Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBGEL:2026:3108 
 
Datum uitspraak:08-04-2026
Datum gepubliceerd:30-04-2026
Instantie:Rechtbank Gelderland
Zaaknummers:11896848
Rechtsgebied:Arbeidsrecht
Indicatie:De mogelijkheid tot het opnemen van PDI-uren in de vorm van een sabbatical. Fiscale regelgeving (en de uitwerking daarvan in de cao en het beleid van werkgever) staat in beginsel niet in de weg aan het opnemen van een PDI-sabbatical. Werkgever mag wel verlangen dat werknemer ieder jaar bespreekt in hoeverre het binnen de werkverdelingsplannen past om het gewenste verlof toe te kennen.
Trefwoorden:aow
arbeidsovereenkomst
eindheffing
loonbelasting
wet op de loonbelasting
 
Uitspraak
RECHTBANK
GELDERLAND


Civiel recht
Kantonrechter

Zittingsplaats Zutphen

Zaaknummer: 11896848 \ CV EXPL 25-2623


Vonnis van 8 april 2026


in de zaak van



[naam eiser]
,
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [de eiser] ,
gemachtigde: mr. F.A. de Jonge,

tegen

de stichting

STICHTING IJSSELGRAAF,
te Hummelo,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Stichting IJsselgraaf,
gemachtigde: mr. J.F.H. Terpstra.





1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:


de dagvaarding van 15 september 2025 met producties,


de conclusie van antwoord met producties,


het tussenvonnis van 5 november 2025 waarin de mondelinge behandeling is bepaald,


de akte overlegging productie van Stichting IJsselgraaf.





1.2.
Op 5 februari 2026 vond de mondelinge behandeling plaats. [de eiser] verscheen met haar gemachtigde mr. F.A. de Jonge. Namens Stichting IJsselgraaf waren de heer [bestuurder] (bestuurder), mevrouw [beleidsadviseur] (beleidsadviseur P&O) en mr. J.F.A. Terpstra aanwezig. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, door Stichting IJsselgraaf zijn spreekaantekeningen overgelegd en door de griffier zijn aantekeningen gemaakt.



1.3.
Tot slot is bepaald dat een vonnis zal worden gewezen.





2De kern van de zaak


2.1.

[de eiser] werkt als leerkracht primair onderwijs bij Stichting IJsselgraaf. Zij wil verlof sparen en opnemen om telkens in het voorjaar langere periodes vrij te nemen (sabbaticals). Deze verlofmogelijkheid is geregeld in de cao Primair Onderwijs, in het hoofdstuk over Professionalisering en Duurzame Inzetbaarheid (PDI). [de eiser] heeft een meerjarenplan opgesteld waar haar verzoek in staat (PDI-plan). Stichting IJsselgraaf heeft aanvankelijk overwegend positief gereageerd op het plan, met de kanttekening dat over het verlof ieder jaar overleg moet plaatsvinden in verband met de werkverdelingsplannen. Vervolgens heeft Stichting IJsselgraaf aan [de eiser] laten weten dat het hoe dan ook niet mogelijk is langere periodes verlof te nemen in verband met fiscale regelgeving en de uitwerking daarvan in de cao en het beleid van Stichting IJsselgraaf.



2.2.
Volgens Stichting IJsselgraaf hebben partijen geen overeenstemming over de opnamedata volgens het plan. Ook betoogt Stichting IJsselgraaf dat het nemen van een sabbatical in strijd is met de fiscale regelgeving. Ten slotte vindt zij dat zij – gelet op de jaarlijkse werkverdelingsplannen – nu nog geen toestemming kan geven voor verlof in de komende jaren.



2.3.
De vorderingen van [de eiser] zullen worden afgewezen, omdat ieder jaar overleg moet plaatsvinden over de opnamedata. Stichting IJsselgraaf mag verlangen om ieder jaar te bespreken in hoeverre het in de werkverdelingsplannen past om het gewenste verlof toe te kennen. De fiscale regelgeving (en de uitwerking daarvan in de cao en het beleid) staat in beginsel niet in de weg aan het opnemen van een PDI-sabbatical.





