Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBZWB:2026:2734 
 
Datum uitspraak:08-04-2026
Datum gepubliceerd:28-04-2026
Instantie:Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zaaknummers:11866641 AZ VERZ 25-58 (E 11866641 AZ VERZ 25-58 (E
Rechtsgebied:Arbeidsrecht
Indicatie:De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden vanwege verwijtbaar handelen of nalaten van werknemer. Werknemer had niet mogen weigeren toen zij werd opgeroepen voor werk. De door werknemer gestelde vrijstelling van werk blijkt niet uit de echtscheidingsbeschikking tussen werknemer en de (voormalig) bestuurder van werkgever. Evenmin slaagt de stelling van werknemer dat sprake is van rechtsverwerking. Er is niet gebleken van bijkomende omstandigheden, naast tijdsverloop, waardoor een gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt bij werknemer dat zij niet meer hoefde te werken, of dat werknemer onredelijk nadeel heeft ondervonden omdat werkgever alsnog aanspraak maakte op de uitvoering van arbeid in plaats van op een eerder moment. Het pertinent weigeren van arbeid kwalificeert als ernstig verwijtbaar handelen of nalaten. Er wordt geen rekening gehouden met een opzegtermijn en werknemer komt geen transitievergoeding toe.
Trefwoorden:arbeidsovereenkomst
levensonderhoud
vrijstelling
wettelijke rente
 
Uitspraak
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT


Civiel recht
Kantonrechter

Zittingsplaats Bergen op Zoom

Zaaknummer / rekestnummer: 11866641 \ AZ VERZ 25-58


Beschikking van 8 april 2026


in de zaak van



[werkgever] B.V.,
te [plaats 1] ,
verzoekende partij,
verwerende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [werkgever] ,
gemachtigde: mr. M.E. Smits,

tegen



[werknemer]
,
te [plaats 2] ,
verwerende partij,
verzoekende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [werknemer] ,
gemachtigde: mr. G. Bloem.




1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties 1 tot en met 7;
- het verweerschrift met producties A tot en met F;
- de akte vermeerdering verzoek;
- de e-mail van mr. Oliemans, de vorige gemachtigde van [werkgever] , van 12 januari 2026 met aantekeningen en producties A tot en met E;
- de mondelinge behandeling van 16 januari 2026 en de door mr. Bloem overgelegde beschikking van deze rechtbank, team Familie- en Jeugdrecht, van 9 januari 2026.



1.2.
Op de mondelinge behandeling zijn naast deze zaak ook de zaken 11834388 CV EXPL 25-2683 en 12013266 VV EXPL 25-55 tussen partijen behandeld.



1.3.
Na de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter op verzoek van partijen de procedures aangehouden, zodat zij de mogelijkheden voor een minnelijke regeling konden beproeven. Bij e-mail van 11 februari 2026 heeft mr. Smits bericht dat partijen geen minnelijke regeling hebben getroffen.



1.4.
De beschikking is bepaald op vandaag.





2De feiten


2.1.

[werkgever] en [werknemer] hebben op 1 september 2013 een Arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd ondertekend op grond waarvan [werknemer] in dienst trad van [werkgever] in de functie van Secretarieel medewerkster.



2.2.

[werknemer] is gehuwd geweest met de heer [naam 1] . Hij is (indirect) aandeelhouder van [werkgever] . Voorheen was hij ook de bestuurder van [werkgever] . In 2018 zijn [werknemer] en [naam 1] gescheiden. In het echtscheidingsconvenant staat, voor zover van belang:



Artikel 1. PARTNERALIMENTATIE




1.1

Tussen partijen wordt geen partneralimentatie overeengekomen omdat beide partijen ten tijde van het ondertekenen van het convenant in staat zijn in hun eigen levensonderhoud te voorzien.




1.2

De vrouw zal een beroepsopleiding volgen. Zij zal in ieder geval een MBO-opleiding volgen. Zij kan de kosten daarvan bij de man declareren. De man zal deze kosten voldoen aan de vrouw tot een maximum van


€ 4.000,-- netto in de vorm van rechtstreekse betalingen aan de opleidingsinstelling.



De betalingen die met deze opleiding gemoeid zijn, zullen niet door de man worden opgevoerd als alimentatie.



De vrouw zal werken in loondienst van een besloten vennootschap die voor honderd procent een dochter is van een holding die volledig eigendom is van de man, waarvan hij directeur-grootaandeelhouder is.



