Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:OGHACMB:2026:81 
 
Datum uitspraak:21-04-2026
Datum gepubliceerd:30-04-2026
Instantie:Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Zaaknummers:CUR2024H00293
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Curaçao. Financiële afwikkeling na echtscheiding.
Trefwoorden:echtscheiding
levensonderhoud
 
Uitspraak
Burgerlijke zaken over 2026
Zaaknummers: CUR202302482 – CUR2024H00293
Uitspraak: 21 april 2026



GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba


V O N N I S

in de zaak van:


[DE VROUW],

wonende in Curaçao,
in eerste aanleg gedaagde, thans appellante,
gemachtigde: mr. S.C. Larmonie,

tegen


[DE MAN],

wonende in Curaçao,
in eerste aanleg eiser, thans geïntimeerde,
gemachtigde: mr. L.G. Da Costa Gomez.

Partijen worden hierna de vrouw en de man genoemd.





1De zaak in het kort

Deze zaak betreft de verdeling van een huwelijksgoederengemeenschap na echtscheiding. Naast verdeling van de goederen zijn ook diverse gepretendeerde vergoedingsplichten aan de orde.
In dit hoger beroep is niet zozeer de verdeling van de goederen aan de orde als wel het bedrag dat de vrouw volgens het Gerecht per saldo aan de man dient te betalen. Volgens de vrouw heeft het Gerecht dat bedrag te hoog vastgesteld.
Het Hof beveelt een mondelinge behandeling.





2Het verloop van de procedure


2.1
Bij op 30 december 2024 ingekomen akte van appel is de vrouw in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 18 november 2024 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht).



2.2
Bij op 10 februari 2025 ingekomen memorie van grieven, met producties, heeft de vrouw acht grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht en een conclusie geformuleerd.



2.3
Bij op 7 april 2025 ingekomen memorie van antwoord, met producties, heeft de man de grieven bestreden. Zijn conclusie strekt ertoe dat het Hof het bestreden vonnis zal bevestigen, met compensatie van de proceskosten.



2.4
Op 19 augustus 2025 hebben de gemachtigden van partijen pleitnotities ingediend. De gemachtigde van de vrouw heeft daarbij producties overgelegd die hij op voorhand had toegezonden aan de gemachtigde van de man.



2.5
Vonnis is nader bepaald op vandaag.






3De beoordeling


Feiten



3.1
Het Hof gaat uit van de volgende feiten.


3.1.1
Op [datum] zijn partijen in algehele gemeenschap van goederen met elkaar getrouwd in Curaçao.



3.1.2
Uit het huwelijk zijn twee [kinderen] geboren (in [jaren]). Beiden zijn meerderjarig.



3.1.3
Bij verzoekschrift van 1 december 2020 heeft de man echtscheiding verzocht. Bij beschikking van 2 maart 2021 heeft het Gerecht de echtscheiding uitgesproken. Op 21 april 2021 is de echtscheidingsbeschikking ingeschreven.



3.1.4
In de echtscheidingsbeschikking heeft het Gerecht partijen bevolen de huwelijksgoederengemeenschap te verdelen. Partijen zijn het niet eens kunnen worden over de juiste verdeling.



3.1.5
De man heeft de toenmalige echtelijke woning verlaten. De vrouw is daar blijven wonen. De man betaalt de lasten van de hypothecaire geldlening die verbonden is aan de woning.