3De feiten


3.1.
Stichting IJsselgraaf is een overkoepelende organisatie voor scholen binnen het primair onderwijs. Zij vormt het bestuur van 19 openbare basisscholen in drie verschillende gemeenten.



3.2.

[de eiser] , geboren op [geboortedatum] , is sinds 23 april 2003 werkzaam bij Stichting IJsselgraaf in de functie van leerkracht, laatstelijk voor 32 uur per week. Zij is werkzaam binnen de invalpoule en heeft geen vaste klas of rooster. Op de arbeidsovereenkomst van [de eiser] is via een incorporatiebeding de CAO Primair Onderwijs (hierna: cao) van toepassing.



3.3.
Op 27 juni 2022 heeft [de eiser] bij Stichting IJsselgraaf aangegeven dat zij gebruik wil maken van de door de cao geboden mogelijkheid om extra verlofuren te sparen en op te nemen ten behoeve van haar duurzame inzetbaarheid (PDI). Daarop heeft [personeelsadviseur] (personeelsadviseur Stichting IJsselgraaf) – voor zover relevant –geantwoord:

“U heeft in uw mail van 27 juni jl. een verzoek gedaan voor opname van Duurzame Inzetbaarheid. Op [geboortedag] bereikt u de leeftijd van 57 jaar. Het College van Bestuur gaat akkoord met uw verzoek.

[..]


In overleg met uw leidinggevende kunt u de uren vanuit het basisbudget en bijzonder budget, op basis van een vooraf ingediend plan, gedurende vijf jaar sparen. Bij het opnemen van deze uren, kan de totale omvang van het verlof niet meer bedragen dan 340 uur per jaar.”



3.4.
In april 2023 heeft [de eiser] een e-mail aan [personeelsadviseur] gestuurd met het verzoek om haar uren op dezelfde wijze te sparen als in 2022. Hierop heeft [personeelsadviseur] geantwoord dat de opbouw van PDI-uren moet worden opgenomen in een plan dat met de leidinggevende besproken moet worden.



3.5.
In augustus 2023 heeft [de eiser] een e-mail aan [medewerker] (P&O Stichting IJsselgraaf) gestuurd, waarin [de eiser] aangeeft dat zij haar verlofuren wil gebruiken om sabbaticals op te nemen rond (voor/na) een schoolvakantieperiode om gedurende een langere termijn voldoende afstand te kunnen nemen van haar werk. Hierop heeft [directeur 1] (directeur Mozaïek basisschool Stichting IJsselgraaf) – voor zover relevant – het volgende geantwoord:

“Wanneer iemand een schooljaar extra verlof wil opnemen, dient die persoon dit in elk geval aan het einde van het schooljaar ervoor te bespreken met de leidinggevende. Vervolgens kijken we in hoeverre dit te realiseren is en wordt het opgenomen in de werkverdelingsplannen van dat schooljaar. In jouw geval dien je een verzoek voor verlof in aan het begin van het betreffende schooljaar, zonder onderliggend plan voor de komende 5 jaar. Het is je recht dat je gespaarde PDI uren mag opnemen (nogmaals op basis van een van tevoren ingediend plan). Het is geen recht de uren op te nemen wanneer jij wilt.”



3.6.
Op 24 juni 2024 heeft [de eiser] haar PDI-plan aan [directeur 1] gestuurd. In dit plan staan het aantal te sparen uren, het aantal op te nemen uren en het aantal resterende uren voor de schooljaren 2022 tot en met 2032. [de eiser] heeft ook een overzicht ‘Detail Uren berekening’ bijgevoegd, waarin zij per maand aangeeft hoeveel uren zij opbouwt en spaart en wanneer zij de uren wil opnemen. In dat overzicht is de opname van uren steeds gepland in de maanden maart of april.



