusie met betrekking tot het middelenvereiste. Op de zitting heeft eiser nog een beroep op het gelijkheidsbeginsel gedaan. Hij heeft hierbij gewezen op een andere zaak waarin de rechtbank heeft overwogen dat verweerder onder artikel 8 van het EVRM de bevoegdheid heeft om over het middelenvereiste heen te stappen en verweerder vervolgens een inwilligend besluit heeft genomen. Er is echter geen sprake van een vergelijkbare zaak, gelet op de toelichting van verweerder dat referente in die zaak geen beroep meer deed op de sociale bijstand. Hoewel er een subjectieve belemmering bestaat om het gezinsleven in Suriname uit te oefenen, omdat referente inmiddels Nederlandse kinderen heeft, heeft verweerder in eisers nadeel kunnen wegen dat referente in 2017, toen eiser in een kindertehuis kwam te wonen en voordat referente kinderen had in Nederland, de keuze heeft gemaakt om niet terug te keren naar Suriname. Dat referente toen niet terug kon keren omdat zij in Nederland geen verblijfsvergunning had en geen financiële middelen had, zoals ter zitting betoogd, volgt de rechtbank niet. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat in 2014 al een terugkeerbesluit aan referente was opgelegd en niet valt in te zien waarom zij niet zou hebben kunnen voldoen aan deze terugkeerverplichting. Dat eiser inmiddels meerderjarig is en van hem verwacht kan worden dat hij zelfredzaam is, is niet tegengeworpen in het kader van de belangenafweging maar heeft verweerder betrokken bij zijn oordeel dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden waarin hij aanleiding kan zien om af te wijken van zijn beleid.





Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.

11. In het geconstateerde motiveringsgebrek ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.868,-. Ook moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden.





Beslissing

De rechtbank:


verklaart het beroep ongegrond;


veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-;


bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden.







Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C. Bakker, griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:




Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.


Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.


Op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).


ECLI:NL:RBDHA:2022:13188.


ECLI:EU:C:2019:830.


Arrest van het Hof van 4 maart 2010, ECLI:EU:C:2010:117


Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen.


Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging.


De rechtbank geeft hierbij toepassing aan artikel 6:22 van de Awb.


Vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4685, r.o. 3.2.


Uitspraak van de rechtbank Den Haag van 10 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:22177.
Link naar deze uitspraak