3.1.6
Beide partijen hebben pensioenrechten opgebouwd. De vrouw is geboren in [jaartal] en de man in [jaartal].



3.1.7
De man heeft een spaarrekening bij [spaarinstelling].


Beslissingen van het Gerecht





3.2
Voor het geval de vrouw binnen zes maanden aan de veroordelingen voldoet, heeft het Gerecht bij het bestreden vonnis, verkort weergegeven, als volgt beslist:
a. de woning, de inboedel en de hypothecaire lening worden toebedeeld aan de vrouw;
b. de spaarrekening wordt toebedeeld aan de man;
c. de vrouw dient NAf 157.828 aan de man te betalen wegens overbedeling;
d. de vrouw dient NAf 400 per maand over de periode 1 december 2020 tot aan de verdeling aan de man te betalen aan gebruiksvergoeding;
e. de vrouw dient NAf 879 per maand over de periode 1 december 2020 tot aan de verdeling aan de man te betalen aan hypotheeklasten;
f. de vrouw dient NAf 76.851 aan de man te betalen voor zijn aandeel in haar pensioenrechten;
g. de man dient NAf 64.215 aan de vrouw te betalen voor haar aandeel in zijn pensioenrechten.



3.3
Voor het geval de vrouw niet binnen zes maanden aan de hiervoor weergegeven veroordelingen voldoet, heeft het Gerecht beslist:
a. de woning wordt verkocht en de netto-opbrengst wordt bij helfte verdeeld; de inboedel wordt toebedeeld aan de vrouw;
b. de spaarrekening [spaarinstelling] wordt toebedeeld aan de man onder de verplichting NAf 279 aan de vrouw te betalen;
c. tot en met g. hetzelfde als hiervoor onder 3.2 vermeld.


Beoordeling door het Hof




3.4
Niet in geschil is dat de gezamenlijke goederen en schulden op de peildatum 1 december 2020 bestonden uit (zie 4.3 van het bestreden vonnis):
- een woning met inboedel;
- de hypothecaire geldschuld;
- de pensioenrechten van beide partijen; en
- de spaarrekening van de man.



3.5
Bij de waardering van de gezamenlijke goederen en schulden geldt als peildatum in beginsel de datum van verdeling. Uit de eisen van redelijkheid en billijkheid kan voortvloeien dat hiervan dient te worden afgeweken.



3.6
Het bestreden vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, maar het lijkt erop dat het niet is uitgevoerd en dat de huwelijksgoederengemeenschap dus nog niet is verdeeld.



3.7
Bij de pensioenrechten is rekening gehouden met de rechten die partijen per 1 december 2020 hebben opgebouwd (productie 2 van de man bij zijn akte van 3 juni 2024; productie A1 van de vrouw bij haar akte van dezelfde datum; productie 5 bij memorie van antwoord). Die bedragen kunnen ook gebruikt worden als de verdeling pas later plaatsvindt, want rechten die na de huwelijkse periode nog worden opgebouwd, vallen niet in de huwelijksgoederengemeenschap.



3.8
De overige bestanddelen zijn gewaardeerd naar peildata rond maart 2024:
- woning: taxatierapport met opnamedatum 20 maart 2024 (productie 2 van de man bij zijn akte van 3 juni 2024; productie 2 bij memorie van antwoord);
- hypothecaire schuld: eind maart 2024 (productie 10 van de man bij zijn akte van 11 maart 2024);
- saldo spaarrekening: schermafdruk van 14 maart 2024 (productie 1 van de man bij zijn akte van 3 juni 2024; productie 6 bij memorie van antwoord; volgens de vrouw kan niet worden uitgegaan van de juistheid en volledigheid hiervan; in dit verband heeft zij bij pleidooi in hoger beroep producties 9 en 10 overgelegd).



3.9
De hypotheekschuld is inmiddels gedaald: de man heeft als productie 4 bij memorie van antwoord een opgave overgelegd die per 31 december 2024 een schuld van NAf 68.019 vermeldt (eind maart 2024 was het NAf 81.286). Gelet op de ontwikkelingen in de woningmarkt in Curaçao is het te verwachten dat sinds maart 2024 de waarde van de woning is gestegen. In beginsel moet daarmee rekening worden gehouden. Toedeling van woning en hypotheekschuld aan de vrouw per datum verdeling lijkt dus, naarmate de tijd verstrijkt zonder dat de verdeling plaatsvindt, tot verhoging van het door de vrouw te betalen overbedelingsbedrag te leiden.



