Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBOVE:2026:2334 
 
Datum uitspraak:24-04-2026
Datum gepubliceerd:01-05-2026
Instantie:Rechtbank Overijssel
Zaaknummers:12042675 CV EXPL 26-4
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Eiser is eigenaar van een bedrijfsruimte. Zij heeft deze bedrijfsruimte aan SDJ verhuurd. Eiser stelt dat de huurovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, dat de kantonrechter de ontruimingstermijn heeft verlengd tot 31 december 2025, dat deze termijn inmiddels is verstreken en dat SDJ geen tijdig verzoek tot verlenging van de ontruimingstermijn heeft gedaan. Eiser vordert (onder andere) ontruiming van het bedrijfspand en betaling van de gebruiksvergoeding voor de maanden november en december 2025. SDJ voert verweer. De kantonrechter oordeelt dat niet is gebleken dat SDJ een recht of titel heeft om het bedrijfspand na 31 december 2025 te gebruiken. Daarnaast is bij beschikking bepaald dat SDJ een vergoeding voor het gebruik van het bedrijfspand moet betalen en heeft SDJ niet weersproken dat zij de gebruiksvergoeding voor de maanden november en december 2025 niet heeft betaald. De vorderingen worden daarom (grotendeels) toegewezen.
Trefwoorden:burgerlijk wetboek
huurovereenkomst
wettelijke rente
 
Uitspraak
RECHTBANK
OVERIJSSEL


Civiel recht
Kantonrechter

Zittingsplaats Enschede

Zaaknummer: 12042675 \ CV EXPL 26-4


Vonnis in kort geding van 24 april 2026


in de zaak van



[eiser] B.V.,
te [vestigingsplaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. A. Prascevic,

tegen


STICHTING DEMOCRATISCHE JONGEREN,
te Enschede,
gedaagde partij,
hierna te noemen: SDJ,
procederend in persoon.





1De zaak in het kort


1.1.

[eiser] is eigenaar van een bedrijfsruimte. Zij heeft deze bedrijfsruimte aan SDJ verhuurd. [eiser] stelt dat de huurovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, dat de kantonrechter de ontruimingstermijn heeft verlengd tot 31 december 2025, dat deze termijn inmiddels is verstreken en dat SDJ geen tijdig verzoek tot verlenging van de ontruimingstermijn heeft gedaan. [eiser] vordert (onder andere) ontruiming van het bedrijfspand en betaling van de gebruiksvergoeding voor de maanden november en december 2025. SDJ voert verweer.



1.2.
De kantonrechter oordeelt dat niet is gebleken dat SDJ een recht of titel heeft om het bedrijfspand na 31 december 2025 te gebruiken. Daarnaast is bij beschikking bepaald dat SDJ een vergoeding voor het gebruik van het bedrijfspand moet betalen en heeft SDJ niet weersproken dat zij de gebruiksvergoeding voor de maanden november en december 2025 niet heeft betaald. De vorderingen worden daarom (grotendeels) toegewezen.






2De procedure


2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:


de dagvaarding met producties,


de aanvullende productie van [eiser],


de mondelinge behandeling van 31 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,


de spreekaantekeningen van [eiser], en


de verklaring van SDJ dat de heren [naam 1] en [naam 2] toestemming hadden om SDJ te vertegenwoordigen op de mondelinge behandeling.





2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.






3De feiten


3.1.
SDJ is een stichting die als doel heeft de belangen van de Turkse gemeenschap in Enschede te behartigen.

[eiser] is eigenaar van de bedrijfsruimte aan de [adres].



3.2.
In oktober 2016 sloten partijen een huurovereenkomst met betrekking tot deze bedrijfsruimte. SDJ gebruikte de bedrijfsruimte als vestiging voor haar stichting.



3.3.

[eiser] heeft de huurovereenkomst op 28 juni 2024 opgezegd tegen 31 december 2024.



3.4.
Bij beschikking van 2 september 2025 (onder zaaknummer 11572847 \ EJ VERZ 25-36) is de ontruimingstermijn verlengd tot 31 december 2025.



3.5.
Op 16 december 2025 heeft de gemachtigde van [eiser] per e-mail aan SDJ verzocht om hem te berichten of SDJ de bedrijfsruimte vrijwillig per 31 december 2025 zal ontruimen.



3.6.
SDJ heeft de bedrijfsruimte niet ontruimd.






4Het geschil


4.1.

[eiser] vordert – samengevat – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:


ontruiming door SDJ van het bedrijfspand aan de [adres] binnen zeven dagen na betekening van het vonnis,


een machtiging om – als SDJ niet aan de vordering onder a) voldoet – de ontruiming zelf of door anderen te bewerkstelligen, zo nodig met behulp van de sterke arm van politie en justitie, op kosten van SDJ,


oplegging van een dwangsom aan SDJ van € 1.000,– per dag(deel) dat SDJ niet aan de vordering onder a) voldoet, met een maximum van € 50.000,–,


betaling door SDJ van € 3.750,– aan gebruiksvergoeding voor de maanden november en december 2025, te vermeerderen met de wettelijke rente,


veroordeling van SDJ in de proceskosten.





