Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBMNE:2026:1733 
 
Datum uitspraak:30-03-2026
Datum gepubliceerd:01-05-2026
Instantie:Rechtbank Midden-Nederland
Zaaknummers:25/4509
Rechtsgebied:Socialezekerheidsrecht
Indicatie:Weigering WW-uitkering vanwege het ontbreken van een gezagsverhouding.
Trefwoorden:arbeidsovereenkomst
loonbelasting
uitkering
vaststellingsovereenkomst
 
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/4509

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 maart 2026 in de zaak tussen



[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. G.J.A.M. Gloudi),

en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv), verweerder
(gemachtigde: mr. C.W.P. van den Berg).




Inleiding

1. Eiser heeft op 8 september 2023 een schriftelijke arbeidsovereenkomst ondertekend op basis waarvan hij voor onbepaalde tijd in dienst is getreden in de functie van [functie] bij het bedrijf van zijn partner, [bedrijf 1] . Op 6 april 2025 hebben eiser en [bedrijf 1] een vaststellingsovereenkomst gesloten, waardoor de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden is geëindigd op 13 april 2025. Op 18 april 2025 heeft eiser een uitkering aangevraagd op grond van de Werkloosheidswet (WW).


1.1.
Met het besluit van 21 mei 2025 (het primaire besluit) heeft het Uwv bepaald dat eiser per 14 april 2025 geen WW-uitkering krijgt. Daartoe heeft het Uwv overwogen dat eiser geen werknemer is, omdat geen sprake was van een gezagsverhouding tussen eiser en [bedrijf 1] . Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt.



1.2.
Met het besluit van 17 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft het Uwv zijn primaire besluit in stand gelaten en het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij de rechtbank.



1.3.
Het beroep van eiser is behandeld op zitting van de enkelvoudige kamer op 26 november 2025. Eiser is verschenen met zijn partner en heeft zich laten bijstaan door zijn gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.





Het bestreden besluit

2. Het Uwv stelt zich op het standpunt dat eiser geen recht heeft op een WW-uitkering. Eiser wordt namelijk niet gezien als werknemer in de zin van de WW, omdat er geen gezagsverhouding bestond tussen eiser en zijn partner. Het is aan eiser om aan te tonen dat er sprake was van een gezagsverhouding binnen een gezinssituatie. Het Uwv heeft naar aanleiding van het bezwaar van eiser met hem gebeld. In dat telefoongesprek met eiser van 8 juli 2025 heeft hij heeft aangegeven dat zijn partner slechts op papier de werkgever was en dat hij grotendeels zelf de leiding had over zijn werkzaamheden. Er zouden geen functioneringsgesprekken hebben plaatsgevonden en hij kon zich niet ziekmelden, omdat hij onvervangbaar was. Uit die toelichting blijkt volgens het Uwv dat er geen sprake was van een gezagsverhouding tussen eiser en zijn partner.




Standpunt van eiser

3. Eiser stelt dat hij recht heeft op een WW-uitkering omdat er volgens wel een gezagsverhouding bestond tussen hem en [bedrijf 1] . Volgens eiser was hij ondergeschikt aan [bedrijf 1] en volgde hij instructies op, ontving hij aanwijzingen en hield [bedrijf 1] toezicht. Volgens eiser blijkt de gezagsverhouding uit artikel 3.2 van zijn arbeidsovereenkomst en uit de dagelijkse gang van zaken. Ter specificering van de instructiebevoegdheid wijst eiser op een ingebrachte verklaring van zijn advocaat die verklaart wat de partner van eiser heeft verklaard en wordt verwezen naar een ingebrachte overeenkomst van opdracht tussen [bedrijf 1] en [bedrijf 2] B.V. Eiser heeft op de zitting van de rechtbank toegelicht hoe de gezagsverhouding er in de praktijk uitzag. Zijn partner nam opdrachten aan van [bedrijf 2] en droeg dit vervolgens telefonisch op aan hem. Eiser stelt vervolgens dat zijn partner toezicht hield op en controle uitoefende over de kwaliteit en voortgang van de werkzaamheden. Ook kon eiser zich ziekmelden bij zijn partner. Eiser stelt dat er functioneringsgesprekken hebben plaatsgevonden tussen hem en zijn partner waarbij ook de bedrijfsresultaten werden besproken, maar dat dit enkel mondeling was en niet schriftelijk is vastgelegd. Eiser wijst erop hij het telefoongesprek in de bezwaarfase met de medewerker van het Uwv op 8 juli 2025 verkeerd heeft begrepen, omdat hij afkomstig is uit Hongarije en de Nederlandse taal minder goed machtig is. Ten slotte wijst eiser op de loonstroken, betaalde loonbelasting en de vaststellingsovereenkomst, waaruit blijkt dat hij werknemer is geweest.