3.7.

[directeur 1] heeft op 25 juni 2024 per e-mail het volgende geschreven:

“Dank je wel voor dit uitgebreide overzicht. Het geeft een goed beeld van de uren die je opbouwt en jaarlijks wilt gaan opnemen. Zoals je al in een mail hebt aangegeven geeft jou een wat langer aaneengesloten periode vrij de gelegenheid om te reizen en even wat afstand te nemen, om daarna weer energiek aan het werk te kunnen gaan.

In het overzicht is goed te zien in welke perioden je dat plant.


Ik neem in mijn reactie aan jou [medewerker 1] en [medewerker 2] van P&O mee, zodat zij ook op de hoogte zijn en ik zal het document ook in je dossier opslaan.


Ik zal [medewerker 3] informeren dat jij van 17 maart 2025 tot en met vrijdag 25 april niet inzetbaar bent, zodat zij hiermee rekening kan houden bij het matchen.



Jaarlijks kan je met je leidinggevende bespreken om welke data het dat betreffende schooljaar gaat, zodat dit ook met de IJsselpool gecommuniceerd kan worden. Ik ben van mening dat wij het nu wel voldoende besproken hebben en stem in met jouw plan.”



3.8.
Op 15 mei 2025 heeft [de eiser] per e-mail aan [directeur 2] (directeur OBS De Dorpsschool Stichting IJsselgraaf) doorgegeven dat zij van 2 april tot en met 3 mei 2026 verlof wil opnemen. Ook heeft zij aangegeven dat zij in het schooljaar 2026/2027 in de periode van 12 maart 2027 tot en met 3 mei 2027 verlof wil opnemen.



3.9.
Op 19 mei 2025 heeft [directeur 2] per e-mail – voor zover relevant – het volgende geantwoord:

“Wat betreft je verlofvraag: Ik heb overleg gehad met [medewerker 1] . Zij heeft een stuk opgesteld met informatie en richtlijnen over duurzame inzetbaarheid voor alle personeelsleden van IJsselgraaf. Deze wordt zeer binnenkort gedeeld. Het gaat onder andere over duurzame inzetbaarheid waarbij je wel 50% van je werktijdfactor aanwezig hoort te zijn op je werkplek. Dit zou betekenen dat je geen lange periodes vrij kunt nemen voor bijvoorbeeld een verre reis.”



3.10.
Op 10 juli 2025 heeft (de gemachtigde van) [de eiser] per e-mail – voor zover relevant – het volgende aan Stichting IJsselgraaf gestuurd:

“In de mail geeft [de eiser] aan dat zij in 2026 van donderdag 2 april tot en met zondag 3 mei 96 uren wil opnemen in het kader van de duurzame inzetbaarheidsregeling. Ook geeft zij alvast de data voor in 2027 door, namelijk vrijdag 12 maart tot en met zondag 3 mei.
[…]

Gelet op bovenstaande kan ik niet anders concluderen dat tussen [de eiser] en uw cliënte afdwingbare afspraken zijn gemaakt, die erop neerkomen dat [de eiser] overeenkomstig het door haar opgestelde plan elk jaar uren kan opnemen voor verlof.”



3.11.
Daarop heeft (de gemachtigde van) Stichting IJsselgraaf per e-mail – voor zover relevant – het volgende geantwoord:

“In het verlengde hiervan heeft cliente -coulancehalve- besloten om de aanvraag voor de opname van PDI uren voor dit schooljaar (2025/2026) goed te keuren. Zij vindt de hele gang van zaken voor uw cliente uitermate vervelend en wil -nogmaals- ook zoveel mogelijk proberen rekening te houden met de wensen van haar werknemers. Uw cliente wordt verzocht om voor het volgende schooljaar (2026/2027) tijdig een nieuwe aanvraag in te dienen voor wijze waarop zij haar PDI uren voor dat schooljaar wil inzetten.”