3.10
De man maakt, naast de verdeling van de gezamenlijke goederen en schulden, aanspraak op:
- een vergoeding voor door de man gederfd woongenot sinds 1 december 2020 (gebruiksvergoeding);
- vergoeding van de helft van de sinds 1 december 2020 door de man gedragen hypotheeklasten en lasten ter verzekering van de woning (draagplichtvergoeding).



3.11
De vrouw maakt, naast de verdeling van de gezamenlijke goederen en schulden, aanspraak op:
- partneralimentatie (volgens haar betaalt de man de hypotheeklasten in plaats van partneralimentatie);
- alimentatie voor de jongvolwassen kinderen (de man heeft in dit verband als productie 7 bij memorie van antwoord een beschikking van het Gerecht van 20 januari 2022 waarin hij is veroordeeld tot betaling van NAf 300 per kind per maand als bijdrage in de kosten van studie en levensonderhoud, met verdere stukken in verband met het staken van de bijdrage voor de oudste dochter);
- vergoeding van kosten van onderhoud van de woning;
- vergoeding van de helft van hetgeen de man ontvangt aan belastingrestitutie in verband met zijn betalingen op de hypotheekschuld;
- verdeling van de huwelijkse duurtetoeslag in de pensioenrechten van de man (genoemd in productie 2 van de man bij zijn akte van 3 juni 2024).



3.12
De rechtsverhouding tussen partijen als ex-echtelieden wordt beheerst door de redelijkheid en billijkheid. Een mogelijke oplossing van het geschil zou kunnen zijn dat de woning en de hypothecaire geldlening aan de vrouw worden toebedeeld tegen vergoeding van de helft van de overwaarde en dat alle overige (gestelde) vergoedingsrechten over en weer tegen elkaar worden weggestreept.



3.13
De vrouw dient te bedenken dat als de woning aan haar wordt toebedeeld, zij ook zelf het genot heeft van het door haar gepleegde onderhoud aan de woning. Verder lopen de aanspraken van de man wegens gederfd woongenot en wegens betaling van alle hypotheeklasten door zolang de verdeling niet heeft plaatsgehad. Het door de vrouw te betalen bedrag aan overbedeling zou ongeveer Cg 180.000 kunnen zijn. Het is de vraag of de vrouw dat kan financieren. Zo nee, dan is verkoop van de woning vermoedelijk de enig mogelijke optie.



3.14
De man dient ook redelijk te zijn: hij had de vrouw eerder voor een keuze kunnen stellen zonder de betalingsverplichting verder te laten oplopen. Verder is het de vraag of het redelijk is om zowel een gebruiksvergoeding als een draagplichtvergoeding te verlangen. Dit geldt temeer nu het Gerecht bij beschikking van 20 januari 2022 (productie 3 bij conclusie van antwoord) heeft overwogen dat de helft van de door de man betaalde hypotheeklasten gezien kan worden als alimentatie in natura aan de vrouw. Hierbij is ook van belang of andere partneralimentatie wordt betaald en wat in dat verband de behoefte en de draagkracht is.



3.15
Het Hof wijst erop dat het ingevolge art. 3:185 lid 3 BW kan bepalen dat degene die overbedeeld wordt, de overwaarde geheel of gedeeltelijk in termijnen mag voldoen. Het Hof kan daaraan de voorwaarde verbinden dat zekerheid tot een door het Hof bepaald bedrag en van een door het Hof bepaalde aard wordt gesteld.



3.16
Indien partijen wensen door te procederen, dient in beginsel de woning opnieuw getaxeerd te worden.



3.17
Het Hof zal een mondelinge behandeling gelasten om het voorgaande met partijen te bespreken. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.


B E S L I S S I N G

Het Hof:

bepaalt een mondelinge behandeling in het Gerechtsgebouw in Curaçao op


donderdag 18 juni 2026 om 14.00 uur;


houdt iedere verdere beslissing aan.


Dit vonnis is gewezen door mrs. E.M. van der Bunt, G.C.C. Lewin en J. de Boer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 21 april 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.
Link naar deze uitspraak