4.2.
SDJ voert verweer.



4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.





5De beoordeling


Ontruiming


5.1.

[eiser] heeft onbetwist gesteld dat de huurovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd. De ontruimingstermijn is door de kantonrechter verlengd tot 31 december 2025. Op grond van artikel 7:230a lid 5 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kon SDJ uiterlijk op 30 november 2025 (een maand voor het verstrijken van de ontruimingstermijn) een verzoek tot verlenging van de ontruimingstermijn doen. Dat heeft SDJ niet gedaan en nu de termijn daarvoor inmiddels is verstreken, heeft SDJ dus geen ontruimingsbescherming meer.



5.2.
SDJ voert aan dat zij mede-eigenaar van het bedrijfspand is althans zou worden. Volgens haar is het bedrijfspand gekocht met geld dat haar volgelingen hebben verzameld. [eiser] heeft zich niet aan de afspraak gehouden dat SDJ mede-eigenaar van het bedrijfspand zou worden. De volgelingen van SDJ voelen zich beroofd en vinden het niet terecht dat zij huur moeten betalen en nu zelfs het bedrijfspand moeten verlaten.



5.3.
In deze procedure gaat het niet over de vraag of SDJ en haar volgelingen aanspraak kunnen maken op teruggave van hun (gestelde) financiële bijdrage, maar alleen over de vraag of SDJ de bedrijfsruimte moet ontruimen en tot einde gebruik een gebruiksvergoeding moet betalen. De rechtbank Overijssel heeft in een andere procedure tussen partijen geoordeeld dat het bedrijfspand uitsluitend eigendom van [eiser] is (vonnis van 18 maart 2026 onder zaaknummer C/08/338124 / HA ZA 25-296). Het leveren van een financiële bijdrage bij de aankoop van een onroerende zaak maakt de gever/financier nog geen mede-eigenaar. SDJ heeft dus geen gebruiksrecht op grond van eigendom.



5.4.
Omdat SDJ geen recht of titel (meer) heeft om de bedrijfsruimte te gebruiken, is voldoende aannemelijk dat een vordering tot ontruiming in een bodemprocedure zal worden toegewezen. Van [eiser] kan niet worden verwacht dat zij een bodemprocedure afwacht. Zij heeft er belang bij om zo snel mogelijk weer over haar eigendom te kunnen beschikken. De gevorderde ontruiming zal daarom in dit kort geding worden toegewezen.



5.5.
De gevorderde machtiging om de ontruiming zo nodig zelf uit te voeren met behulp van de sterke arm van politie en justitie zal worden afgewezen, omdat dit overbodig is (artikel 556 lid 1 en artikel 557 Rv).



5.6.
De gevorderde dwangsom zal worden afgewezen, omdat [eiser] met de veroordeling van SDJ tot ontruiming al bevoegd is om tot (gedwongen) ontruiming over te gaan.


Gebruiksvergoeding



5.7.
In de beschikking van 2 september 2025 is bepaald dat SDJ een maandelijkse vergoeding voor het gebruik van de bedrijfsruimte moet betalen. In de beschikking is vastgelegd dat partijen zijn overeengekomen dat de gebruiksvergoeding 50% van de huurwaarde bedraagt en dat de huurwaarde wordt vastgesteld door een beëdigd taxateur of makelaar die door [eiser] wordt ingeschakeld.



5.8.

[eiser] heeft onbetwist gesteld dat de gebruiksvergoeding € 1.875,– per maand bedraagt en dat SDJ de gebruiksvergoeding voor de maanden november en december 2025 nog moet betalen. [eiser] heeft niet onderbouwd waarom zij een spoedeisend belang heeft bij de vordering tot betaling van de gebruiksvergoeding. Aangezien de vordering echter ook niet is weersproken, zal het gevorderde bedrag van € 3.750,– worden toegewezen.



5.9.

[eiser] vordert vermeerdering van dit bedrag met de wettelijke rente. Deze vordering is op artikel 6:119 BW gegrond en niet weersproken en zal dan ook worden toegewezen.


Proceskosten



5.10.
SDJ is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:









- kosten van de dagvaarding





128,52







- griffierecht





529,–







- salaris gemachtigde





577,–







- nakosten





144,–


(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)




totaal





1.378,52














6De beslissing

De kantonrechter


6.1.
veroordeelt SDJ om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis het bedrijfspand aan [adres] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van [eiser] zijn, en de sleutels af te geven aan [eiser],



6.2.
veroordeelt SDJ om € 3.750,– (aan gebruiksvergoeding over de maanden november en december 2025) aan [eiser] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de vervaldata van de gebruiksvergoedingen tot de dag van volledige betaling,



6.3.
veroordeelt SDJ in de proceskosten van € 1.378,52, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als SDJ niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



6.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,



6.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.B. de Groot en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2026 door mr. A.H. Margadant.
Link naar deze uitspraak