3.12.
Stichting IJsselgraaf heeft de inspecteur van de Belastingdienst Midden- en kleinbedrijf Kantoor Arnhem verzocht een standpunt in te nemen over het recht tot opname van PDI-uren van werknemers van 57 jaar en ouder in relatie tot de pseudo-eindheffing bij een Regeling voor Vervroegde Uittreding (hierna: RVU). Bij brief van 1 oktober 2025 heeft de Belastingdienst een zienswijze gegeven over wanneer de werkgever “RVU-risico” (het betalen van een hoog belastingtarief) loopt. De zienswijze luidt – voor zover relevant – als volgt:

“opname PDI-uren oudere werknemer voor een sabbatical waardoor er minder dan 50% feitelijk per week wordt gewerkt, is derhalve niet in overeenstemming met artikel 8.7 lid 1 URLB 2011, waardoor de werkgever RVU-risico loopt.”





4Het geschil


4.1.

[de eiser] vordert – op hoofdlijnen weergegeven, en naast proceskosten – primair dat voor recht wordt verklaard dat er tussen partijen een schriftelijke overeenkomst bestaat over de wijze van sparen, opbouw en opname van PDI-uren en dat [de eiser] gerechtigd is om verlof op te nemen in de in het plan weergegeven periodes:



voor het schooljaar 2025/2026: 96 uur vanaf april 2026;


voor het schooljaar 2026/2027: 192 uur vanaf maart 2027;


voor het schooljaar 2027/2028: 96 uur vanaf april 2028;


voor het schooljaar 2028/2029: 192 uur vanaf maart 2029;


voor het schooljaar 2029/2030: 96 uur vanaf april 2030;


voor het schooljaar 2030/2031: 192 uur vanaf maart 2031;


voor het schooljaar 2031/2032: 96 uur vanaf april 2032.





4.2.
Subsidiair vordert [de eiser] dat voor recht wordt verklaard dat de verlofaanvraag (in de vorm van het plan) is goedgekeurd. Meer subsidiair vordert [de eiser] dat de brief van 10 juli 2025 geldt als een verlofaanvraag overeenkomstig het plan en dat deze verlofaanvraag zonder gewichtige redenen is geweigerd, zodat het verlof als opgenomen in het plan geacht wordt te zijn goedgekeurd.



4.3.
Stichting IJsselgraaf heeft gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de vordering.



4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.





5De beoordeling


PDI-uren in de toepasselijke cao



5.1.
De PDI-uren waarop [de eiser] in deze procedure een beroep doet, vinden hun oorsprong in de tussen partijen geldende cao. De kantonrechter zal de relevante cao-bepalingen dan ook als uitgangspunt nemen bij de beoordeling van de vorderingen van [de eiser] . In de cao (versie 2024-2025) staat over PDI-uren – voor zover relevant – het volgende.


“9.4 Individueel bepaalde PDI-activiteiten

[…]
1. In aanvulling op de opgedragen professionalisering zoals opgenomen in artikel 9.3 maken werknemer en werkgever jaarlijks afspraken over professionalisering en duurzame inzetbaarheid (PDI) van de werknemer aansluitend bij de individuele behoefte van de werknemer.
[…]

6. Werkgever en werknemer bepalen in overleg het tijdstip waarop de uren worden benut.

[…]


9.6

PDI-budget oudere werknemers




Iedere werknemer van 57 jaar en ouder heeft, in aanvulling op de PDI-uren genoemd in artikel 9.4, jaarlijks recht op een bijzonder PDI-budget oudere werknemers van 130 uur naar rato van de werktijdfactor.




De werknemer kan de uren van het eerste lid inzetten voor de algemene bestedingsdoeleinden uit artikel 9.4 lid 5 en voor het opnemen van verlof (bijvoorbeeld sabbatical, extra zorgverlof, recuperatieverlof).