De besloten vennootschap waarvoor de vrouw werkt zal aan de vrouw betalen een bedrag van € 1.500,-- netto per maand te vermeerderen met 8% vakantiegeld. Dit bedrag zal jaarlijks worden verhoogd met inflatiecorrectie conform het gemiddelde prijsindexcijfer voor de gezinsconsumptie (2018=100).




1.3

De vrouw zegt toe geheel of gedeeltelijk ontslag te zullen nemen uit haar hierboven omschreven dienstbetrekking indien en voor zover zij op andere wijze in haar levensonderhoud voorziet, bijvoorbeeld indien zij een passende en gelijkwaardige betrekking elders heeft aanvaard. De vrouw zal zich inspannen om een passende en gelijkwaardige betrekking elders te vinden.”




2.3.
Op 9 augustus 2023 hebben [werkgever] en Escape Educatieve Software B.V. (hierna: EES) een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [werknemer] ingediend bij de kantonrechter van deze rechtbank. Bij beschikking van 7 december 2023 is EES niet-ontvankelijk verklaard in het verzoek en is het verzoek van [werkgever] afgewezen, omdat een voldragen grond voor ontbinding ontbreekt.



2.4.
Bij brief van 15 januari 2024 heeft mevrouw [naam 2], werkzaam bij [werkgever] , EES en Inpetto Jeugd-GGZ, onder verwijzing naar de beschikking van 7 december 2023 aan [werknemer] bericht dat zij wordt gedetacheerd aan Inpetto Jeugd-GGZ. [werknemer] is opgeroepen voor een werkbespreking met mevrouw [naam 3].



2.5.

[werknemer] heeft geweigerd mee te werken aan een werkbespreking. In haar brief van 11 februari 2024 heeft zij geantwoord aan [naam 2] dat in de beschikking van 7 december 2023 niet is te lezen dat zij effectief werkzaamheden zou moeten gaan verrichten. Zij heeft in de brief aanspraak gemaakt op betaling van emolumenten in de toepasselijke cao die nog niet zijn betaald.



2.6.
Partijen hebben gecorrespondeerd met elkaar, maar zij hebben geen overeenstemming bereikt.



2.7.
Bij brief van 7 mei 2024 heeft de gemachtigde van [werkgever] bericht dat [naam 1] werkweigering is van [werknemer] . Namens [werkgever] is een voorstel gedaan voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Daarbij is gemeld dat indien [werknemer] het voorstel niet zou aanvaarden, de loonbetaling wordt gestaakt vanwege werkweigering.



2.8.

[werknemer] heeft het voorstel afgewezen.



2.9.

[werkgever] heeft de betaling van het loon vanaf juni 2024 gestaakt.



2.10.
Op 1 mei 2025 heeft [werknemer] [werkgever] gedagvaard in kort geding bij de kantonrechter van deze rechtbank. In het kort geding heeft zij betaling gevorderd van het loon vanaf juni 2024, de eindejaarsuitkeringen vanaf 2020, wettelijke verhoging, rente en incassokosten, alsmede afgifte van correcte loonstroken en aanmelding bij het pensioenfonds, het UWV en de Belastingdienst. Bij vonnis van 20 juni 2025 heeft de kantonrechter [werkgever] veroordeeld aan [werknemer] om een eindejaarsuitkering, wettelijke verhoging en incassokosten te betalen, alsmede om correcte loonstroken te verstrekken. De overige vorderingen zijn afgewezen.





3Het verzoek en het verweer


3.1.

[werkgever] verzoekt – na vermeerdering van eis – bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primair:
- te verklaren voor recht dat geen sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen partijen;
subsidiair:
- de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden wegens (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten door [werknemer] ;
meer subsidiair:
- de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden wegens een verstoorde arbeidsverhouding;
in het subsidiaire en meer subsidiaire geval:
- te bepalen dat [werknemer] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld of nagelaten, zodat zij geen recht heeft op een transitievergoeding.



3.2.

[werknemer] voert verweer. Zij verzoekt – na vermindering van eis op de mondelinge behandeling – bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primair:


het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst van [werkgever] op alle gronden af te wijzen of [werkgever] niet-ontvankelijk te verklaren;



[werkgever] te veroordelen in de kosten van deze procedure;


subsidiair:


De arbeidsovereenkomst te ontbinden met inachtneming van de volle opzegtermijn van vier maanden en niet eerder dan per 1 juli 2026;



[werkgever] te veroordelen tot het betalen van de transitievergoeding van € 14.727,87 bruto aan [werknemer] ;



[werkgever] te veroordelen tot het betalen van een billijke vergoeding van € 80.000,00 bruto aan [werknemer] ;



[werkgever] te veroordelen tot betaling aan [werknemer] van de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid van de hiervoor genoemde bedragen;



[werkgever] te gelasten om uiterlijk 14 dagen na de ontbindingsdatum een correcte en gespecificeerde eindafrekening op te stellen, te verstrekken en uit te betalen aan [werknemer] met betrekking tot niet genoten vakantiedagen, vakantiegeld en eindejaarsuitkering, zulks op straffe van een dwangsom van € 2.500,00 per dag indien zij hiermee in gebreke blijft;



[werkgever] te veroordelen in de integrale proceskosten, te begroten op € 10.000,00.