Beoordeling door de rechtbank

4. In geschil is of eiser moet worden aangemerkt als werknemer in de zin van de WW. Op grond van artikel 3, eerste lid, van de WW is daarvoor vereist dat sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen eiser en [bedrijf 1] , het bedrijf van zijn partner. Naar vaste rechtspraak is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking sprake, als betrokkene werkzaam is op basis van een arbeidsovereenkomst. Voor het aannemen van een arbeidsovereenkomst moet sprake zijn van een verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid, een gezagsverhouding en een verplichting tot het betalen van loon.


4.1.
Niet in geschil is dat eiser arbeid heeft verricht en hiervoor loon heeft ontvangen. Het beroep is beperkt tot de vraag of het Uwv terecht heeft geoordeeld dat eiser geen werknemer is omdat er tussen eiser en [bedrijf 1] geen sprake was van een gezagsverhouding, en dus ook niet van een privaatrechtelijke dienstbetrekking.



4.2.
Om te kunnen beoordelen of een overeenkomst als een arbeidsovereenkomst moet worden aangemerkt, moet door uitleg aan de hand van de Haviltexmaatstaf worden vastgesteld welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen. Daarbij moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien en moeten niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking worden genomen die partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stonden, maar moet ook acht worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. Daarbij is niet één enkel element beslissend, maar moeten de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden in hun onderling verband worden bezien.



4.3.
Voor die beoordeling kunnen onder meer van belang zijn de aard en duur van de werkzaamheden, de wijze waarop de werkzaamheden en de werktijden worden bepaald, de inbedding van het werk en degene die de werkzaamheden verricht in de organisatie en de bedrijfsvoering van degene voor wie de werkzaamheden worden verricht, het al dan niet bestaan van een verplichting het werk persoonlijk uit te voeren, de wijze waarop de contractuele regeling van de verhouding van partijen tot stand is gekomen, de wijze waarop de beloning wordt bepaald en waarop deze wordt uitgekeerd, de hoogte van deze beloningen, de vraag of degene die de werkzaamheden verricht daarbij commercieel risico loopt en of degene die de werkzaamheden verricht zich in het economisch verkeer als ondernemer gedraagt of kan gedragen. Er bestaat geen rangorde tussen de omstandigheden die van belang kunnen zijn. Als de overeengekomen rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst, moet de overeenkomst als zodanig worden aangemerkt. Voor deze kwalificatie is niet van belang of partijen de bedoeling hadden de overeenkomst onder de wettelijke regeling van de arbeidsovereenkomst te laten vallen.



4.4.
Dat er sprake is van een familieverhouding tussen werkgever en werknemer is, volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), één van de omstandigheden waarmee rekening moet worden gehouden bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Het bestaan van een familierelatie betekent niet per definitie dat geen sprake kan zijn van een gezagsverhouding. Ook bij een dergelijke arbeidsverhouding geldt als maatstaf voor de vraag of sprake is van een gezagsverhouding of aangenomen kan worden dat degene die arbeid verricht aan een zeker gezag is onderworpen van degene met wie de overeenkomst is aangegaan, dat diegene bevoegd is om opdrachten en instructies te geven en om controle uit te oefenen op de voortgang en resultaten van het werk.


4.5.
Nu eiser een aanvraag heeft ingediend om in aanmerking te komen voor een WW-uitkering, ligt het in beginsel op zijn weg om aan de hand van objectieve en controleerbare gegevens aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst is voldaan.