[…]

10. De werknemer van 57 jaar en ouder kan het PDI-budget oudere werknemer en 40 uur van het PDI-budget van artikel 9.4 lid 4 in overleg met de werkgever op basis van een vooraf ingediend plan maximaal vijf jaar sparen.


11. Bij het opnemen van deze uren, kan de totale omvang van het verlof niet meer bedragen dan 340 uur per jaar naar rato van de werktijdfactor.




9.8

Overige bepalingen

1. Opname van verlof als bedoeld in dit hoofdstuk mag geen regeling voor vervroegde uittreding opleveren zoals bedoeld in de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011 (tekst 2014). In dit geval dient steeds ten minste 50% van de aan het verlof voorafgaande betrekkingsomvang feitelijk per week te worden gewerkt.”


De verlofdata in het PDI-plan kunnen niet worden afgedwongen




5.2.
Voorop wordt gesteld dat het PDI-plan van [de eiser] haar basis vindt in de cao-bepalingen. [de eiser] doet een beroep op bepalingen uit de cao en daarom is het PDI-plan niet aan te merken als een aanbod in civielrechtelijke zin, waar Stichting IJsselgraaf al dan niet mee akkoord is gegaan (artikel 6:213 BW).



5.3.
Verder kan ook niet voor recht worden verklaard dat het plan van [de eiser] is goedgekeurd.
Dat neemt overigens niet weg dat Stichting IJsselgraaf onhandig heeft gecommuniceerd en kennelijk zelf ook niet goed wist hoe om moest worden gegaan met de verzoeken van [de eiser] . Eerst werd er immers meermaals heen en weer gecorrespondeerd en daarna werd [de eiser] gevraagd een plan op te stellen. Vervolgens heeft Stichting IJsselgraaf op dat plan aanvankelijk overwegend bewilligend gereageerd, terwijl het opnemen van sabbaticals volgens dat plan vervolgens afketste op inmiddels ontwikkeld eigen beleid.
Die wijze van communiceren neemt niet weg dat er een duidelijke en integrale goedkeuring door Stichting IJsselgraaf van het gehele plan van [de eiser] ontbreekt. Daarvoor zou nodig zijn geweest dat zowel goedkeuring voor de opgespaarde aantal uren was gegeven èn over alle benoemde jaren èn het telkens in het voorjaar mogen opnemen van die opgespaarde uren. Een dergelijke goedkeuring is er niet.
In de e-mail van 25 juni 2024 (zie onder 3.7.) staat namelijk dat de data waarop [de eiser] een sabbatical wil opnemen jaarlijks besproken moeten worden. Dit is ook in overeenstemming de cao waarin staat dat werkgever en werknemer in overleg het tijdstip bepalen waarop de PDI-uren worden benut (artikel 9.4 lid 6) en zij jaarlijks afspraken maken over de duurzame inzetbaarheid van de werknemer aansluitend bij de individuele behoeften van de werknemer (artikel 9.4 lid 1). Onder ‘in overleg’ wordt volgens artikel 1.1 cao verstaan “werkgever en werknemer stemmen in met de gemaakte afspraken”. Om die reden mocht [de eiser] er ook niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat overeenstemming bestond over de wijze van opname en de verlofdata van het gehele plan.



5.4.
Wel mocht [de eiser] er van uitgaan dat ze in ieder geval vijf jaar (artikel 9.6 lid 10) mocht sparen op de manier waarop zij dit heeft voorgesteld.



5.5.
De primaire en subsidiaire vorderingen van [de eiser] die betrekking hebben op het gehele plan, kunnen daarom niet worden toegewezen.


De verlofaanvraag voor 2026/2027




5.6.
De meer subsidiaire vordering van [de eiser] gaat over de vraag of de e-mail van 10 juli 2025 als een verlofaanvraag volgens het plan geldt en die aanvraag zonder gewichtige redenen is geweigerd. In de e-mail heeft de gemachtigde van [de eiser] verwezen naar een e-mail waarin [de eiser] verlofdata in 2026 en 2027 aan Stichting IJsselgraaf doorgeeft (zie onder 3.10.). Het verlof voor 2026 is vervolgens goedgekeurd, maar het verlof voor 2027 (nog) niet. Hierna zal worden beoordeeld of de gewenste verlofopname voor 2027 zonder gewichtige redenen is geweigerd.