3.3.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.





4De beoordeling


Arbeidsovereenkomst


4.1.

[werkgever] stelt (primair) dat geen sprake is van een arbeidsovereenkomst omdat [naam 1] geen arbeid wordt verricht en [naam 1] geen gezagsverhouding is. Volgens hem neemt [werknemer] daarover wisselende standpunten in. [werknemer] betwist die stelling.



4.2.
In de beschikking van 7 december 2023 is reeds geoordeeld dat partijen een arbeidsovereenkomst hebben gesloten. Geen van partijen heeft rechtsmiddelen aangewend tegen die beschikking. De beschikking is in kracht van gewijsde gegaan. Het heeft in deze procedure gezag van gewijsde. Dat wil zeggen dat wat in de beschikking is bepaald, bindend is tussen partijen en onaantastbaar. Het oordeel van de kantonrechter in de beschikking van 7 december 2023 dat [naam 1] een arbeidsovereenkomst is gesloten, geldt dus ook in deze procedure. De gevorderde verklaring dat geen sprake is van een arbeidsovereenkomst, wordt daarom afgewezen.


Ontbinding



4.3.
Een arbeidsovereenkomst kan op verzoek van de werkgever worden ontbonden als daarvoor een redelijke grond aanwezig is (artikel 7:669 lid 1 BW). Onder een redelijke grond wordt mede verstaan verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer, zodanig dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren (artikel 7:669 lid 3 sub e BW). Daarnaast is vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn in een andere passende functie niet mogelijk is of niet in de rede ligt (artikel 7:669 lid 1 BW).



4.4.

[werkgever] stelt (subsidiair) dat [naam 1] verwijtbaar handelen of nalaten van [werknemer] is, (onder meer) omdat zij weigert te werken.



4.5.

[werknemer] betwist het verwijtbaar handelen of nalaten. Zij stelt dat bij het sluiten van het echtscheidingsconvenant de afspraak is gemaakt dat zij is vrijgesteld van werk. Het loon is verkapte partneralimentatie. Dit is opgetuigd door [naam 1] vanwege fiscale redenen, aldus [werknemer] . Daarnaast stelt zij dat sprake is van rechtsverwerking. [werknemer] heeft in september 2013 drie weken 16 uur gewerkt voor [werkgever] , daarna niet meer. Zij mocht erop vertrouwen dat [werkgever] niet langer wilde dat zij nog kwam werken. Daarvoor zijn [naam 1] volgens haar bijkomende omstandigheden, namelijk een WhatsAppbericht van [naam 1] op 7 februari 2023 waarin hij vermeldt dat [naam 1] een “fictief dienstverband” is, en de omstandigheid dat voor alimentatie sec geen verplichting tot werk is.



4.6.
De kantonrechter neemt tot uitgangspunt dat een arbeidsovereenkomst een overeenkomst is waarbij de werknemer zich verbindt om in dienst van de werkgever tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten (artikel 7:610 BW).


Vrijstelling van werk



4.7.
De door [werknemer] gestelde vrijstelling van werk blijkt niet uit het convenant. Integendeel, daarin staat juist dat [werknemer] gaat werken. Zo staat in de derde alinea van artikel 1.2 van het convenant dat [werknemer] “zal werken” in loondienst van een van de besloten vennootschappen van [naam 1] en in de vierde alinea staat dat de besloten vennootschap waarvoor [werknemer] “werkt”, € 1.500,00 netto, te vermeerderen met vakantietoeslag, aan haar betaalt (zie punt 2.2.). [werknemer] heeft geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit volgt dat zij niet hoefde te werken. De omstandigheid dat [werkgever] haar na de werkzaamheden in september 2013 pas weer in januari 2024 heeft opgeroepen voor een werkoverleg, maakt op zichzelf nog niet dat [naam 1] dus voor [werknemer] een vrijstelling voor het werk was. Gelet op de moeizame relatie tussen [werknemer] en [naam 1] , die blijkt uit de diverse procedures die zij tegen elkaar voeren en hebben gevoerd, was het begrijpelijk dat [werkgever] [naam 1] eerder voor koos [werknemer] niet op te roepen om te werken.