4.6.
De rechtbank is van oordeel dat het Uwv terecht heeft geconcludeerd dat de gezagsverhouding tussen eiser en [bedrijf 1] ontbreekt. De rechtbank overweegt dat eiser op de zitting heeft aangegeven hoe zijn werk er in praktijk uitzag en op welke wijze [bedrijf 1] volgens hem gezag over hem uitoefende. Eiser heeft in algemene bewoordingen gesteld dat zijn partner opdrachten aannam, hem instructies en aanwijzingen gaf en toezicht hield op zijn werk. Dit voerde zijn partner telefonisch uit. Dit heeft eiser echter niet kunnen onderbouwen aan de hand van objectieve en controleerbare gegevens. Eiser heeft enkel gewezen op een algemeen geformuleerde bepaling uit zijn arbeidsovereenkomst waaruit blijkt dat zijn partner bevoegd was om instructies te geven en dat er werkafspraken gemaakt konden worden. Daarnaast heeft eiser een verklaring van zijn eigen advocaat ingebracht waarin zijn advocaat verklaart wat de partner van eiser aan zijn advocaat in enkele algemene bewoordingen heeft verteld over hoe invulling werd gegeven aan de instructiebevoegdheid, waarbij voornamelijk wordt verwezen naar de overeenkomst van opdracht tussen [bedrijf 1] en [bedrijf 2] B.V. Ook dat geeft geen inzicht in hoe de gezagsverhouding er feitelijk heeft uitgezien. In die verklaring staat namelijk alleen dat de taken werden verricht conform de overeenkomst, en die overeenkomst geeft geen inzichten over de feitelijke gezagsverhouding. Ook stelt eiser dat er functioneringsgesprekken zijn gevoerd, maar die zijn niet schriftelijk vastgelegd. Daaruit concludeert de rechtbank dat eiser enkel heeft aangetoond dat zijn partner een mogelijkheid had om gezag uit te oefenen, maar heeft eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij daadwerkelijk onderworpen was aan het gezag van zijn partner. Voorts heeft eiser ter zitting toegelicht dat hij zijn collega’s feitelijk aanstuurde, omdat zijn collega’s de Nederlandse taal niet spraken. Daarnaast heeft eiser gesteld dat zijn partner op aantal werkplekken niet mocht komen, omdat de opdrachtgever heeft verzocht dat eiser daar ter plekke zou zijn, waartoe specifieke toegang moest worden aangevraagd en een Verklaring Omtrent Gedrag was vereist. Bij die werkplekken werd eiser vervolgens als eerste door de opdrachtgever aangesproken bij eventuele tekortkomingen in het werk, en dus niet zijn partner. Deze verklaringen komen grotendeels overeen met de uitlatingen die eiser heeft gedaan in het telefoongesprek met het Uwv, waaruit volgt dat eiser onvervangbaar was en eiser grotendeels de leiding had over zijn werkzaamheden. Uit de ingebrachte loonstroken, betaalde loonbelasting en vaststellingsovereenkomst kan geen waarde worden toegekend voor de bepaling of eiser in een gezagsverhouding stond tot [bedrijf 1] , want die onderbouwen dat eiser arbeid heeft verricht en hiervoor loon heeft ontvangen en dat is niet in geschil.



4.7.
Gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, zijn geen aanwijzingen te vinden dat sprake was van een gezagsverhouding. Het Uwv heeft terecht geconcludeerd dat eiser het bestaan van de arbeidsovereenkomst niet aannemelijk heeft gemaakt. Daaruit volgt dat het Uwv terecht heeft aangenomen dat eiser geen werknemer is in de zin van artikel 3 van de WW en de aanvraag om een WW-uitkering terecht heeft afgewezen. De beroepsgrond slaagt niet.




Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de weigering van de WW-uitkering per 14 april 2025 in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.





Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.




Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Willemse, rechter, in aanwezigheid van J.M.J. Kooistra, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2026.



De griffier is verhinderd de uitspraak


mede te ondertekenen











griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 15 april 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1785.


Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158 (Haviltex).


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Hoge Raad 25 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP3887 en HR 17 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8926.


Zie de uitspraak van de Hoge Raad 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1746 (Participatieplaats) en van 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:443 (Deliveroo).


Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 21 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:319 (Uber).


Zie de uitspraak van de CRvB van 20 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1649, en de arresten Participatieplaats, Deliveroo, en Uber van de Hoge Raad.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 14 oktober 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3634.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 23 januari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:156.
Link naar deze uitspraak