Fiscale regels staan niet in de weg aan opname PDI-sabbatical




5.7.
In de e-mail van 19 mei 2025 is aan [de eiser] meegedeeld dat ze hoe dan ook geen sabbaticals meer kan opnemen omdat ze 50% van haar werktijd per week aanwezig hoort te zijn. Partijen hebben op zitting laten weten dat de mededeling in deze e-mail de belangrijkste aanleiding is geweest voor deze procedure.



5.8.
Stichting IJsselgraaf verwijst ter onderbouwing van haar standpunt in de eerste plaats naar artikel 9.8 cao (zie onder 5.1.). Ook verwijst zij naar het op de cao-gebaseerde beleid, waarin staat dat een medewerker geen sabbatical kan opnemen, omdat er dan niet feitelijk 50% van de aanstellingsomvang per week wordt gewerkt. In de visie van Stichting IJsselgraaf levert minder dan 50% werken per week een vervroegde uittreding op in de zin van artikel 8.7 Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011 en artikel 32ba Wet op de loonbelasting 1964. In artikel 32ba Wet op de loonbelasting staat (in de kern) dat een werkgever een tarief van 57,7% aan belasting moet betalen als er sprake is van een regeling voor vervroegde uittreding. Dat laatste is het geval als een regeling ten doel heeft om voorafgaand aan het ingaan van de AOW te voorzien in een verstrekking ter overbrugging van de periode tot het ingaan van die AOW. In artikel 8.7 Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011 is een nadere bepaling opgenomen over in welke gevallen een regeling wordt aangemerkt als een regeling voor vervroegde uittreding.



5.9.
Het beleid en de visie van Stichting IJsselgraaf houdt kennelijk in, zo is ook op zitting verder toegelicht, dat werknemers in een periode van 10 jaar voorafgaand aan de AOW-leeftijd alleen PDI-uren kunnen opnemen als zij 50% van de werktijd per week blijven werken.



5.10.
Volgens [de eiser] is haar plan om PDI-sabbaticals op te nemen niet aan te merken als vervroegde uittreding.



5.11.
Het is dus de vraag of Stichting IJsselgraaf een verzoek tot het opnemen van een PDI-sabbatical kan afwijzen op grond van de cao en haar beleid. Het beleid van Stichting IJsselgraaf heeft kennelijk tot gevolg dat een werknemer van 57 jaar of ouder geen PDI-sabbatical kan opnemen gedurende de 10 jaren voorafgaand aan de AOW-leeftijd. Volgens de kantonrechter is de uitleg die Stichting IJsselgraaf voorstaat in strijd is met de bedoeling van zowel fiscale wet- en regelgeving als de bedoeling van de PDI-regeling. De PDI regeling heeft immers als doel dat werknemers vitaal kunnen blijven doorwerken tot aan de pensioengerechtigde leeftijd. In de regeling staat letterlijk dat de uren kunnen worden ingezet voor het opnemen van verlof, bijvoorbeeld sabbatical (zie artikel 9.6 lid 2 cao). Met de eerdergenoemde belastingregels over vervroegde uittreding beoogt de overheid eveneens te stimuleren om (gezond) door te werken tot de pensioengerechtigde leeftijd, met een fiscaal ongunstig hoog tarief als gevolg indien dat niet het geval is. De PDI-regeling en de belastingregels streven dus (deels) hetzelfde doel na.