4.8.
De omstandigheid dat [werkgever] om fiscale redenen kiest voor een dienstverband en loon in plaats van partneralimentatie, maakt het voorgaande niet anders. Overigens heeft [werknemer] , met de bijstand van een mediator, daarmee ingestemd in het convenant.


Rechtsverwerking



4.9.
Volgens vaste rechtspraak is voor een geslaagd beroep op rechtsverwerking, oftewel het verlies van rechten, enkel tijdsverloop onvoldoende. [naam 1] zijn bijkomende omstandigheden vereist op grond waarvan moet worden geoordeeld dat hetzij bij de schuldenaar het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de schuldeiser zijn recht niet meer zal uitoefenen, hetzij dat sprake is van onredelijk nadeel aan de zijde van de schuldenaar als de schuldeiser zijn recht alsnog geldend zal maken (Hoge Raad 29 september 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1827 en Hoge Raad 29 november 1996, NJ 1997/153).


Gerechtvaardigd vertrouwen



4.10.

[werknemer] wordt niet gevolgd in haar stelling dat het WhatsAppbericht van [naam 1] op 7 februari 2023 een bijkomende omstandigheid oplevert voor een gerechtvaardigd vertrouwen dat zij niet langer hoefde te werken. Op 6 en 7 februari 2023 hebben [naam 1] en [werknemer] een WhatsAppconversatie gehad. Op 6 februari 2023 heeft [naam 1] een document met de naam: LBIO Indexering Alimentatie – LBIO 2023.pdf gedeeld met [werknemer] en aan haar geschreven:


“Ha [werknemer], ik heb even gekeken en de zojuist gestuurde indexering is toegepast. Volgt de loonindex en idd zijn de prijzen wel heel veel meer gestegen afgelopen periode.”





[werknemer] heeft daarop geantwoord op 7 februari 2023:


“Ha [naam 1],


Dat is niet volgens het convenant. Dat heb ik net nagelezen. Daar staat in dat de consumenten index gehanteerd moet worden. Daarnaast is het geen echte alimentatie, maar ben ik in loondienst.”


Zij heeft vervolgens een link naar de website van het CBS gedeeld met [naam 1] .

In antwoord daarop heeft [naam 1] op diezelfde dag geschreven:


“Klopt ja, fictief dienstverband. Afgelopen jaren is wel de lbio index toegepast, soms is dat voordelig en soms niet. De lonen stijgen niet gelijk met de inflatie dus we gaan [naam 1] allemaal op achteruit. 10% is niet haalbaar en ook niet reëel. Wat zullen we hierover afspreken?”




4.11.

[naam 1] en [werknemer] hebben een conversatie over de indexering van het loon. Het gaat niet over het wel of niet werken. [naam 1] gebruikt in dat verband de term: fictief dienstverband. De kantonrechter leest die term in de context dat [naam 1] op dat moment in 2023 al een aantal jaar niet werd gewerkt. Daarmee is echter nog niets gezegd over het punt of [werknemer] in de toekomst wel of niet hoeft werken (zie punt 4.7.).



4.12.
Een gerechtvaardigd vertrouwen is ook niet af te leiden uit de omstandigheid dat voor partneralimentatie niet hoeft te worden gewerkt, ook niet als die omstandigheid wordt bezien in onderling samenhang met de WhatsAppconversatie. Partijen hebben in het convenant ten aanzien van het onderdeel/het hoofdstuk Partneralimentatie de afspraak gemaakt dat [naam 1] geen partneralimentatie wordt betaald, maar dat [werknemer] in dienst is van een de vennootschappen van [naam 1] en loon ontvangt (zie punt 2.2.).



4.13.

[naam 1] is dus niet gebleken van bijkomende omstandigheden, naast tijdsverloop, dat een gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt bij [werknemer] dat zij niet langer hoefde te werken.


Onredelijk nadeel



4.14.
Evenmin zijn bijkomende omstandigheden gebleken waaruit volgt dat [werknemer] onredelijk nadeel heeft ondervonden omdat [werkgever] alsnog aanspraak maakte op de uitvoering van arbeid in plaats van op een eerder moment.



4.15.
Gelet op het bovenstaande faalt het beroep op rechtsverwerking door [werknemer] .


Werkweigering



4.16.