5.12.
De veronderstelling van Stichting IJsselgraaf dat een werknemer van 57 jaar of ouder die gebruik wil maken van een PDI-sabbatical daardoor automatisch gebruik maakt van een regeling voor vervroegde uittreding, is niet goed te volgen. Ook artikel 9.8 van de cao veronderstelt dat niet. Met een andere uitleg zijn de woorden ‘in dit geval’ in voornoemde cao-bepaling niet te verklaren. Bovendien moet steeds objectief worden vastgesteld of sprake is van vervroegde uittreding. Als [de eiser] jaarlijks in het voorjaar een PDI-sabbatical (maximaal 340 uren per jaar) opneemt en vervolgens weer aan het werk gaat is dat verlof – zonder nadere toets – niet te beschouwen als een overbrugging naar de AOW-leeftijd. De cao staat ook geen ‘PDI-urenstuwmeer’ toe, zodat de PDI-uren in beginsel ook feitelijk niet door een individuele werknemer kunnen worden ingezet als vervroegd pensioen of het eerder stoppen met werken. Dat de belastinginspecteur een zienswijze heeft gegeven over het RVU-risico doet aan voorgaande niet af. Kortom, de fiscale regels vormen geen gewichtige reden voor het weigeren van de door [de eiser] gewenste verlofopname voor 2027.


Het jaarlijkse werkverdelingsplan is een gewichtige reden




5.13.
Partijen zijn het er over eens dat het regime voor de vaststelling van vakantie van toepassing is op de vaststelling van PDI-uren. Dat betekent dat de werkgever de tijdstippen van aanvang en einde van de vakantie vaststelt volgens de wensen van de werknemer, tenzij gewichtige redenen zich daartegen verzetten (artikel 7:638 lid 2 BW). Daarbij moet het belang van een realistische bedrijfsvoering zonder ernstige verstoring van Stichting IJsselgraaf als werkgever worden afgewogen tegenover het belang om tot rust te komen van [de eiser] als werknemer.



5.14.
Het belang van Stichting IJsselgraaf om jaarlijks de inzet van leerkrachten te bepalen op basis van haar formatie- en werkverdelingsplannen, is een gewichtige reden om (nog) niet in te kunnen stemmen met het verzochte verlof voor het voorjaar 2027 (en ook niet de jaren erna). Stichting IJsselgraaf voert aan dat de maanden maart en april in het basisonderwijs drukke perioden zijn waarin regelmatig vervanging nodig is. Daarom stelt zij jaarlijks na de formatie een werkverdelingsplan op, waarvoor in de maanden mei of juni van het voorgaande schooljaar gesprekken met werknemers over verlofopname worden gevoerd. Stichting IJsselgraaf benadrukt daarbij dat de maanden maart en april ook voor andere collega’s gewilde perioden zijn om verlof op te nemen en zij daarom nog niet kan instemmen met het verlofverzoek voor de periode 2026/2027.



5.15.
Daarbij wordt wel opgemerkt dat een aaneensluitende periode van verlof op grond van PDI-uren niet op voorhand kan worden beperkt of afgewezen onder verwijzing naar de reden dat een vervangende leerkracht moet worden gevonden voor de invaller van de vaste leerkracht. De cao biedt immers expliciet de mogelijkheid om een sabbatical op te nemen, waarbij het overleg over verlofopname centraal staat. Dit geldt ook in geval van [de eiser] . Dat betekent dat jaarlijks met [de eiser] moet worden gekeken of, en zo ja, in welke periode zij een sabbatical kan opnemen in het jaar daarna.



5.16.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat ook de meer subsidiaire vordering van [de eiser] zal worden afgewezen.


Proceskosten




5.17.
De kantonrechter ziet in de werknemer-werkgeverrelatie aanleiding om de proceskosten tussen partijen te compenseren. Dat betekent dat iedere partij haar eigen kosten draagt.





6De beslissing

De kantonrechter:


6.1.
wijst de vorderingen van [de eiser] af,



6.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.










Dit vonnis is gewezen door mr. S.E. Sijsma, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026.












































SG
Link naar deze uitspraak