[werknemer] had dus niet mogen weigeren toen [naam 2] haar opriep voor een bespreking over het verrichten van werk. In het kort gedingvonnis van 20 juni 2025 heeft de kantonrechter hetzelfde geoordeeld. Dat heeft [naam 1] niet toe geleid dat [werknemer] haar standpunt heeft gewijzigd en zich alsnog bereid heeft verklaard om weer aan het werk te gaan. Integendeel, zij heeft haar standpunt in deze procedure gehandhaafd. [naam 1] is sprake van een pertinente werkweigering.



4.17.
De werkweigering levert verwijtbaar handelen of nalaten van [werknemer] op. Daarmee is [naam 1] een redelijke grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Omdat [naam 1] verwijtbaar handelen of nalaten is, ligt herplaatsing van [werknemer] niet in de rede (artikel 7:669 lid 1 BW). De kantonrechter zal de arbeidsovereenkomst ontbinden.


Geen opzegtermijn



4.18.
De pertinente werkweigering van [werknemer] kwalificeert zelfs als ernstig verwijtbaar handelen of nalaten. Daarom geldt [naam 1] geen opzegtermijn voor [werkgever] (artikel 7:671b lid 9 sub b BW). De kantonrechter bepaalt de einddatum van de arbeidsovereenkomst op 9 april 2026.


Geen transitievergoeding



4.19.

[werkgever] is geen transitievergoeding verschuldigd vanwege het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [werknemer] (artikel 7:673 lid 7 aanhef en sub c BW).


Geen billijke vergoeding



4.20.
De kantonrechter ziet geen grond voor toekenning van de door [werknemer] verzochte billijke vergoeding. Op grond van artikel 7:671b lid 9 aanhef en sub c BW kan een billijke vergoeding worden toegekend als de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Dat zal zich alleen voordoen in uitzonderlijke gevallen en als een werkgever de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst in ernstige mate schendt (Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3, p. 34). Daarvan is niet gebleken.


Eindafrekening



4.21.
Vanwege het beëindigen van de arbeidsovereenkomst heeft [werknemer] recht op een eindafrekening. Haar tegenverzoek tot het opstellen, verstrekken en uitbetalen daarvan zal worden toegewezen, met dien verstande dat de eindafrekening opgesteld, verstrekt en uitbetaald moet worden binnen veertien dagen nadat eindvonnis is gewezen in de zaak 11834388 CV EXPL 25-2683 tussen partijen. De procedure in die zaak loopt nog. In die zaak is in geschil wat het loon van [werknemer] bedraagt. Een oordeel over het loon is nodig voor een correcte eindafrekening.



4.22.
De gevorderde dwangsom is niet weersproken. Die zal worden toegewezen, met inachtneming van het volgende. De dwangsom geldt voor de veroordeling tot het opstellen en verstrekken van de eindafrekening. Die geldt niet voor het betalen van hetgeen [werkgever] uit hoofde van een eindafrekening is verschuldigd. Een dwangsom kan niet worden opgelegd in geval van een veroordeling tot betaling van een geldsom (artikel 611a lid 1 Rv). De dwangsom wordt bepaald op € 150,00 per dag en gemaximeerd op € 15.000,00 (artikel 611b Rv). De dwangsom moet een prikkel tot nakoming zijn. De kantonrechter oordeelt voormelde dwangsom een voldoende prikkel. Daarnaast wordt bepaald dat de dwangsom is verschuldigd na betekening van deze beschikking en van het eindvonnis in de zaak 11834388 CV EXPL 25-2683 (artikel 611a lid 3 Rv).


Proceskosten



4.23.
De proceskosten komen voor rekening van [werknemer] , omdat [werknemer] overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [werkgever] worden begroot op € 1.144,00 (€ 135,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.









5De beslissing

De kantonrechter


5.1.
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 9 april 2026,



5.2.
veroordeelt [werknemer] in de proceskosten van € 1.144,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [werknemer] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,



5.3.
veroordeelt [werkgever] om binnen veertien dagen na het eindvonnis in de zaak 11834388 CV EXPL 25-2683 een correcte en gespecificeerde eindafrekening op te stellen, te verstrekken en uit te betalen aan [werknemer] met betrekking tot niet genoten vakantiedagen, vakantiegeld en eindejaarsuitkering, zulks op straffe van een dwangsom van € 150,00 per dag dat [werkgever] in gebreke blijft met het opstellen en verstrekken van de eindafrekening aan [werknemer] en na betekening van deze beschikking en van het eindvonnis in de zaak 11834388 CV EXPL 25-2683, met een maximum van € 15.000,00.



5.4.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad,



5.5.
wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. Swaanen en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026.
Link naar deze uitspraak